ECLI:NL:CRVB:2026:122

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
23/2013 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17a AOWArt. 49 AOW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening AOW-pensioen wegens huwelijk en duurzaam gescheiden leven

Appellant ontving vanaf 2013 AOW-pensioen volgens de norm voor ongehuwden. Na melding van zijn huwelijk in 2019 herzag de Sociale Verzekeringsbank (Svb) het pensioen met terugwerkende kracht vanaf mei 2019 naar de gehuwdennorm, met terugvordering van te veel ontvangen bedragen. Appellant maakte bezwaar tegen deze herziening en stelde dat hij duurzaam gescheiden leefde, waardoor hij recht had op het ongehuwdenpensioen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit, waarbij zij oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt duurzaam gescheiden te leven en dat de terugvordering en boete nog niet aan de orde waren. De Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak omdat het besluit over terugvordering en invordering niet deugdelijk is gemotiveerd en appellant hierover niet correct is geïnformeerd.

De Raad bevestigt dat appellant niet duurzaam gescheiden leefde, gelet op zijn financiële bijdragen en pogingen tot herstel van de relatie. Ook oordeelt de Raad dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden door het huwelijk niet tijdig te melden. De nieuwe beleidsregels van de Svb en jurisprudentie over dringende redenen leiden tot de conclusie dat de herziening terecht is, zonder aanleiding tot matiging. De Raad veroordeelt de Svb tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot herziening van het AOW-pensioen wordt vernietigd wegens ondeugdelijke motivering over terugvordering en invordering, maar de herziening zelf blijft in stand.

Uitspraak

23/2013 AOW
Datum uitspraak: 22 januari 2026
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 mei 2023, 22/4723 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] , Suriname (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

SAMENVATTING

In deze zaak gaat het om de vraag of de Svb terecht met terugwerkende kracht het AOWpensioen van appellant heeft herzien, omdat appellant achteraf gezien geen recht had op een pensioen voor een ongehuwde. De Raad is van oordeel dat het AOW-pensioen terecht is herzien en er geen dringende redenen zijn om van de herziening af te zien. Ook gaat het over de vraag of de Svb ook een besluit over de terugvordering en/of invordering heeft genomen. De Raad oordeelt dat het besluit op dit punt niet deugdelijk is gemotiveerd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. V.Y. Jokhan, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. De Svb heeft een vraag van de Raad beantwoord.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 oktober 2025. Voor appellant is mr. Jokhan verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.G. Starreveld.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellant heeft vanaf 2013 een pensioen op grond van de AOW [1] ontvangen naar de norm voor een ongehuwde. Op 2 maart 2022 heeft de Svb een automatische melding ontvangen van een wijziging in de Basisregistratie personen dat appellant op [datum] 2019 is getrouwd. De Svb heeft telefonisch contact met appellant opgenomen, waarna appellant op 4 maart 2022 heeft gemeld dat hij vanaf 22 januari 2022 met zijn echtgenote samenwoont.
1.2.
Met een besluit van 4 april 2022 heeft de Svb het AOW-pensioen van appellant vanaf mei 2019 herzien naar de norm voor een gehuwde. De Svb heeft daarbij vastgesteld dat appellant in de periode mei 2019 tot en met maart 2022 een bedrag van € 8.703,46 te veel heeft ontvangen en aangekondigd dat de Svb dat bedrag mogelijk van appellant zal terugvorderen en aan appellant mogelijk een boete van € 4.351,73 zal opleggen. Over de terugvordering en de boete heeft de Svb op dat moment nog geen besluit genomen, omdat appellant nog gelegenheid krijgt om op de aankondiging ervan te reageren.
1.3.
