Uitspraak
.Zij zijn op de zitting vertegenwoordigd door [G.]. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mrs. Franssen en De Graaff.
Centrale Raad van Beroep
Appellanten, voormalige medewerkers van Defensie die tussen 1984 en 2006 op NAVO-materieellocaties (POMS) werkten, verzochten om vergoeding van immateriële schade wegens blootstelling aan chroom-6. De staatssecretaris van Defensie wees deze verzoeken af, omdat geen oorzakelijk verband met een aandoening was vastgesteld en de geestelijke schade niet was onderbouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat ondanks erkenning van een schending van de zorgplicht, appellanten onvoldoende concreet hadden gemaakt welke schade zij hadden geleden. De Raad toetste dit oordeel en bevestigde dat zonder concrete onderbouwing van de gestelde angstklachten en onbehagen geen vergoeding kan worden toegekend.
De Raad benadrukte dat alleen in uitzonderlijke gevallen, waarbij de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan zodanig voor de hand liggen, een vergoeding zonder nadere concretisering mogelijk is. Dit geval voldoet niet aan die criteria. De besluiten van de staatssecretaris blijven daarmee in stand en appellanten krijgen geen vergoeding of proceskosten toegekend.
Uitkomst: De schadevergoedingsverzoeken wegens blootstelling aan chroom-6 worden afgewezen wegens onvoldoende concretisering van immateriële schade.