ECLI:NL:CRVB:2025:1567

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
24/230 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting

In deze zaak heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de bijstand van appellante herzien en teruggevorderd. De reden hiervoor was dat appellante stortingen en bijschrijvingen op haar bankrekeningen had ontvangen, die als inkomen werden aangemerkt. Appellante had deze inkomsten niet gemeld, waardoor zij de inlichtingenverplichting had geschonden. Appellante stelde dat de bedragen niet voor haar bestemd waren en dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. De Raad voor de Rechtspraak oordeelde echter dat de enkele stelling van appellante onvoldoende was om aan te tonen dat zij niet over de bedragen kon beschikken. De Raad bevestigde dat appellante haar inlichtingenverplichting had geschonden en dat er geen dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. De rechtbank had het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, en de Raad bevestigde deze uitspraak. De terugvordering blijft in stand, en appellante krijgt geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.

Uitspraak

24/230 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 december 2023, 22/5135 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 21 oktober 2025
SAMENVATTING
In deze zaak heeft het college de bijstand van appellante herzien en teruggevorderd met als reden dat appellante stortingen en bijschrijvingen op haar bankrekeningen heeft ontvangen. Het college heeft deze bedragen als inkomen in aanmerking genomen. Appellante heeft die inkomsten niet gemeld en daarmee de inlichtingenverplichting geschonden. Appellante heeft aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, omdat de stortingen en bijschrijvingen niet kunnen worden aangemerkt als inkomen. Verder heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. De Raad geeft appellante daarin geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.Y. Ramdhan, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Partijen hebben gereageerd op schriftelijke vragen van de Raad.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom is met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een onderzoek ter zitting achterwege gebleven en heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellante ontvangt sinds 19 november 2007 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande met twee kostendelers. Appellante heeft daarnaast de zorg voor twee minderjarige pleegkinderen die bij haar inwonen. Zij ontvangt van Stichting [naam stichting] maandelijks een bijdrage van ongeveer € 600,- ten behoeve van de pleegkinderen.
1.2.
Naar aanleiding van een melding van het Beheerteam Inkomen van de gemeente Amsterdam over stortingen van geldbedragen op de bankrekeningen van appellante, heeft een handhavingsspecialist van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In het kader hiervan heeft appellante desgevraagd bankafschriften van haar bankrekeningen overgelegd. Op die bankafschriften zijn contante stortingen en bijschrijvingen geconstateerd. Het gaat om een totaalbedrag van € 6.600,- in de periode van 1 april 2021 tot en met 31 december 2021.
1.3.
Met een besluit van 23 maart 2022 heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 1 april 2021 tot en met 31 december 2021 herzien en kosten van bijstand tot een bedrag van € 4.190,56 bruto van appellante teruggevorderd.
1.4.
Met een besluit van 15 september 2022 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 maart 2022 ongegrond verklaard. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van contante stortingen en bijschrijvingen op haar bankrekening. Deze stortingen en bijschrijvingen dienen als inkomen in aanmerking te worden genomen bij de bijstand. Als gevolg hiervan heeft appellante teveel bijstand ontvangen. Er zijn geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit tot herziening en terugvordering van bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Bijschrijvingen en stortingen
4.1.
Bedragen die contant zijn gestort en bedragen die zijn overgemaakt door derden naar een bankrekening van een bijstandontvanger worden in beginsel beschouwd als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben is het inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW als zij door de betrokkene kunnen worden gebruikt voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan. Dit is vaste rechtspraak. [1]
4.2.
Appellante heeft aangevoerd dat zij niet over de gestorte en bijgeschreven bedragen kon beschikken, omdat die bedragen bestemd waren voor haar pleegkinderen respectievelijk voor derden. Die grond slaagt niet. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de PW worden tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Nu de bedragen op de rekening van appellante zijn bijgeschreven, wordt zij geacht vrijelijk over deze bedragen te kunnen beschikken. De enkele stelling dat de bedragen niet voor appellante bestemd waren en zij slechts houder is, is onvoldoende om aannemelijk te achten dat appellante niet over die bedragen kon beschikken. Appellante heeft haar stelling niet met concrete en verifieerbare gegevens onderbouwd, zodat nog altijd onduidelijk is wat de herkomst van de gestorte en bijgeschreven bedragen is.
