ECLI:NL:CRVB:2026:375
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens finale kwijting in vaststellingsovereenkomst
Appellant stelde het UWV in gebreke wegens het niet tijdig nemen van besluiten over intrekking van uitkeringen en verzocht om schadevergoeding. Het UWV wees de verzoeken om dwangsommen en schadevergoeding af, stellende dat besluiten reeds waren genomen en dat er geen sprake was van een aanvraag voor dwangsommen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af, omdat de betaalspecificatie van 11 augustus 2020 als besluit geldt en appellant geen onrechtmatigheid had aangetoond. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de geschillen betrekking hebben op de periode vóór 1 mei 2020, waarvoor tussen partijen een vaststellingsovereenkomst met finale kwijting is gesloten. Hierdoor staat deze overeenkomst een inhoudelijke beoordeling van de geschillen in de weg en verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 2 april 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege finale kwijting in de vaststellingsovereenkomst over de periode vóór 1 mei 2020.