ECLI:NL:CRVB:2026:238

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
24/1219 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77 Wet WIAArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlaging terugvordering WIA-voorschotten wegens dringende reden na fout UWV

Appellant ontving een voorschot op zijn WIA-uitkering terwijl zijn arbeidsongeschiktheid nog werd beoordeeld. Nadat hij was gaan werken en dit aan het UWV had doorgegeven, bleef het voorschot onterecht doorlopen. Het UWV beëindigde de voorschotten later en weigerde de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De ontvangen voorschotten werden deels verrekend met een toegekende WW-uitkering, maar het resterende bedrag werd teruggevorderd.

Appellant maakte bezwaar tegen de terugvordering en stelde dat het UWV een fout had gemaakt door de voorschotten niet tijdig te stoppen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, maar in hoger beroep stelde het UWV voor het terugvorderingsbedrag wegens dringende redenen met 25% te verlagen. De Raad oordeelde dat deze verlaging passend is gezien de fout van het UWV, de korte periode van te veel betaalde voorschotten en de betalingsregeling.

De Raad verwierp het beroep van appellant om geheel van terugvordering af te zien, ook omdat het besluit van de minister van SZW over niet-terugvordering bij dagloonherstel niet op deze situatie van toepassing is. De Raad vernietigde het bestreden besluit en stelde het terugvorderingsbedrag vast op € 2.544,39 bruto. Appellant krijgt het betaalde griffierecht terug.

Uitkomst: De terugvordering van WIA-voorschotten wordt wegens dringende reden met 25% verlaagd tot € 2.544,39 bruto.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1219 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 april 2024, 23/3486 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 4 maart 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv terecht de betaalde voorschotten op de WIAuitkering van appellant heeft teruggevorderd. Het Uwv heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat aanleiding bestaat om de hoogte van de terugvordering wegens dringende redenen met 25% te verlagen. Appellant is van mening dat geheel van terugvordering moet worden afgezien, omdat het Uwv een fout heeft gemaakt door de voorschotten ongewijzigd te blijven betalen nadat hij had gemeld dat hij werk had. De Raad is van oordeel dat appellant met de door het Uwv voorgestelde verlaging van het terugvorderingsbedrag met 25% niet te kort wordt gedaan en stelt de hoogte van het terug te vorderen bedrag vast op € 2.544,39 bruto.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het Uwv heeft vragen van de Raad beantwoord.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 december 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn vader. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Nadat appellant op 8 maart 2022 een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft het Uwv bij besluit van 16 juni 2022 met ingang van 1 juni 2022 een voorschot op deze uitkering aan hem toegekend. De hoogte van het voorschot bedraagt € 1.724,52 bruto per maand, exclusief vakantiegeld.
1.2.
Appellant is vanaf 20 juni 2022 werkzaamheden gaan verrichten als chauffeur.
1.3.
Bij besluit van 23 september 2022 heeft het Uwv vanaf 1 oktober 2022 de voorschotten op een WIA-uitkering beëindigd in verband de met de hoogte van het inkomen van appellant.
1.4.
Bij besluit van 11 oktober 2022 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 1 juni 2022 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.5.
Bij besluit van 15 december 2022 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 1 juni 2022 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend.
1.6.
Bij besluit van 3 januari 2023 heeft het Uwv het bedrag aan WW-uitkering waar appellant over de periode van 1 juni 2022 tot en met 30 september 2022 recht op had, verrekend met de voorschotten op de WIA-uitkering die hij over deze periode heeft ontvangen. Het bedrag aan WW-uitkering waar appellant recht op had bedraagt € 3.599,02 bruto en het door appellant ontvangen bedrag aan voorschotten op de WIAuitkering bedraagt in totaal € 6.991,54 bruto.
1.7.
Omdat het niet mogelijk was om het volledige bedrag aan WIA-voorschotten te verrekenen met de WW-uitkering, heeft het Uwv met een besluit van 12 januari 2023 het resterende bedrag van € 3.392,52 bruto aan WIA-voorschotten van appellant teruggevorderd.
1.8.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 januari 2023. Bij besluit van 31 mei 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat op grond van artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA een uitkering op grond van deze wet alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald of verstrekt door het Uwv wordt teruggevorderd. Het Uwv kan op grond van het zesde lid van dit artikel besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de op dat moment geldende rechtspraak [1] dat dringende redenen slechts gelegen kunnen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale en/of financiële gevolgen die voor de betrokkene als gevolg van de terugvordering optreden. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de terugvordering van de te veel betaalde WIA-voorschotten voor appellant onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen heeft gehad. In het besluit van 16 juni 2022 is hij erop gewezen dat in geval van inkomsten het te veel ontvangen voorschot moet worden terugbetaald. Uit een brief van 26 oktober 2023 blijkt dat appellant wist dat hij te veel kreeg. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv terecht is overgegaan tot terugvordering van de voorschotten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft er in hoger beroep op gewezen dat hij meerdere keren, te weten op 21 juli 2022, 16 augustus 2022 en 15 september 2022 aan het Uwv heeft doorgegeven dat hij per 20 juni 2022 weer werk had, maar het Uwv desondanks de voorschotten op de WIA-uitkering aan hem bleef betalen. Het Uwv heeft een fout gemaakt en appellant vindt het niet terecht dat hij wordt geconfronteerd met de gevolgen daarvan. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant gewezen op de uitspraak van de Raad van 18 april 2024. [2] Daarnaast heeft appellant naar voren gebracht dat in het nieuws is gekomen dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) heeft besloten dat het Uwv uitkeringen niet meer hoeft terug te vorderen. Hij is van mening dat dit ook gevolgen moet hebben voor zijn zaak.
Het standpunt van het Uwv
4. De Raad heeft vragen aan het Uwv gesteld over de eventuele gevolgen die de uitspraak van 18 april 2024 heeft voor deze zaak en over het afwegingskader dat het Uwv hanteert in het kader van de terugvordering van voorschotten. Het Uwv heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat aanleiding bestaat om de hoogte van de terugvordering wegens dringende redenen met 25% te verlagen naar € 2.544,39 bruto en dat deze matiging niet onevenredig is. Het Uwv heeft dit gewijzigde standpunt niet neergelegd in een nieuwe beslissing op bezwaar.