Appellant heeft tegen het besluit van 4 april 2022 bezwaar gemaakt maar de Svb is met een besluit van 12 september 2022 (bestreden besluit) gebleven bij de herziening van het AOW-pensioen vanaf mei 2019. De reden daarvoor is dat appellant op [datum] 2019 is gehuwd. Anders dan appellant heeft aangevoerd, is er volgens de Svb geen sprake van duurzaam gescheiden leven. Het enkele feit dat appellant en zijn partner gescheiden woonden is daarvoor niet voldoende. Er is sprake van financiële verstrengeling tussen appellant en zijn partner en appellant heeft diverse pogingen ondernomen om de vertrouwensband met zijn partner te herstellen. Uiteindelijk zijn appellant en zijn partner ook gaan samenwonen. Er is geen sprake van een gewilde en bestendige situatie waarbij de feitelijke toestand uitwijst dat appellant en zijn partner een afzonderlijk leven leidden alsof er geen huwelijk was. Appellant heeft daarom volgens de Svb vanaf mei 2019 recht op een AOW-pensioen naar de norm voor een gehuwde en niet meer naar de hogere norm voor een ongehuwde. Tegen het besluit van 12 september 2022 heeft appellant beroep ingesteld.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de terugvordering en de hoogte van de boete geen onderdeel uitmaken van het geschil nu verweerder nog niet heeft beslist op eisers bezwaar tegen het terugvorderings- en boetebesluit. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat appellant alleen de periode van mei 2019 tot en met 22 januari 2022 ter discussie stelt. Volgens de rechtbank is niet aannemelijk dat appellant in die periode duurzaam gescheiden van zijn partner leefde, omdat hij bijdroeg in de kosten van haar levensonderhoud en appellant geen bewijsstukken heeft overgelegd waaruit blijkt van een duurzaam gescheiden leven. De rechtbank heeft overwogen dat de twee-woningenregel niet van toepassing is, omdat die voor ongehuwden een uitzondering vormt op het voeren van een gezamenlijke huishouding. Ook heeft de rechtbank geconcludeerd dat geen sprake is van dringende redenen die maken dat de Svb (geheel of gedeeltelijk) van de verlaging van het AOW-pensioen zou hebben moeten afzien. De rechtbank overweegt daarbij dat appellant geen bewijsstukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij zijn huwelijk tijdig aan de Svb heeft gemeld. De omstandigheid dat appellant tijdens de coronapandemie niet vanuit Suriname naar Nederland kon komen om het huwelijk in te schrijven, is volgens de rechtbank geen dringende reden.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de herziening van het AOW-pensioen over de periode van mei 2019 tot en met maart 2022 in stand heeft gelaten. De Raad doet dit aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt.
Met het besluit van 4 april 2022 is nog geen beslissing over de terugvordering genomen
4.1.1.
Partijen verschillen van mening over de vraag of op 4 april 2022, naast een besluit over de herziening van het recht op uitkering, ook een besluit is genomen over de terugvordering en terugbetaling van de uitkering. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat bij het bestreden besluit ook een besluit over de terugvordering en -betaling is genomen, waartegen hij in beroep is opgekomen en waarover de rechtbank ten onrechte geen beslissing heeft genomen in de aangevallen uitspraak. Appellant heeft erop gewezen dat in het besluit van 4 april 2022 is vermeld dat appellant verplicht is het te veel betaalde bedrag van € 8.703,46 binnen zes weken te betalen. In het bijzonder heeft appellant gesteld dat tegen het bedrag moet kunnen worden opgekomen. De Svb heeft het standpunt ingenomen dat het niet de bedoeling van de Svb is geweest om met het besluit van 4 april 2022 en het bestreden besluit al een beslissing over de terug- en invordering te nemen.
4.1.2.
In het besluit van 4 april 2022 is vermeld dat de AOW is aangepast vanaf mei 2019. Tegen deze aanpassing kan bezwaar worden gemaakt, aldus het besluit. De Raad begrijpt dat hiermee een herzieningsbesluit op grond van artikel 17a van de AOW is genomen.
