ECLI:NL:CRVB:2025:1906

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
20/4405 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming door Uwv

In deze zaak heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het Uwv. Het onderzoek ter zitting vond plaats op 18 januari 2023, waarbij appellante werd bijgestaan door een gemachtigde en het Uwv werd vertegenwoordigd door T. van der Weert. Na de zitting is het onderzoek heropend en is prof. dr. J.W.M. van der Meer benoemd als onafhankelijk deskundige. De deskundige heeft op 10 juni 2024 gerapporteerd en aanvullend gerapporteerd op 8 januari 2025. De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. Op 28 mei 2025 is de zaak behandeld, waarbij appellante via videobellen aanwezig was. De Raad heeft op 17 juli 2025 een tussenuitspraak gedaan en het Uwv opgedragen een gebrek in het besluit te herstellen. Het Uwv heeft op 9 september 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarna appellante het hoger beroep heeft ingetrokken en verzocht om proceskostenvergoeding. De Raad heeft geoordeeld dat het Uwv in de proceskosten moet worden veroordeeld, omdat het bestuursorgaan volledig tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellante. De Raad heeft de kosten van rechtsbijstand en deskundigen vastgesteld en schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn. De totale schadevergoeding bedraagt € 3.500,-, waarvan € 875,- voor het Uwv en € 2.625,- voor de Staat. De Raad heeft ook de proceskosten van appellante begroot en het Uwv veroordeeld tot betaling van € 10.367,- aan proceskosten.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 14 december 2020, 19/1385 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 17 december 2025