Het oordeel van de Raad

5.1.
Appellant heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij het niet eens is met het gewijzigde standpunt van het Uwv, omdat hij van mening is dat de terugvordering geheel moet komen te vervallen. De Raad volgt appellant daarin niet. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.2.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
5.3.
Appellant heeft een WIA-uitkering aangevraagd. Om vast te kunnen stellen of hij recht had op deze uitkering moest zijn mate van arbeidsongeschiktheid worden beoordeeld. Omdat deze beoordeling niet voor 1 juni 2022 was afgerond, heeft het Uwv in afwachting van de uitkomst daarvan een voorschot op de WIA-uitkering aan appellant toegekend. Kort na de toekenning van het voorschot is appellant gaan werken. Hij heeft dit aan het Uwv doorgegeven, maar het voorschot is hierop niet aangepast of stopgezet. Pas nadat appellant op 15 september 2022 expliciet heeft gevraagd om zijn uitkering stop te zetten, is het voorschot vanaf 1 oktober 2022 niet meer aan hem uitbetaald. Na beoordeling door het Uwv bleek dat appellant geen recht had op een WIA-uitkering. Dit betekent dat de voorschotten op de WIA-uitkering onverschuldigd zijn betaald. Appellant had wel vanaf 1 juni 2022 recht op een WW-uitkering en een deel van de onverschuldigd betaalde WIA-voorschotten kon worden verrekend met de na te betalen WW-uitkering. Omdat bij de toekenning van de WW-uitkering wel direct rekening is gehouden met de inkomsten die appellant als chauffeur had, was de WW-uitkering lager dan de voorschotten op de WIA-uitkering die hij had ontvangen. Daarom heeft het Uwv het resterende bedrag aan betaalde WIA-voorschotten van appellant teruggevorderd. Zoals de rechtbank heeft overwogen in de aangevallen uitspraak, is het Uwv op grond van artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA hiertoe verplicht. Alleen indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het Uwv besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
5.4.
Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De Raad ziet het begrip dringende reden (voortaan) als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan.
5.5.
Het Uwv heeft toegelicht dat er aanleiding is om de terugvordering wegens dringende redenen met 25% te verlagen, omdat een fout is gemaakt door de inkomsten uit arbeid niet in mindering te brengen op het voorschot op de WIA-uitkering. Volgens het Uwv had naar aanleiding van de meldingen van appellant dat hij werk had contact met hem kunnen worden opgenomen, zodat een schatting kon worden gemaakt van zijn inkomsten en het voorschot daarop kon worden aangepast. Hierdoor had een eventuele terugvordering beperkt kunnen worden. Daar staat tegenover dat het gaat om een relatief korte periode van vier maanden waarin een te hoog voorschot is verstrekt. Bovendien is inherent aan het karakter van een voorschot dat het een voorlopige betaling betreft en dat sprake kan zijn van terugvordering als achteraf blijkt dat geen recht op uitkering bestaat of de uiteindelijke uitkering lager is dan het verstrekte voorschot. Dit is appellant ook meegedeeld in het besluit van 16 juni 2022. Het Uwv is van mening dat appellant op basis van de inhoud van dit besluit en de daarbij gevoegde berekening had kunnen weten dat zijn inkomsten uit arbeid niet in mindering werden gebracht op het voorschot. Ook op de maandelijkse betaalspecificaties had appellant kunnen zien dat hij, naast zijn inkomen uit arbeid van ongeveer € 2.100,- bruto per maand, nog steeds het volledige voorschot van het Uwv ontving. Appellant heeft zelf ook te kennen gegeven dat hij wist dat hij het voorschot ten onrechte ontving. Dat (voorschotten