Verder is in het besluit onder meer vermeld:
“U heeft € 8.703,46 te veel ontvangen van mei 2019 tot en met maart 2022. U ontving in deze periode namelijk meer dan u had moeten krijgen. Wij zijn van plan dit van u terug te vragen. Maar eerst mag u hier nog op reageren. U kunt dit doen vóór 16 mei 2022 (…). U kunt nu nog geen bezwaar maken tegen het bedrag dat u terug moet betalen. Binnen enkele weken na uw reactie ontvangt u de beslissing over het bedrag dat u moet betalen. Daartegen kunt u wel bezwaar maken (…). U zou € 8.703,46 te veel ontvangen AOW en een boete van € 4.351,73 aan ons moeten betalen. Te veel ontvangen bedragen en boetes moeten volgens de wet binnen 6 weken aan ons worden betaald. Misschien is dit een probleem voor u. Daarom kunt u kiezen:
• U maakt het bedrag in één keer binnen 6 weken aan ons over
• U maakt het bedrag in delen aan ons over
• Wij halen het bedrag in delen af van uw maandbedrag
• Wij halen het bedrag in delen af van uw maandbedrag en u maakt een bedrag aan ons over. Ons voorstel: u betaalt het bedrag voor 16 mei 2022 aan ons. Maak het bedrag over op rekeningnummer (…). Vermeld daarbij uw SVB-nummer (…). Graag horen wij vóór 16 mei 2022 van u of u akkoord bent met ons voorstel. Wilt u ons hiervoor bellen? (…) Als wij vóór 16 mei 2022 geen reactie van u krijgen, gaan we ervan uit dat u akkoord bent met ons voorstel. U kunt nu nog geen bezwaar maken tegen de manier waarop u het bedrag betaalt. U ontvangt nog een beslissing hierover. Daartegen kunt u wel bezwaar maken.”
4.1.3.
De Raad is het eens met de Svb dat in het besluit van 4 april 2022 en het bestreden besluit geen besluit is genomen over de terugvordering. Weliswaar vermeldt het besluit van 4 april 2022 dat appellant € 8.703,46 te veel AOW-pensioen heeft ontvangen en is dit bedrag gespecificeerd in de bijlage van dit besluit, maar uit de bewoordingen van het besluit van 4 april 2022 blijkt voldoende duidelijk dat daarmee nog geen besluit over de terugvordering is genomen. Dat geldt ook voor het bestreden besluit waarin is vermeld dat appellant over het bedrag dat hij moet terugbetalen nog een beslissing ontvangt.
Met het besluit van 4 april 2022 is nog geen beslissing over de invordering genomen
4.2.1.
Appellant heeft gesteld dat hij uit het besluit van 4 april 2022 heeft opgemaakt dat hij door dat besluit al verplicht was om het bedrag van € 8.703,46 te betalen.
4.2.2.
Daarin is onder meer vermeld dat hij het bedrag voor 16 mei 2022 aan de Svb betaalt met de opdracht “maak het bedrag over op rekeningnummer (…). Vermeld daarbij uw SVB-nummer (…)”. De Raad is het eens met de Svb dat in het besluit van 4 april 2022 en het bestreden besluit geen besluit is genomen over de invordering. In het besluit is immers vermeld dat appellant nog geen bezwaar kan maken tegen de manier waarop hij het bedrag betaalt en dat hij nog een beslissing hierover ontvangt waartegen hij wel bezwaar maken. Wel is de Raad van oordeel dat het besluit van 4 april 2022 op het onderdeel van de invordering onduidelijk is en innerlijk tegenstrijdig. De Raad begrijpt dat de Svb de burger wil voorlichten, zoals in het primaire besluit, over de besluiten die nog niet zijn genomen maar mogelijk zullen volgen op een herzieningsbesluit en over de rechtsmiddelen die dan bestaan. Maar de opdracht een bedrag over te maken is zonder voorbehoud geformuleerd. Appellant is uitgenodigd terug te betalen zonder dat er al een titel is voor de betaling. Die is er niet omdat er nog geen terugvorderingsbesluit is genomen. De mededeling dat als voor 16 mei 2022 geen reactie is ontvangen, de Svb er van uitgaat dat appellant akkoord is met het voorstel staat haaks op de mededeling dat er nog geen besluit is. Daarbij komt dat de termijn voor een reactie – 16 mei 2022 – aanknoopt bij de bezwaartermijn waardoor bij appellant verwarring kon ontstaan over de vraag of sprake was van een bezwaarfase of van een daaraan voorafgaande fase. Het besluit van 4 april 2022 is op dit punt niet deugdelijk gemotiveerd.
4.2.3.
