ECLI:NL:CRVB:2026:200

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
22/380 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 PWArt. 31 PWArt. 32 PWArt. 36 PWArt. 54 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting deels vernietigd

Appellanten ontvingen bijstand sinds 2016. In 2019 ontdekte het college dat er onregelmatigheden waren met bankafschriften en bijschrijvingen van €6.700,- die niet waren gemeld. Het college schortte de bijstand op en trok deze later in wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting. Tevens werden aanvragen voor individuele inkomenstoeslag afgewezen.

De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, maar appellanten gingen in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het college onvoldoende had aangetoond dat appellanten de inlichtingenverplichting hadden geschonden over de periode van 1 juni 2019 tot 4 mei 2020, waardoor de intrekking en terugvordering over die periode niet standhouden. De intrekking over mei 2019 en per 5 mei 2020 blijft wel in stand.

De afwijzing van de individuele inkomenstoeslagen voor 2021 en 2022 werd bevestigd. Appellanten kregen een schadevergoeding van €2.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het college moet een nieuwe beslissing nemen over de intrekking en terugvordering voor de periode juni 2019 tot mei 2020, met beroep alleen mogelijk bij de Raad.

Uitkomst: Intrekking en terugvordering bijstand over juni 2019 tot mei 2020 vernietigd, afwijzing individuele inkomenstoeslagen bevestigd, schadevergoeding toegekend.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
22/380 PW, 23/195 PW, 23/2291 PW
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 27 december 2021, 21/295 (aangevallen uitspraak 1), 8 december 2022, 22/1155 (aangevallen uitspraak 2) en 3 juli 2023 22/4506 (aangevallen uitspraak 3)
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen (college)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 24 februari 2026