op) uitkeringen waar geen recht op bestaat worden teruggevorderd, is volgens het Uwv belangrijk om een breed draagvlak voor het sociale zekerheidsstelsel te behouden. Het Uwv heeft er tot slot op gewezen dat een betalingsregeling met appellant is getroffen, waarbij hij zelf heeft voorgesteld om € 283,- per maand terug te betalen en dat per maart 2024 de gehele vordering is voldaan. De Raad is van oordeel dat het Uwv hiermee zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de terugvordering alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden voldoende heeft meegewogen en dat appellant met de door het Uwv voorgestelde verlaging van het terugvorderingsbedrag met 25% niet te kort wordt gedaan. De Raad zal daarom de hoogte van het terug te vorderen bedrag vaststellen op het door het Uwv voorgestelde bedrag van € 2.544,39 bruto.
5.6.
Wat appellant heeft aangevoerd over het besluit van de minister van SZW om te veel betaalde WIA-uitkeringen niet terug te vorderen, leidt niet tot een ander oordeel. Het Uwv heeft toegelicht dat de minister van SZW, zoals uiteengezet in zijn brief van 11 juli 2025, [3] heeft besloten dat er niet zal worden teruggevorderd bij het herstellen van fouten bij de dagloonvaststelling en dat dit besluit alleen geldt voor deze hersteloperatie. Dat is in het geval van appellant niet aan de orde. Voor de terugvordering van WIA-voorschotten heeft het Uwv een interne gedragslijn (afwegingskader versie 10 december 2024) opgesteld. Uit deze interne gedragslijn volgt dat het Uwv in bepaalde situaties een voorschot dat ten onrechte is betaald niet terugvordert. Het Uwv heeft toegelicht dat deze interne gedragslijn in de situatie van appellant, waarin er door het ontvangen van WW-uitkering en arbeidsinkomen voldoende vervangend inkomen is, niet voorziet in het afzien van terugvordering van het voorschot. Deze gedragslijn geeft daarom geen aanleiding om af te zien van de terugvordering.

Conclusie en gevolgen

5.7.
Omdat het Uwv in hoger beroep zijn standpunt heeft gewijzigd, slaagt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Dit geldt ook voor het bestreden besluit voor zover het de hoogte van de terugvordering betreft. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak voorzien door het besluit van 12 januari 2023 te herroepen voor zover het de hoogte van de terugvordering betreft en de terugvordering vaststellen op € 2.544,39 bruto.
6. Van voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken. Wel krijgt appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 31 mei 2023 voor zover daarbij de terugvordering is gehandhaafd op € 3.392,52 bruto;
- herroept het besluit van 12 januari 2023 voor zover dit ziet op de hoogte van de terugvordering;
- stelt het bedrag van de terugvordering vast op € 2.544,39 bruto;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 31 mei 2023;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter en H.G. Rottier en M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van J.A. Adjei-Asamoah als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.
(getekend) E. Dijt
(getekend) J.A. Adjei-Asamoah

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 77 van Pro de Wet WIA:
1. Een uitkering die op grond van deze wet alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald en hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 76 door Pro het UWV onverschuldigd is betaald of verstrekt wordt door het UWV teruggevorderd.
[…]
6. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
[…]

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Raad van 18 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:392.
2.CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.