In het bestreden besluit is de motivering op dit punt niet aangevuld. De rechtbank heeft dit in de aangevallen uitspraak niet onderkend.
Appellant leefde niet duurzaam gescheiden en had geen recht op een ongehuwdenpensioen
4.3.1.
Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij voor de AOW in de periode mei 2019 tot en met 22 januari 2022 als ongehuwd moet worden beschouwd, omdat hij vanaf de sluiting van het huwelijk duurzaam gescheiden van zijn echtgenote heeft geleefd.
4.3.2.
Op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW, wordt voor de toepassing van de AOW als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
4.3.3.
Voor gevallen waarin geen sprake is van een ongewilde verbreking van de huwelijkse samenleving legt de Raad het begrip duurzaam gescheiden leven als volgt uit. Gehuwde mensen leven pas duurzaam gescheiden als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
a. a) ten minste één van hen wil de huwelijkse samenleving verbreken;
b) ieder van hen leidt afzonderlijk een eigen leven alsof hij of zij niet met de ander is gehuwd;
c) ten minste één van hen bedoelt deze situatie als blijvend. [2]
4.3.4.
Of aan deze voorwaarden wordt voldaan, moet blijken uit de feitelijke omstandigheden. Daarvoor is niet voldoende dat betrokkenen hun hoofdverblijf niet hebben in dezelfde woning. De huwelijkse samenleving kan immers bestaan zonder dat de echtgenoten samenwonen. Voor de beoordeling of mensen duurzaam gescheiden leven is verder niet van belang om welke redenen zij de huwelijkse samenleving niet (of nog niet, niet meer of niet opnieuw) hebben verbroken. [3]
4.3.5.
De Raad oordeelt dat de Svb terecht heeft vastgesteld dat appellant in de periode van mei 2019 tot en met 22 januari 2022 niet duurzaam gescheiden van zijn echtgenote leefde. Appellant heeft in die periode bijgedragen aan de kosten van levensonderhoud van de echtgenote door maandelijks € 500,- aan haar over te maken. Appellant heeft aangevoerd dat hij niet verplicht was deze betalingen te doen. Dat maakt voor de beoordeling echter niet uit, omdat de feitelijke situatie bepalend is en niet de redenen waarom appellant en zijn echtgenote banden hebben onderhouden. In de periode waar het hier om gaat heeft appellant contacten onderhouden met de echtgenote, onder meer vanwege pogingen om hem en zijn echtgenote te herenigen. Volgens appellant waren deze contacten slechts zeer incidenteel. Wat hier ook van zij, ook uit het feit dat appellant en zijn echtgenote volgens zijn eigen verklaring vanaf 22 januari 2022 weer zijn gaan samenwonen, kan worden afgeleid dat die contacten niet louter betrekking hadden op de afwikkeling van een beëindigde relatie. Er is toen ook geen echtscheidingsverzoek gedaan. [4]
Appellant heeft de inlichtingenplicht geschonden
4.4.
De Svb heeft terecht vastgesteld dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden doordat hij zijn huwelijk niet heeft gemeld. Bij de toekenning van het AOW-pensioen in 2013 heeft de Svb appellant erop gewezen dat hij verplicht is wijzigingen te melden die van invloed zijn op het AOW-pensioen, zoals een huwelijk. Appellant heeft betoogd dat hij heeft geprobeerd om de Svb te informeren maar dit na meerdere pogingen heeft opgegeven en dat het niet aan hem maar aan de Svb lag dat de Svb geen melding heeft ontvangen. De Raad volgt appellant niet in dat betoog. Appellant heeft weliswaar gesteld dat hij diverse keren heeft gebeld om het huwelijk te melden maar naar eigen zeggen lukt het doorverbinden niet en werd de verbinding verbroken zonder dat hij zijn huwelijk kon doorgeven. De pogingen die appellant heeft ondernomen hebben er dus niet toe geleid dat de Svb een melding van het huwelijk heeft ontvangen. Partijen zijn het er verder over eens dat appellant ingelogd is geweest in ‘Mijn SVB’. Maar appellant heeft kunnen weten dat het inloggen bij de Svb niet voldoende was om een melding te doen. Ook wat deze poging betreft had appellant kunnen weten dat de Svb geen melding van het huwelijk heeft ontvangen, omdat op de schermprint (die appellant heeft overgelegd) het vakje waarmee de indiener moet bevestigen dat het formulier naar waarheid is ingevuld niet is aangevinkt, en het formulier dus niet is ingezonden. Appellant heeft ook erkend dat hij daarbij waarschijnlijk een fout heeft gemaakt. Ook uit het uitblijven van een reactie van de Svb heeft appellant kunnen afleiden dat zijn melding mogelijk door de Svb niet was ontvangen.
