Appellant ontving vanaf 2013 AOW-pensioen volgens de norm voor ongehuwden. Na melding van zijn huwelijk in 2019 herzag de Sociale Verzekeringsbank (Svb) het pensioen met terugwerkende kracht vanaf mei 2019 naar de gehuwdennorm, met terugvordering van te veel ontvangen bedragen. Appellant maakte bezwaar tegen deze herziening en stelde dat hij duurzaam gescheiden leefde, waardoor hij recht had op het ongehuwdenpensioen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit, waarbij zij oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt duurzaam gescheiden te leven en dat de terugvordering en boete nog niet aan de orde waren. De Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak omdat het besluit over terugvordering en invordering niet deugdelijk is gemotiveerd en appellant hierover niet correct is geïnformeerd.
De Raad bevestigt dat appellant niet duurzaam gescheiden leefde, gelet op zijn financiële bijdragen en pogingen tot herstel van de relatie. Ook oordeelt de Raad dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden door het huwelijk niet tijdig te melden. De nieuwe beleidsregels van de Svb en jurisprudentie over dringende redenen leiden tot de conclusie dat de herziening terecht is, zonder aanleiding tot matiging. De Raad veroordeelt de Svb tot vergoeding van de proceskosten van appellant.