ECLI:NL:CRVB:2025:623
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering IOW-uitkering wegens niet gemeld prepensioen
Appellant ontving een IOW-uitkering die door het UWV werd herzien en teruggevorderd over de periode 1 mei 2021 tot en met 31 juli 2021, omdat appellant niet had gemeld dat hij inkomsten uit prepensioen ontving. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en handhaafde de terugvordering, waarbij geen dringende reden werd aangenomen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Appellant voerde aan dat hij een vergissing had gemaakt en dat het UWV tekort was geschoten in de informatievoorziening over de inlichtingenplicht. Tevens stelde hij dat de terugvordering disproportioneel was en dat hij onder druk was gezet om een betalingsregeling te accepteren. Het UWV beperkte later de terugvordering tot € 1.917,-, het bedrag dat appellant tot augustus 2022 had betaald.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht de uitkering had herzien vanwege het niet melden van het prepensioen. De Raad vond dat het UWV een evenwichtige belangenafweging had gemaakt bij de terugvordering en dat er geen dringende reden was om verder af te zien van terugvordering. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het oorspronkelijke besluit gegrond, maar wees het beroep tegen de beperkte terugvordering af.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellant en bepaalde dat het UWV het betaalde griffierecht moest vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de herziening van de IOW-uitkering wordt gegrond verklaard en het oorspronkelijke besluit vernietigd, terwijl het beroep tegen de beperkte terugvordering van € 1.917,- wordt afgewezen.