Appellant ontving bijstand sinds 1992 en was bestuurder van een stichting die onroerende zaken en kasmiddelen beheerde. Het college trok de bijstand in en vorderde terugbetaling omdat appellant feitelijk over het vermogen van de stichting kon beschikken, wat hij betwistte. De rechtbank bevestigde dit besluit en wees het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het vermogen en de inkomsten van de stichting als vermogen van appellant moeten worden aangemerkt, omdat hij als bestuurder volledig en zelfstandig over alle middelen kon beschikken. De stichting werd gezien als een schijnconstructie om beschikking over vermogen te verbergen. Het argument dat het vermogen door drie bestuurders gedeeld moest worden, faalt omdat elk van hen zelfstandig kon beschikken over het geheel.
Wel oordeelt de Raad dat de bestuursprocedure de redelijke termijn ruim heeft overschreden. Vanaf ontvangst van het bezwaar in maart 2013 tot de uitspraak in november 2025 verstreken ruim twaalf jaar, terwijl maximaal vier jaar redelijk is. Er was geen bewijs dat partijen hadden afgesproken de strafrechtelijke procedure af te wachten. Daarom wordt een schadevergoeding van €9.000 toegekend aan appellant, en worden proceskosten en griffierecht vergoed.