Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, met een verstandelijke beperking, ontving een pgb voor zorg in de jaren 2015-2018. Het zorgkantoor stelde vast dat er sprake was van pgb-fraude door een zorgleverancier, waarbij meer zorg werd gedeclareerd dan geleverd. Het zorgkantoor trok het pgb in en stelde het lager vast, waarna het een bedrag van €47.370,- terugvorderde wegens onverschuldigde betalingen.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit, omdat de bescherming van de budgethouder te goeder trouw volgens de rechtbank ook moest gelden bij de terugvordering. Het zorgkantoor ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat de bescherming van de budgethouder te goeder trouw in beginsel plaatsvindt bij de civiele invordering van onverschuldigde betalingen en niet bij de bestuursrechtelijke intrekking en vaststelling van het pgb. De belangenafweging van het zorgkantoor was niet onevenredig en de terugvordering was terecht. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond, waardoor het bestreden besluit in stand bleef.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot intrekking, lagere vaststelling en terugvordering van het pgb blijft in stand.