Dringende redenen om van verlaging af te zien zijn niet aannemelijk
4.5.
Partijen zijn het erover oneens of er dringende redenen zijn die maken dat de Svb geheel of gedeeltelijk van de herziening van het AOW-pensioen moet afzien.
Juridisch kader: uitleg begrip dringende redenen in de rechtspraak
4.5.1.
Het AOW-pensioen dat onverschuldigd is betaald moet door de Svb op grond van artikel 17a van de AOW worden herzien. De Svb kan op grond van 17a, tweede lid, van de AOW besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening afzien als daar dringende redenen voor zijn.
4.5.2.
In een tussenuitspraak van 18 april 2024 heeft de Raad zijn uitleg van het begrip “dringende redenen” verruimd. [5] De Raad ziet de dringende redenen (voortaan) als een open norm waarbinnen het bestuursorgaan, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Bij de beoordeling of sprake is van dringende redenen moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Het bestuursorgaan zal zich rekenschap moeten geven van de gevolgen die de herziening en terugvordering voor de betrokkene hebben. Verder heeft de Raad in deze uitspraak overwogen dat de dringende redenen bij de herziening en de terugvordering dezelfde inhoud hebben en dat beleidsregels om in geval van dringende redenen geheel of gedeeltelijk van herziening en terugvordering af te zien, zijn aan te merken als binnenwettelijk beleid.
Nieuwe beleidsregels van de Svb
4.5.3.
Bij de herziening en intrekking van een uitkering ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht hanteert de Svb vanaf 8 maart 2024 nieuwe beleidsregels, die zijn opgenomen in SB1407. De Svb heeft te kennen gegeven dit nieuwe, soepelere beleid toe te passen in alle zaken waarin het besluit nog niet rechtens onaantastbaar is. Volgens de Svb sluit dit beleid goed aan bij de nieuwe uitleg van het begrip dringende reden. Dit geldt in het bijzonder voor de volgende punten van het beleid:
1. Bij een verlaging of intrekking van de uitkering houdt de Svb rekening met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
2. De Svb maakt een onderscheid tussen drie situaties die in de uitvoeringspraktijk veel voorkomen: een schending van de inlichtingenplicht, een onjuist besluit door een fout van de Svb en nabetaling door een andere instantie. Hierdoor houdt de Svb al vaak rekening met de oorzaak van de herziening.
3. Het beleid kent een evenredigheidstoets waarbij de Svb meeweegt in welke mate de Svb of betrokkene een verwijt kan worden gemaakt. Bij deze evenredigheidstoets weegt de Svb omstandigheden mee die in het beleid over de drie situaties nog niet aan bod zijn gekomen, zoals een trage besluitvorming door de Svb.
4.5.4.
In een uitspraak van 21 november 2024 [6] heeft de Raad geoordeeld dat de Svb met de nieuwe beleidsregel SB1407 in zijn algemeenheid een invulling aan de bepalingen over de dringende reden heeft gegeven die strookt met wat in de tussenuitspraak van 18 april 2024 is beoogd. Beleidsregel SB1407 voorziet erin dat tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald de relevante feiten en omstandigheden zodanig worden gewogen dat die afweging een toetsing aan het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel in het algemeen zal kunnen doorstaan. Daarnaast voorziet de beleidsregel in een structurele toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. Bij die beoordeling is de mate waarin de betrokkene en de Svb een verwijt kan worden gemaakt van belang. Verder acht de Raad in het licht van de genoemde tussenuitspraak de vaste gedragslijn van de Svb bij de terugvordering juist. Dit geldt ook voor het in uitzonderingsgevallen al in de terugvorderingsfase rekening houden met ernstige financiële gevolgen van een terugvordering.
