Uitspraak
SAMENVATTING
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als tentenbouwer, stelde dat het WIA-dagloon onjuist was vastgesteld omdat in de referteperiode vanwege de coronapandemie geen overuren konden worden gemaakt, terwijl hij die normaal wel maakte. Het UWV had het dagloon vastgesteld op €180,29 op basis van het loon in de referteperiode van 1 mei 2020 tot 30 april 2021.
De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit van het UWV, omdat de wettelijke dagloonregels geen ruimte bieden om af te wijken van de referteperiode gekoppeld aan de eerste ziektedag. De Raad voor de Rechtspraak bevestigt dit oordeel in hoger beroep.
De Raad overweegt dat het dagloon gebaseerd moet zijn op het daadwerkelijk genoten loon in de referteperiode en dat het niet mogelijk is om rekening te houden met inkomsten buiten deze periode. De coronamaatregelen die het maken van overuren onmogelijk maakten, leiden niet tot een onevenredige of onredelijke uitkomst. Ook is het van belang dat overuren alleen werden betaald indien daadwerkelijk gemaakt, waardoor appellant hierop geen aanspraak kon maken.
Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV blijft in stand. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 23 oktober 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het WIA-dagloon van €180,29 blijft ongewijzigd.