SAMENVATTING

In deze zaken gaat het om een intrekking van bijstand na een eerdere opschorting, een intrekking en terugvordering van bijstand in verband met het niet nakomen van de inlichtingenverplichting en de afwijzing van twee aanvragen om een individuele inkomenstoeslag. Appellanten krijgen gedeeltelijk gelijk, omdat het college over een deel van de intrekkingsperiode niet voldaan heeft aan zijn bewijslast met betrekking tot de schending van de inlichtingenverplichting. Daardoor kan ook de terugvordering niet in stand blijven. Het college moet hierover een nieuwe beslissing op bezwaar nemen. Voor het overige krijgen appellanten geen gelijk. Wel krijgen zij een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.A. Jansen, advocaat, hoger beroepen ingesteld. Het college heeft verweerschriften ingediend.
Appellanten hebben verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. In verband met dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 13 januari 2026. Voor appellanten is mr. Jansen verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Wassens.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellanten ontvangen sinds 16 augustus 2016 bijstand naar de norm voor gehuwden op grond van de Participatiewet (PW).
1.2.
Op 8 juli 2019 heeft de vader van appellant aan het college gemeld dat appellant geld van zijn rekening heeft ontvreemd. Naar aanleiding van die melding heeft het college onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat in mei 2019 in totaal € 6.700,- is overgeschreven van een rekening van de vader van appellant naar een op naam van appellanten staande rekening. Verder is gebleken dat appellanten over meer bankrekeningen beschikten dan die bij het college bekend waren. De bevindingen van dit onderzoek zijn vastgelegd in een rapport van 27 mei 2020.
1.3.
Met een brief van 22 januari 2020 heeft het college appellanten verzocht om afschriften van alle bank-, giro-, effecten-, PayPal beleggings- en spaarrekeningen over de periode van 1 mei 2019 tot en met 31 december 2019. Appellanten hebben niet aan dit verzoek voldaan.
1.4.
Met een brief van 4 februari 2020 heeft het college appellanten opnieuw verzocht om deze afschriften en gevraagd om deze uiterlijk 20 februari 2020 in te leveren. Appellanten hebben gedeeltelijk aan dit verzoek voldaan.
1.5.
Met een brief van 24 februari 2020 heeft het college verzocht om uiterlijk 5 maart 2020 de bankafschriften van de rekening [nummer 1] over de maanden mei, augustus, september, november en december 2019 in te leveren. Appellanten hebben niet aan dit verzoek voldaan.
1.6.
Met een brief van 12 maart 2020 heeft het college appellanten uitgenodigd voor een gesprek op 31 maart 2020 en appellanten verzocht de bankafschriften van de rekeningen [nummer 2] en [nummer 3] over de periode van 1 mei 2019 tot en met 31 december 2019 mee te brengen of vooraf te mailen. Met een brief van 18 maart 2020 heeft het college de datum van het gesprek verplaatst naar 21 april 2020.
1.7.
Met een brief van 16 april 2020 heeft het college, in verband met de coronamaatregelen, het gesprek van 21 april 2020 afgezegd en appellanten verzocht om de bankafschriften van de rekeningen [nummer 2] en [nummer 3] over de periode van 1 mei 2019 tot en met 31 december 2019 uiterlijk 5 mei 2020 in te leveren. Appellanten hebben niet aan dit verzoek voldaan.
1.8.
Met een besluit van 6 mei 2020 heeft het college de bijstand met ingang van 5 mei 2020 opgeschort op grond van artikel 54, eerste lid, van de PW. Het college heeft daarbij appellanten een hersteltermijn gegeven tot 20 mei 2020 om alsnog de bankafschriften van de rekeningen [nummer 2] en [nummer 3] over de periode van 1 mei 2019 tot en met 31 december 2019 in te leveren. Appellanten hebben niet aan dit verzoek voldaan.
1.9.
Met een besluit van 2 juni 2020 (besluit 1) heeft het college met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW de bijstand van appellanten ingetrokken per 5 mei 2020. Aan dit besluit is ook het niet inleveren van bankafschriften van [nummer 1] ten grondslag gelegd. Daarnaast heeft het college de bijstand ingetrokken over de periode van 1 mei 2019 tot en met 4 mei 2020 op de grond dat door het niet nakomen van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand over deze periode niet kan worden vastgesteld. Het college heeft de kosten van bijstand van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van in totaal € 14.655,73.
1.10.
Op 3 juni 2020 hebben appellanten opnieuw bijstand aangevraagd met ingang van 5 mei 2020. Met een besluit van 13 juli 2020 heeft het college deze aanvraag afgewezen op de grond dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, doordat appellanten niet alle gevraagde bankafschriften hebben ingeleverd en niet hebben gemeld dat appellante in mei 2020 inkomsten uit arbeid heeft gehad. Het hoger beroep heeft, zoals ter zitting is vastgesteld, niet langer betrekking op het besluit van 13 juli 2020, zodat dit besluit bij de weergave van bestreden besluit 1 (zie 1.11) achterwege blijft.
1.11.
Het college heeft met een besluit van 10 december 2020 (bestreden besluit 1) de intrekking per 5 mei 2020 alsmede de intrekking vanaf 1 mei 2019 en de terugvordering over de periode van 1 mei 2019 tot en met 4 mei 2020 gehandhaafd. Aan de besluitvorming die ziet op de intrekking per 5 mei 2020 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten het verzuim zoals vermeld in het opschortingsbesluit niet binnen de daarvoor gestelde termijn hebben hersteld. Hoewel het college aan de opschorting van de bijstand alleen het verzuim om bankafschriften van de rekeningen [nummer 2] en [nummer 3] in te leveren ten grondslag heeft gelegd, heeft het college in bestreden besluit 1 ook het niet inleveren van bankafschriften van de rekening [nummer 1] als verzuim aangemerkt. Hiermee is volgens het college het motiveringsgebrek van besluit 1 hersteld.
