ECLI:NL:CRVB:2025:366
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden voor familiebedrijf
Appellanten ontvingen sinds 2012 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet. Naar aanleiding van een melding dat de minderjarige dochter een bedrijf had ingeschreven op het uitkeringsadres, voerde de gemeente Amsterdam een onderzoek uit. Dit onderzoek richtte zich op het bedrijf X, gedreven door de zoon van appellanten, en concludeerde dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte voor dit bedrijf.
Het college trok de bijstand met ingang van 1 maart 2018 in en vorderde terugbetaling van € 80.501,31 wegens het niet melden van deze werkzaamheden, wat een schending van de inlichtingenverplichting opleverde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het recht op bijstand niet schattenderwijs kon worden vastgesteld vanwege het ontbreken van concrete gegevens.
Appellanten betwistten de werkzaamheden en stelden dat het recht op bijstand wel schattenderwijs kon worden vastgesteld op basis van jaarcijfers en een overzicht van inkomsten. De Raad concludeerde dat het college voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant werkzaamheden verrichtte en dat de gegevens onvoldoende concreet waren voor schattenderwijs vaststellen. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking en terugvordering bleven in stand.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstand worden bevestigd omdat appellant werkzaamheden verrichtte zonder dit te melden.