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, in een enkelvoudige kamer, plaatsgevonden op 18 januari 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door [gemachtigde]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert.
Na de zitting is het onderzoek heropend. De Raad heeft prof. dr. J.W.M. van der Meer benoemd als onafhankelijk deskundige voor het instellen van een onderzoek. Op 10 juni 2024 heeft deze deskundige rapport uitgebracht en vervolgens hebben partijen hun zienswijze op het rapport gegeven. De deskundige heeft op 8 januari 2025 aanvullend gerapporteerd.
De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.
Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding van dit verzoek van appellante heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
Op 28 mei 2025 is de zaak behandeld op een nadere zitting
.De Raad heeft deze zaak gevoegd behandeld met de zaken 19/2748 WIA, 22/3540 WIA en 22/3571 WIA. Appellante heeft via videobellen aan de zitting deelgenomen. Ter zitting is voor appellante verschenen [gemachtigde], bijgestaan door deskundigen dr. F.C. Visser en dr. C.M.C. van Campen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.K. Affia, mr. M.J.H.H. Fuchs en mr. M.J. van Steenwijk, bijgestaan door medisch adviseur bezwaar en beroep drs. C.E.M. van Geest en stafverzekeringsarts bezwaar en beroep dr. J.P. Hermans.
Op 17 juli 2025 heeft de Raad tussenuitspraak [1] gedaan, waarbij aan het Uwv is opgedragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Het Uwv heeft op 9 september 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Met de nieuwe beslissing op bezwaar heeft het Uwv appellante per 18 juli 2018 in aanmerking gebracht voor een IVA-uitkering. Omdat het Uwv hiermee volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen, heeft appellante het hoger beroep ingetrokken.
Proceskosten
Omdat het Uwv al heeft besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase moet de Raad alleen nog oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten.
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
Kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand
De kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.814,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-).
In hoger beroep worden de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand begroot op € 2.418,67. Dit bedrag wordt als volgt gevonden. 1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 18 januari 2023 en 0,5 punt voor de zienswijze van 2 augustus 2024, met een waarde van € 907,- per punt = in totaal € 2.267,50. Voor wat betreft het verschijnen op de (nadere) zitting van 28 mei 2025 is sprake van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) met de zaken 19/2748 WIA, 22/3540 WIA. Dit betekent dat de vergoeding van 0,5 punt met een waarde van € 907,- = € 453,50 voor een derde aan ieder van deze 3 zaken moet worden toegerekend. De vergoeding voor deze zitting bedraagt dus in deze zaak € 151,17. Gevoegd bij het hiervoor genoemde bedrag van € 2.267,50 komt het totaal van de in hoger beroep voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleend rechtsbijstand begrote kosten op het in de eerste zin van deze alinea genoemde bedrag van € 2.418,67.
De door appellante naar voren gebrachte impact van deze zaak, maakt niet dat sprake is van een van het gemiddelde afwijkende juridische en/of feitelijke complexiteit van de zaak. Voor het hanteren van een hogere wegingsfactor dan 1 (gemiddeld) wordt dan ook geen aanleiding gezien.
Kosten van deskundigen
Het verzoek om vergoeding van de gemaakte kosten voor het inschakelen van de deskundigen komt (gedeeltelijk) voor toewijzing in aanmerking. Het gaat hierbij om de in beroep en hoger beroep opgestelde rapporten van dr. F.C. Visser en dr. C.M.C. van Campen en het bijwonen van deze partij-deskundigen van de zitting.
Gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb en het Besluit tarieven in strafzaken 2003, wordt uitgegaan van uurtarieven van € 129,63 in 2020, € 142,75 in 2023, € 154,50 in 2024 en € 162,63 in 2025. Dit zijn ook de tarieven die zijn genoemd in de door appellante overgelegde factuur met urenspecificatie van Cardiozorg van 1 maart 2025. Ter onderbouwing van de kosten van het uitbrengen van advies aan appellant, heeft appellante verwezen naar voornoemde factuur van Cardiozorg van 1 maart 2025. Voor het beoordelen van verschillende documenten wordt 36 uur in rekening gebracht. Ten aanzien van de werkzaamheden ‘beoordelen documenten’ op 10 april 2020 en 16 juli 2020 heeft het Uwv er terecht op gewezen dat in beroep hiervoor twee maal 3,5 uur is gedeclareerd en dat dit in hoger beroep in de factuur van 1 maart 2025 is verhoogd naar 5 en 5,5 uur. Aangezien namens appellante voor deze bijstelling – ook na de reactie hierop van het Uwv – geen onderbouwing is gegeven, wordt voor het uitbrengen van adviezen door deskundigen uitgegaan van twee maal 3,5 uur zoals in beroep is gedeclareerd. De Raad acht voor de werkzaamheden in totaal een vergoeding voor 32,5 uur redelijk. Uitgaande van de hiervoor genoemde uurtarieven komt dan voor vergoeding van deskundigenrapporten een bedrag van € 4.719,68 in aanmerking.
Op de factuur van Cardiozorg van 1 maart 2025 wordt vier uur (á € 162,63 per uur) in rekening gebracht in verband met de aanwezigheid van Visser en Van Campen bij de zitting van 28 mei 2025. Voor zover het gaat om deze uren is sprake van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb met de drie onder het Procesverloop genoemde zaken, zodat de vergoeding hiervoor (650,52/ 4) = € 162,63 bedraagt.
Gelet hierop bedraagt de totale vergoeding voor het inschakelen van deskundigen € 4.882,31 (exclusief 21% btw). Inclusief btw is de vergoeding € 5.907,58.
Schadevergoeding
Wat betreft het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, wordt het volgende overwogen.
De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [2] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
Als de intrekking van het hoger beroep plaatsvindt na een tegemoetkomend besluit dan eindigt de redelijke termijn op het moment waarop het tegemoetkomend besluit is bekendgemaakt. [3]
Zoals de Raad eerder heeft overwogen [4] wordt in een geval als dit, waarin een tussenuitspraak is gedaan, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel in zijn geheel aan het bestuursorgaan toegerekend. Indien echter in de loop van de procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat. Van een te lange behandelingsduur bij de rechter is geen sprake als de periode tussen het instellen van beroep bij de rechtbank en de tussenuitspraak van de hoger beroepsrechter ten hoogste drie en een half jaar heeft geduurd en de hoger beroepsrechter vervolgens binnen één jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak doet.
In dit geval is het tegemoetkomend besluit op 9 september 2025 bekendgemaakt. Vanaf de datum van ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift op 17 mei 2018 tot aan de bekendmaking van het tegemoetkomend besluit heeft de procedure zeven jaar, drie maanden en ongeveer drie weken geduurd. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met drie jaar, drie maanden en ongeveer drie weken overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 3.500,-.
De periode tussen de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 24 juli 2019 tot de tussenuitspraak van de Raad op 17 juli 2025 heeft vijf jaar, elf maanden en ongeveer drie weken in beslag genomen. Dit betekent dat een deel van de overschrijding van de redelijke termijn voor rekening van de Staat komt, namelijk het gedeelte dat langer heeft geduurd dan drie en een half jaar tussen het instellen van beroep bij de rechtbank tot de tussenuitspraak van de Raad van 17 juli 2025. Dit is een overschrijding van de redelijke termijn bij de bestuursrechter van bijna 30 maanden. Hieruit volgt dat voor rekening van het Uwv een overschrijding van tien maanden komt.
Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van het Uwv onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. [5] Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 875,- (10/40 deel van € 3.500,-). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 2.625,- (30/40 deel van € 3.500,-).
Er bestaat tevens aanleiding om de Staat en het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 453,50 (0,5 punt met een waarde per punt van € 907,-) voor het indienen van het verzoek, door de Staat en het Uwv elk voor de helft te betalen, dus ieder € 226,75.
Het totale bedrag aan voor vergoeding in aanmerking komende door het Uwv te betalen proceskosten bedraagt hiermee € 10.367,-.
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 875,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 2.625,-;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 10.367,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 226,75;
  • bepaalt dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht van in totaal € 178,-vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter, T. Dompeling en W.R. van der Velde als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) C.M. Snellenberg

Voetnoten

1.CRvB 17 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:991.
2.Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
3.Zie de uitspraak van de Raad van 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91.
4.CRvB 7 maart 2014, ECLI:CRVB:2014:809 en ECLI:NL:CRVB:2014:2978, gerectificeerde uitspraak.
5.HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.