Appellant, werkzaam als rijnvarende, vroeg een tegemoetkoming aan op grond van de Regeling tijdelijke tegemoetkoming rijnvarenden voor de periode van 1 januari 2007 tot 31 juli 2011. De minister kende de tegemoetkoming toe voor de periode vanaf 1 mei 2010, maar weigerde dit voor de periode daarvoor, omdat die buiten het toepassingsbereik van de Regeling valt. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond en bevestigde het besluit van de minister.
Appellant stelde in hoger beroep dat de Regeling onrechtmatig is en dat de minister in zijn voordeel had moeten afwijken, onder meer vanwege toezeggingen aan de Tweede Kamer en de onduidelijkheid over het Rijnvarendenverdrag. De Raad oordeelde dat de Regeling een algemeen verbindend voorschrift is en dat de keuze voor het toepassingsbereik van 1 mei 2010 tot 31 december 2015 redelijk is gemotiveerd.
De Raad verwierp het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, omdat er geen concrete toezeggingen waren die een ruimere toepassing rechtvaardigen en appellant geen vergelijkbare gevallen aantoonde. Het herzienings- en terugvorderingsbesluit van 25 september 2024 is door de minister ingetrokken, waardoor appellant de teruggevorderde tegemoetkoming niet hoeft te betalen. De Raad veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten voor appellant.