ECLI:NL:CRVB:2026:287
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing studiefinanciering wegens niet-erkend migrerend werknemerschap bij vakantieperiode
Appellant, met de Litouwse nationaliteit, vroeg studiefinanciering aan voor het kalenderjaar 2022. Hij werkte niet in januari en februari 2022 vanwege vakantie, maar stelde dat hij zijn status als migrerend werknemer had behouden en recht had op studiefinanciering. De rechtbank wees dit af en de Raad bevestigt dit oordeel.
De Raad overwoog dat migrerend werknemerschap reële en daadwerkelijke arbeid vereist, waarbij een onderbreking van ruim twee maanden zonder werk betekent dat de status niet behouden blijft, tenzij de werknemer zich als werkzoekende heeft ingeschreven en bereid was te werken. Appellant was niet onvrijwillig werkloos en niet ingeschreven als werkzoekende.
Ook het argument dat het gemiddelde inkomen over het jaar voldoende was, werd verworpen omdat het beleid vereist dat in principe maandelijks werkzaamheden worden verricht, met uitzondering van één maand vakantie of ziekte. Appellant voldeed niet aan de voorwaarden van het beleid en voerde geen bijzondere omstandigheden aan.
De Raad wees het beroep af en bevestigde de eerdere uitspraak, waarbij de minister geen proceskosten hoefde te vergoeden. De uitspraak is gebaseerd op vaste rechtspraak en beleidsregels omtrent migrerend werknemerschap en studiefinanciering.
Uitkomst: Hoger beroep afgewezen; appellant wordt niet als migrerend werknemer erkend voor januari en februari 2022 en krijgt geen studiefinanciering voor die maanden.