Toepassing door de Svb in het geval van appellant
4.5.5.
De Svb is van mening dat de nieuwe gedragslijn geen aanleiding geeft om tot een andere uitkomst te komen. Volgens de Svb heeft appellant de inlichtingenplicht geschonden en kan het teveel betaalde pensioen van appellant onder toepassing van één van de hoofdregels van beleidsregel SB1407 met een terugwerkende kracht tot in beginsel vijf jaar worden herzien. Op grond van de evenredigheidstoets kan de terugwerkende kracht van de herziening verder worden gematigd. De Svb heeft meegewogen dat appellant verwijtbaar heeft gehandeld door zijn huwelijk niet te melden, terwijl de Svb geen verwijt treft.
Het oordeel van de Raad over de dringende redenen
4.5.6.
Appellant heeft gesteld dat hij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden en het ook aan de Svb is te wijten dat het AOW-pensioen te hoog is vastgesteld en het te hoge AOW-pensioen is doorgelopen.
4.5.7.
Deze grond slaagt niet. Hierbij is van belang dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden. De redenen waarom de Raad tot die conclusie is gekomen zijn genoemd in punt 4.4 van deze uitspraak. Dat de herziening met terugwerkende kracht heeft plaatsgevonden is het gevolg van het feit dat appellant heeft verzuimd om tijdig bij de Svb te melden dat hij gehuwd was. De Svb heeft verder voortvarend gehandeld nadat de Svb kennis kreeg van het huwelijk van appellant. De Raad is het niet eens met appellant dat het voor een deel aan de Svb is te wijten dat het AOW-pensioen met terugwerkende kracht is herzien. Appellant heeft gesteld dat hij geprobeerd heeft het huwelijk telefonisch en met een digitaal formulier te melden, wat niet lukte door communicatieproblemen en andere omstandigheden, en dat hij door de corona-situatie ook niet fysiek naar Nederland kon komen. De Raad begrijpt dat appellant moeilijkheden heeft ondervonden met de communicatie maar concludeert dat die omstandigheden voor rekening en risico van appellant komen. Niet aannemelijk is dat het aan de Svb te wijten is geweest dat de Svb van appellant geen melding van het huwelijk heeft ontvangen. Daarbij is van belang dat appellant ook andere manieren had om het huwelijk te melden, bijvoorbeeld met de post. Van verwijtbaarheid aan de kant van de Svb die tot matiging van de herziening moet leiden, is dan ook geen sprake.
4.5.8.
Ook in de overige door appellant aangevoerde omstandigheden, heeft de Svb geen aanleiding hoeven zien om de herziening te matigen. De Svb heeft in de situatie van appellant zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de herziening de relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden voldoende meegewogen. Voor wat betreft de gronden van appellant die zien op zijn financiële situatie en de mogelijke gevolgen van het moeten terugbetalen van een bedrag tot € 8.703,46, geldt dat hier alleen een besluit tot herziening voorligt en geen besluit tot terug- en invordering. De gronden die daarop zien kunnen worden aangevoerd in een procedure gericht tegen het deze besluiten.

Conclusie en gevolgen

5. Uit overweging 4.2.2 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding om te doen wat de rechtbank zou behoren te doen door het beroep tegen het bestreden besluit gegrond te verklaren en dat besluit te vernietigen wegens ondeugdelijke motivering. De Raad ziet aanleiding de gevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.
6. Omdat het hoger beroep slaagt krijgt appellant een vergoeding voor zijn kosten in beroep en hoger beroep. Deze worden begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting) en € 1.868,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting). Appellant krijgt ook het betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 12 september 2022;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • veroordeelt de Svb in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.736,-;
  • bepaalt dat de Svb aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en A. Hoogenboom en J.P. Loof als leden, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2026.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) S. Ploum
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en beleidsregels

Artikel 17a AOW
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van ouderdomspensioen en terzake van weigering van ouderdomspensioen, herziet de Sociale verzekeringsbank een dergelijk besluit of trekt zij dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 15, tweede lid, of 49, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ouderdomspensioen;
b. indien anderszins het ouderdomspensioen ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 15, tweede lid, of 49, ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op ouderdomspensioen bestaat.