Schending inlichtingenverplichting
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat appellante bij het college melding had moeten maken van de stortingen en bijschrijvingen op haar rekening. Appellante heeft dit niet gedaan en heeft daarmee de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Het gaat hier om gegevens waarvan het appellante redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Of appellante ook echt wist dat zij de stortingen en bijschrijvingen moest melden en of haar kan worden verweten dat zij daarvan geen melding heeft gemaakt, is voor de schending van de inlichtingenverplichting niet van belang. De inlichtingenverplichting is namelijk objectief geformuleerd. Dit betekent dat verwijtbaarheid geen rol speelt. Dat het college – zoals appellante stelt – niet expliciet informatie over giften heeft verstrekt, betekent niet dat het college niet heeft voldaan aan zijn zorgplicht. De inlichtingenverplichting is een open norm. Dat brengt mee dat van het college niet kan worden verwacht dat het op voorhand alle concrete situaties benoemt waarmee een bijstandsgerechtigde te maken kan krijgen en die moet melden. Overigens heeft appellante, gelet op 4.2, niet aannemelijk gemaakt wat de herkomst van de stortingen en bijschrijvingen is en dus ook niet dat de stortingen en bijschrijvingen giften zijn.
Dringende redenen om van terugvordering af te zien
4.4.
Appellante heeft verder aangevoerd dat er dringende redenen zijn op grond waarvan het college geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien. Daartoe heeft zij gesteld dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de maatschappelijke rol die zij vervult als pleegouder. Appellante ontvangt van het college geen aanvulling op de bijstand in verband met de pleegkinderen. Door de terugvordering komt appellante onder het sociaal minimum waarmee zij zichzelf en haar pleegkinderen moet onderhouden. Appellante zal daarom niet langer haar rol als pleegouder kunnen blijven vervullen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.
4.5.
Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de PW. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de PW.
4.6.
Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 [2] tot uitdrukking heeft gebracht, moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan. Uit de uitspraken van 10 december 2024 volgt dat het aan appellante is om feiten en omstandigheden aan te voeren die maken dat – volgens haar – sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien. Het is vervolgens aan de bijstandverlenende instantie om, zo nodig, daarnaar nader onderzoek te doen.
4.7.
Het college heeft wat appellante heeft aangevoerd bij afweging van de betrokken belangen niet als dringende redenen hoeven aan te merken om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. In dat verband is allereerst van betekenis dat de terugvordering niet is ontstaan door toedoen van het college maar door de schending van de inlichtingenverplichting door appellante. De enkele stelling dat appellante door de terugvordering en invordering niet meer voor haar pleegkinderen kan zorgen, kan niet leiden tot het oordeel dat het college geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien. Dat is alleen al het geval omdat appellante ook deze stelling in het geheel niet heeft onderbouwd. De Raad wijst er daarbij op dat niet in geschil is dat appellante, naast de maandelijkse vergoeding die zij van de Stichting [naam stichting] voor haar pleegkinderen ontvangt, ook de overige kosten die verband houden met de zorg van haar pleegkinderen kan declareren bij de desbetreffende instantie. Ook heeft appellante niet inzichtelijk gemaakt wat voor haar de gevolgen van de terugvordering zijn. Zij stelt dat zij bij invordering onder het sociaal minimum komt, maar in dit verband is van belang dat appellante bij de invordering als schuldenaar de bescherming geniet van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Appellante heeft gelet op het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat de nadelige gevolgen van het terugvorderingsbesluit voor haar onevenredig zijn in verhouding tot het met de terugvordering te dienen doel, namelijk dat het college terugkrijgt wat appellante ten onrechte aan bijstand heeft ontvangen.

Conclusie en gevolgen

4.8.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de herziening en terugvordering in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van A.H. HagendoornHuls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2025.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de Participatiewet
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Artikel 58, achtste lid, van de Participatiewet
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.