Aan de besluitvorming die ziet op de intrekking en terugvordering over de periode van 1 mei 2019 tot 5 mei 2020 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten de inlichtingenverplichting niet zijn nagekomen door geen melding te maken van de onder 1.2 vermelde bijschrijvingen van € 6.700,- in mei 2019 en zij niet hebben aangetoond dat ze nadien wel recht op bijstand hebben.
1.12.
Appellanten hebben op 20 april 2021 een individuele inkomenstoeslag voor 2021 aangevraagd. Met een besluit van 11 mei 2021 (besluit 2) heeft het college deze aanvraag afgewezen.
1.13.
Appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen besluit 2, maar met een besluit van 21 december 2021 (bestreden besluit 2) is het college bij de afwijzing gebleven. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellanten niet voldoen aan de voorwaarde dat zij tijdens de referteperiode een inkomen hebben ontvangen dat niet hoger was dan de voor hen geldende bijstandsnorm. Het college heeft ook geen aanleiding gezien om op grond van de hardheidsclausule toch een individuele inkomenstoeslag toe te kennen.
1.14.
Appellanten hebben op 15 juni 2022 een individuele inkomenstoeslag voor 2022 aangevraagd. Met een besluit van 7 juli 2022 (besluit 3) heeft het college deze aanvraag afgewezen.
1.15.
Appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen besluit 3, maar met een besluit van 18 november 2022 (bestreden besluit 3) is het college bij de afwijzing gebleven. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat het inkomen van appellanten tijdens de referteperiode onduidelijk is gebleven. Het college heeft ook nu geen aanleiding gezien om op grond van de hardheidsclausule toch een individuele inkomenstoeslag toe te kennen.
Uitspraken van de rechtbank
2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraken 1, 2 en 3 de beroepen tegen de bestreden besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard en daarmee die besluiten in stand gelaten.
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het met de uitspraken van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 slaagt voor zover dit ziet op de intrekking over de periode van 1 juni 2019 tot en met 4 mei 2020 en de terugvordering. Voor het overige slaagt dit hoger beroep niet. De hoger beroepen tegen aangevallen uitspraken 2 en 3 slagen niet. De wettelijke regels die voor de beoordeling van de hoger beroepen belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Bestreden besluit 1: de intrekking na opschorting per 5 mei 2020
4.1.
Ter zitting heeft het college erkend dat de intrekking per 5 mei 2020 wegens het niet tijdig inleveren van bankafschriften van rekeningnummer [nummer 1] niet mogelijk was, omdat in
het opschortingsbesluit niet om deze bankafschriften is gevraagd. Verder is niet in geschil dat appellanten de gevraagde bankafschriften van rekening [nummer 2] en rekening [nummer 3] niet voor 20 mei 2020 hebben ingeleverd en dat het college om die reden bevoegd was om met besluit 1 de bijstand van appellanten per 5 mei 2020 in te trekken met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW.
4.2.
Appellanten hebben aangevoerd dat de gevraagde bankafschriften van rekening [nummer 2] voor afloop van de bezwaarprocedure wel zijn ingeleverd bij het college. Het college had daarom volgens appellanten met bestreden besluit 1 de intrekking van de bijstand per 5 mei 2020 niet zonder meer kunnen handhaven, maar had bij de beslissing in bezwaar een nadere belangenafweging moeten maken. Deze beroepsgrond slaagt om de hierna volgende reden niet.
4.2.1.
Nu het college in het opschortingsbesluit ook heeft gevraagd om de bankafschriften van rekening [nummer 3] en appellanten deze afschriften niet voor 20 mei 2020 en evenmin tijdens de bezwaarprocedure hebben overgelegd, houdt de intrekking per 5 mei 2020 alleen al hierom stand. Het college was daarom niet gehouden tot een nadere belangafweging in verband met de in bezwaar alsnog overgelegde bankafschriften van rekening [nummer 2] .
Bestreden besluit 1: de intrekking en terugvordering over de periode van 1 mei 2019 tot en met 4 mei 2020
4.3.
Appellanten betwisten in hoger beroep niet langer dat het college de bijstand over de maand mei 2019 mocht intrekken. Zij hebben immers de inlichtingenverplichtingen geschonden door het niet melden van de bijschrijvingen van in totaal € 6.700,- in mei 2019. Dit betekent volgens appellanten echter niet dat het college daarmee aannemelijk heeft gemaakt dat zij ook over de periode van 1 juni 2019 tot en met 4 mei 2020 de inlichtingenverplichting niet zijn nagekomen en dat aan hen daardoor ten onrechte bijstand is verleend. Deze beroepsgrond slaagt.
4.3.1.
Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. De bewijslast, zoals die volgt uit artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de PW, brengt in dit geval met zich dat het college voor intrekking van de bijstand over de periode van 1 juni 2019 tot en met 4 mei 2020 aannemelijk moet maken dat, en in welk opzicht, appellanten in deze periode de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden en vervolgens dat als gevolg van die schending over deze periode ten onrechte bijstand is verleend of het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
