ECLI:NL:CRVB:2025:960
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering WIA-uitkering wegens niet gemelde pgb-inkomsten
Appellante ontving vanaf november 2014 een WIA-uitkering. Het UWV ontdekte dat zij naast deze uitkering inkomsten had uit een persoonsgebonden budget (pgb) voor de zorg van haar zoon, welke niet was gemeld. Hierdoor werd de WIA-uitkering over 2016 tot en met 2019 te hoog vastgesteld en is het teveel betaalde bedrag teruggevorderd.
Appellante voerde aan dat het UWV geen herzieningsbesluiten had genomen en dat zij de inlichtingenverplichting niet had geschonden. Ook stelde zij dat een deel van de pgb-inkomsten aan haar (ex-)partner toekwam en dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. De rechtbank en de Raad oordeelden echter dat uit de besluiten voldoende blijkt dat het recht op uitkering is herzien en dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden.
De Raad stelde vast dat het UWV terecht is uitgegaan van de fiscale aangiftes waarin de pgb-inkomsten volledig aan appellante zijn toegerekend, en dat er geen bijzondere omstandigheden waren om hiervan af te wijken. Ook oordeelde de Raad dat het UWV alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen bij de beoordeling van dringende redenen en dat appellante geen onaanvaardbare financiële of sociale gevolgen aannemelijk heeft gemaakt.
Het hoger beroep werd verworpen, de herziening en terugvordering van de WIA-uitkering blijven in stand en appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van de WIA-uitkering wegens niet gemelde pgb-inkomsten.