Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Uitspraak van de rechtbank
Centrale Raad van Beroep
Appellante vroeg bijzondere bijstand aan voor uitvaartkosten van haar vader, maar diende de aanvraag pas in op 10 augustus 2022 terwijl de kosten al op 23 mei 2022 waren ontstaan door het ondertekenen van de begroting en het aangaan van een juridische verplichting.
Het college wees de aanvraag af omdat deze buiten de in de beleidsregels gestelde termijn van twee maanden na het ontstaan van de kosten was ingediend. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het besluit in stand.
In hoger beroep stelde appellante dat de kosten pas op de factuurdatum van 17 juni 2022 waren ontstaan, omdat de bewindvoerder de factuur moest goedkeuren. De Raad verwierp dit standpunt en oordeelde dat de kosten al bij de ondertekening van de begroting waren ontstaan.
Een nieuw aangevoerd beroep op het evenredigheidsbeginsel bleef buiten beschouwing wegens schending van de goede procesorde. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Appellante krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet terugbetaald.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand wegens te late indiening wordt bevestigd.