ECLI:NL:CRVB:2025:1635
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong- en WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en arbeidsvermogen
Appellant heeft zowel een WIA-uitkering als een Wajong-uitkering aangevraagd, waarbij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) deze aanvragen heeft geweigerd. De WIA-uitkering werd geweigerd omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht, terwijl de Wajong-uitkering werd geweigerd vanwege het ontbreken van jonggehandicaptheid, aangezien appellant op zijn achttiende verjaardag en de vijf jaar daarna over arbeidsvermogen beschikte.
De rechtbank stelde in eerdere uitspraken dat er onvoldoende duidelijkheid was over de mate van beperkingen, met name omtrent de angst- en stressklachten en een zwelling aan de rechterhand. Het Uwv heeft daarop aanvullende rapportages overlegd waarin werd geconcludeerd dat deze klachten niet tot extra beperkingen leidden die recht zouden geven op een uitkering. De rechtbank heeft deze rapportages als voldoende gemotiveerd beoordeeld en de bezwaren ongegrond verklaard.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het Uwv onvoldoende had gemotiveerd hoe de angst- en stressklachten en de handzwelling waren betrokken bij de beoordeling, en dat er sprake was van een motiveringsgebrek. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat de rechtbank deze punten afdoende heeft besproken en dat het Uwv zorgvuldig en navolgbaar heeft gemotiveerd waarom appellant niet aan de voorwaarden voor een uitkering voldoet.
De Raad bevestigt dat appellant op zijn achttiende verjaardag arbeidsvermogen had en dat de geselecteerde functies medisch passend zijn. De weigering van zowel de Wajong- als de WIA-uitkering blijft daarmee in stand. Appellant krijgt geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong- en WIA-uitkering.