Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 8 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de weigering van een Wajong-uitkering aan appellante. Appellante, geboren op [geboortedatum] 1997, had een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering, maar het Uwv weigerde deze op basis van de vaststelling dat zij in de relevante periode, van haar achttiende verjaardag tot vijf jaar daarna, niet duurzaam arbeidsongeschikt was. De Raad oordeelde dat het Uwv op goede gronden had vastgesteld dat appellante over basale werknemersvaardigheden beschikte en dat haar arbeidsvermogen niet geheel ontbrak. De rechtbank had eerder het beroep van appellante tegen het besluit van het Uwv ongegrond verklaard. De Raad bevestigde deze uitspraak en oordeelde dat appellante niet als jonggehandicapte kon worden aangemerkt, omdat zij in de relevante periode over arbeidsvermogen beschikte. De Raad wees ook het verzoek om schadevergoeding af, omdat er geen aanleiding was voor een vergoeding van proceskosten of griffierecht. De uitspraak benadrukt het belang van objectieve medische gegevens en de bewijslast die bij appellante lag, gezien de laattijdige aanvraag.