4.3.2.
Het college is er in bestreden besluit 1 ten onrechte van uitgegaan dat, nu appellanten de bijschrijvingen van het bedrag van in totaal € 6.700,- in mei 2019 niet hebben gemeld, het vervolgens aan hen is om aan te tonen dat zij nadien recht op bijstand hadden. Daarmee heeft het college immers niet aan de in 4.3.1 weergegeven bewijslast voldaan. Dat de bankafschriften van met name rekening [nummer 2] vragen opriepen bij het college over het recht op bijstand van appellanten in deze periode, betekent niet dat het college daarmee aannemelijk heeft gemaakt dat appellanten hun inlichtingenverplichting hebben geschonden. De in bestreden besluit 1 weergegeven motivering van de intrekking over de periode van 1 juni 2019 tot en met 4 mei 2020 en over de terugvordering kan dan ook niet standhouden. Bestreden besluit 1 is in zoverre in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Bestreden besluit 2: de individuele inkomenstoeslag 2021
4.4.
Appellanten betwisten in hoger beroep niet langer dat zij, zoals ook door de rechtbank is geoordeeld, bij de aanvraag van 20 april 2021 in elk geval vanwege het in mei 2019 verkregen bedrag van € 6.700, - niet voldeden aan de in de Verordening individuele inkomenstoeslag gemeente Heerenveen 2015 (verordening) gestelde voorwaarden voor het recht op een individuele inkomenstoeslag. Appellanten hebben aangevoerd dat het college toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule in verband met de penibele financiële situatie van appellanten. Zij hebben schulden en leven met een gezin met drie kinderen van een bijstandsuitkering die gekort is tot aan de beslagvrije voet. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.4.1.
Op grond van artikel 6 van Pro de verordening kan het college in het geval van onbillijkheden van overwegende aard in afwijking van de bepalingen van de verordening toch een individuele inkomenstoeslag toekennen. De genoemde omstandigheden zijn onvoldoende om deze als onbillijkheden van overwegende aard aan te merken. Appellanten hebben niet concreet gemaakt tot welke problemen hun financiële situatie leidt en zij hebben, zoals zij zelf ook al te kennen hebben gegeven, de beschikking over bijstand met bescherming van de beslagvrije voet.
Bestreden besluit 3: de individuele inkomenstoeslag 2022
4.5.
Appellanten hebben aangevoerd dat zij bij de aanvraag van 15 juni 2022 wel aan de voorwaarden voor het recht een individuele inkomenstoeslag voldoen. Tijdens de referteperiode, die loopt van 15 juni 2019 tot en met 14 juni 2022, is niet gebleken van inkomsten boven de inkomensgrens of van in aanmerking te nemen vermogen. Appellanten hebben subsidiair een beroep op de hardheidsclausule gedaan. Deze beroepsgronden slagen ook niet.
4.5.1.
Het college kan een individuele inkomstenstoeslag verlenen als de aanvrager in de referteperiode van drie jaar een laag inkomen heeft en ook geen in aanmerking te nemen vermogen heeft. Dit volgt uit artikel 36, eerste lid, van de PW en artikel 1 van Pro de verordening. Het is aan de aanvrager om aannemelijk te maken dat hij voldoet aan de voorwaarden voor een individuele inkomstenstoeslag. Dit hebben appellanten niet gedaan.
4.5.2.
Het college heeft met het onder 1.10 vermelde besluit van 13 juli 2020 de aanvraag van appellanten om algemene bijstand met ingang van 5 mei 2020 afgewezen op de grond dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Nu het recht op bijstand niet is vast te stellen, kan, gelet op de referteperiode, ook het recht op een individuele inkomenstoeslag niet worden vastgesteld. [1]
4.6.
Voor het beroep op de hardheidsclausule bestaat geen aanleiding om met betrekking tot de aanvraag van 15 juni 2022 anders te oordelen dan de Raad in 4.4.1 heeft gedaan met betrekking tot de aanvraag van 20 april 2021.
Het verzoek om schadevergoeding
4.7.
Appellanten hebben verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Dit verzoek wordt ingewilligd om de volgende redenen.
4.7.1.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [2] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.
4.7.2.
In de zaak 22/380 PW (aangevallen uitspraak 1) is het bezwaar tegen besluit 1 op 25 juni 2020 door het college ontvangen. Dit betekent dat de redelijke termijn op het moment van deze uitspraak met twintig maanden is overschreden. In beginsel is passend een vergoeding van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden, in dit geval in totaal € 2.000,-. Omdat het college binnen zes maanden op het bezwaar heeft beslist, komt deze overschrijding geheel voor rekening van de Staat.
4.7.3.
In de zaak 23/195 PW (aangevallen uitspraak 2) is het bezwaar tegen besluit 2 op 27 mei 2021 door het college ontvangen. Dit betekent dat de redelijke termijn op het moment van deze uitspraak met negen maanden is overschreden. Maar omdat in dit geval het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000,- bedraagt - de hoogte van de individuele inkomenstoeslag is € 550,- - en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn in deze procedure is overschreden. [3]
4.7.4.
In de zaak 23/2291 PW (aangevallen uitspraak 3) is het bezwaar tegen besluit 3 op 8 augustus 2022 door het college ontvangen. Dat betekent dat de redelijke termijn op het moment van deze uitspraak niet is overschreden.