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Artikel 49 AOW Pro
De pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, alsmede zijn wettelijke vertegenwoordiger of de instelling waaraan ingevolge artikel 20 ouderdomspensioen Pro wordt uitbetaald, zijn verplicht aan de Sociale verzekeringsbank op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of op het bedrag van de uitkering, dat wordt betaald. De verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door de Sociale verzekeringsbank kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Beleidsregel SB1407
Dringende reden
De SVB herstelt een wijziging die gevolgen heeft voor betalingen die in het verleden zijn gedaan in beginsel met volledig terugwerkende kracht. Dit doet de SVB ook als er geen wijziging is opgetreden, maar bijvoorbeeld door een fout van de SVB de uitkering in het verleden verkeerd is vastgesteld. De SVB ziet geheel of gedeeltelijk af van verlaging of intrekking van de uitkering over het verleden, als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Verlaging of intrekking over perioden in het verleden
Als de SVB een uitkering verlaagt of intrekt over een periode in het verleden, houdt de SVB rekening met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Beleid
De SVB heeft beleid ontwikkeld voor 3 situaties die veel voorkomen:
1. Betrokkene heeft de mededelingsplicht geschonden. De uitkering wordt dan verlaagd of ingetrokken met een terugwerkende kracht van maximaal 5 jaar. Als betrokkene grove schuld heeft aan het niet nakomen van de mededelingsplicht, is de terugwerkende kracht maximaal 10 jaar. In geval van opzet is de terugwerkende kracht maximaal 20 jaar.
2. Door een fout van de SVB is een onjuist besluit genomen. De uitkering wordt dan zonder terugwerkende kracht verlaagd of ingetrokken.
In geval van een ‘kenbaar evidente fout’ wordt de uitkering wel met een terugwerkende kracht verlaagd of ingetrokken. De mate van terugwerkende kracht is een percentage van de periode waarover de SVB te veel uitkering heeft betaald, namelijk:
- 25% en maximaal 5 jaar als betrokkene de fout uit eigen beweging meldt aan de SVB;
- 50% en maximaal 5 jaar als betrokkene heeft verzuimd de fout aan de SVB te melden;
- 75% en maximaal 10 jaar als betrokkene grove schuld heeft aan het niet melden van deze fout;
- 100% en maximaal 20 jaar als betrokkene met opzet de fout niet aan de SVB heeft gemeld.
Of sprake is van een ’kenbaar evidente fout’ beoordeelt de SVB aan de hand van de communicatie tussen de SVB en de individuele betrokkene. Daarnaast is van belang welk besluit betrokkene van de SVB mocht verwachten op grond van de door hem verstrekte informatie. De SVB verwacht wel van betrokkene dat hij de brieven van de SVB zorgvuldig leest, maar niet dat hij de inhoud van de brieven controleert aan de hand van de wet- en regelgeving, de beleidsregels en de website van de SVB.
3. Betrokkene ontvangt met terugwerkende kracht een nabetaling van een andere instantie. In dat geval wordt de uitkering met dezelfde terugwerkende kracht verlaagd of ingetrokken.
Evenredigheidstoets
Ook ziet de SVB geheel of gedeeltelijk af van de voorgenomen verlaging of intrekking als de bijzondere omstandigheden van het geval ertoe leiden dat de mate van terugwerkende kracht onevenredig is. Bij deze beoordeling hecht de SVB belang aan:
- de mate waarin de betrokkene een verwijt kan worden gemaakt; en
- de mate waarin de SVB een verwijt kan worden gemaakt.

Voetnoten

1.Algemene Ouderdomswet.
2.Zie onder meer de uitspraak van de Raad van 23 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3273.
3.Zie de uitspraken van de Raad van 14 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:821 en 16 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1332.
4.Daarmee was sprake van een andere situatie dan in de uitspraak van de Raad van 29 juli 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1777.
5.Uitspraak van de Raad van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.
6.Uitspraak van de Raad van 21 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2140.