ECLI:NL:CRVB:2025:1646
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvullend verzoek schadevergoeding wegens niet opleggen loonsanctie door UWV
Appellant, voormalig werknemer, vorderde een aanvullende schadevergoeding van het UWV wegens het niet opleggen van een loonsanctie aan zijn ex-werkgever. Het UWV had reeds een beperkte schadevergoeding toegekend voor het mislopen van loon en pensioenpremies.
De rechtbank Rotterdam had het verzoek van appellant grotendeels afgewezen omdat de overige schadeposten, zoals schade door gedwongen verkoop woning, onterecht opgelegde proceskosten en gemiste re-integratieactiviteiten, niet causaal verband hielden met het onrechtmatige besluit van het UWV. Ook de psychische schade werd niet aannemelijk geacht.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. De Raad benadrukt dat alleen schade die rechtstreeks en onmiddellijk voortvloeit uit het onrechtmatige besluit van 17 april 2018 voor vergoeding in aanmerking komt. Schade uit andere onrechtmatige handelingen ter voorbereiding van dat besluit wordt niet erkend vanwege het ontbreken van samenhang en rechtsmiddelen tegen eerdere besluiten. Het aanvullende verzoek om vergoeding van kosten voor deskundigenoordeel is door het UWV erkend en niet meer in geschil.
De Raad verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de eerdere uitspraak, waardoor appellant geen verdere schadevergoeding ontvangt en ook geen proceskosten vergoed krijgt.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om aanvullende schadevergoeding wordt afgewezen.