Conclusie en gevolgen

22/380 PW
4.8.
Gelet op 4.3 tot en met 4.3.2 slaagt het hoger beroep.
4.8.1.
De Raad zal aangevallen uitspraak 1 vernietigen, het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaren en bestreden besluit 1 vernietigen voor zover dit ziet op de intrekking over de periode van 1 juni 2019 tot en met 4 mei 2020 en op de terugvordering. Dit betekent dat de intrekking over de maand mei 2019 en de intrekking per 5 mei 2020 in stand blijven.
4.8.2.
Nu het college ter zitting te kennen heeft gegeven bij een vernietiging van bestreden besluit 1 nader onderzoek te willen doen, zal het college worden opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar tegen besluit 1 voor zover dit betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 1 juni 2019 tot en met 4 mei 2020 en op de terugvordering. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de nieuwe beslissing op bezwaar slechts beroep kan worden ingesteld bij de Raad.
23/195 PW en 23/2291 PW
4.9.
De hoger beroepen slagen niet. De Raad zal aangevallen uitspraak 2 en 3 bevestigen. Dit betekent dat de afwijzingen van de aanvragen om individuele inkomenstoeslag voor 2021 en 2022 in stand blijven.
Verzoek om schadevergoeding
4.10.
Appellanten krijgen een schadevergoeding tot een bedrag van € 2.000,- als gevolg van de schending van de redelijke termijn.
Proceskosten en griffierecht
5. Omdat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 slaagt, krijgen appellanten een vergoeding voor de kosten die zij hebben gemaakt voor de beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De proceskosten worden begroot op € 1.868,- in beroep (2 punten met een waarde van € 934,- per punt) en € 1.868,- in hoger beroep (2 punten met een waarde van € 934,- per punt), in totaal € 3.736,-, te betalen door het college, en € 467,- voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding
(1 punt met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5), te betalen door de Staat. Appellanten krijgen in zaak 22/380 PW ook het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 185,- terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt aangevallen uitspraak 1;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 10 december 2020 gegrond en vernietigt dit besluit voor zover het betrekking heeft op de intrekking over de periode van 1 juni 2019 tot en met 4 mei 2020 en de terugvordering;
  • draagt het college op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 2 juni 2020 voor zover dit besluit betrekking heeft op de intrekking over de periode van 1 juni 2019 tot en met 4 mei 2020 en op de terugvordering en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
  • veroordeelt het college in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 3.736,-;
  • bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 185,- vergoedt;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van schade aan appellanten tot een bedrag van € 2.000,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 467,-;
  • bevestigt aangevallen uitspraak 2;
  • bevestigt aangevallen uitspraak 3.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en C. Karman en D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van L. van Beelen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) L. van Beelen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Participatiewet
Artikel 17, eerste lid, eerste volzin
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
Artikel 31, eerste lid
Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 32, eerste lid
Onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in Pro aanmerking genomen middelen voor zover deze:
a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 43 van Pro de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en
b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.
Artikel 36, eerste lid
Op aanvraag van een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft Pro en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering, kan het college, gelet op de omstandigheden van die persoon, een individuele inkomenstoeslag verlenen.
Artikel 541. Indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten:
a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of
b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.
2. Het college doet mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.
3. Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
4. Als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.
Artikel 58, eerste lid
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Verordening individuele inkomenstoeslag gemeente Heerenveen 2015
Artikel 1
In deze verordening wordt verstaan onder:
a. inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van Pro de Participatiewet, en de algemene bijstand;
(…)
d. peildatum: datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt;
e. referteperiode: periode van drie jaar voorafgaand aan de peildatum.
Artikel 3
Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 100% van de toepasselijke bijstandsnorm.
Artikel 41. Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar:
(…)
c. € 550,- voor gehuwden.
Artikel 6
Het college kan, indien de toepassing van de bepalingen in deze verordening in de individuele situatie tot onbillijkheden van overwegende aard leidt voor zover het de bevoegdheid betreft die voortvloeit uit deze verordening, afwijken van deze verordening.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 7:12, eerste lid
De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. […]
Artikel 8:113, tweede lid
Indien de uitspraak van de hoger beroepsrechter ertoe strekt dat het bestuursorgaan een nieuw besluit neemt, kan de uitspraak tevens inhouden dat beroep tegen dat besluit slechts kan worden ingesteld bij de hoger beroepsrechter.
Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Artikel 6, eerste lid
Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van 25 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:380, onder 5.15.2.
2.Zie de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
3.Zie de uitspraak van 28 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1598.