ECLI:NL:CRVB:2026:375

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
23/350 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens finale kwijting in vaststellingsovereenkomst

Appellant stelde het UWV in gebreke wegens het niet tijdig nemen van besluiten over intrekking van uitkeringen en verzocht om schadevergoeding. Het UWV wees de verzoeken om dwangsommen en schadevergoeding af, stellende dat besluiten reeds waren genomen en dat er geen sprake was van een aanvraag voor dwangsommen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af, omdat de betaalspecificatie van 11 augustus 2020 als besluit geldt en appellant geen onrechtmatigheid had aangetoond. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de geschillen betrekking hebben op de periode vóór 1 mei 2020, waarvoor tussen partijen een vaststellingsovereenkomst met finale kwijting is gesloten. Hierdoor staat deze overeenkomst een inhoudelijke beoordeling van de geschillen in de weg en verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 2 april 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege finale kwijting in de vaststellingsovereenkomst over de periode vóór 1 mei 2020.

Uitspraak

23/350 ZW, 23/351 ZW
Datum uitspraak: 2 april 2026
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 december 2022, 22/824 en 22/909 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroepen ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De enkelvoudige kamer van de Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 12 maart 2025. De zaken zijn gelijktijdig behandeld met de zaken 23/256 WIA, 23/347 ZW, 23/348 ZW, 23/349 ZW, 23/352 WW, 23/1171 WIA en 23/1259 WIA. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.
De Raad heeft in de zaken 23/347 ZW en 23/348 ZW, uitspraak gedaan. [1]
De Raad heeft het onderzoek in de overige zaken heropend en verwezen naar de meervoudige kamer.
De meervoudige kamer van de Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 16 oktober 2025, gelijktijdig met de zaken 23/256 WIA, 23/349 ZW, 23/352 WW, 23/1171 WIA en 23/1259 WIA. In die zaken worden afzonderlijke uitspraken gedaan. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Jong.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellant heeft het Uwv bij een drietal brieven van 14 november 2021 in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig nemen van besluiten. Hierbij heeft appellant aangevoerd dat in 2020 is overeengekomen dat zijn uitkeringen op grond van de Werkloosheidswet (WW), de Ziektewet (ZW) en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) zijn ingetrokken, zonder dat hier besluiten op gevolgd zijn. In zijn brieven heeft appellant ook verzocht om vergoeding van de door hem, als gevolg van het uitblijven van deze besluiten, geleden schade.
1.2.
Bij een drietal besluiten van 3 december 2021 (besluiten 1 tot en met 3), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 februari 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv de verzoeken om een dwangsom afgewezen. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat alleen besluiten op aanvraag eventueel voor toekenning van een dwangsom in aanmerking komen en dat in dit geval geen sprake is geweest van een aanvraag. De betaalspecificatie van 11 augustus 2020 moet gezien worden als een besluit met betrekking tot de intrekking van de WW- en ZW-uitkering van appellant. Met betrekking tot de WIA-uitkering die met ingang van 22 januari 2018 aan appellant is toegekend, heeft te gelden dat deze niet is ingetrokken, maar met de beslissing op bezwaar van 29 mei 2020 is omgezet naar een WIA-uitkering met ingang van 3 november 2014.
1.3.
Bij besluit van 8 maart 2022 heeft het Uwv het verzoek om schadevergoeding afgewezen, omdat niet is gebleken van een onrechtmatig besluit dan wel onrechtmatig handelen ten aanzien van de uitvoering van de afspraken uit de eerder tussen het Uwv en appellant gesloten vaststellingsovereenkomst.
1.4.
Op 12 maart 2022 heeft appellant beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de rechtbank verzocht om veroordeling van het Uwv in vergoeding van alle geleden schade.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv het verzoek van appellant tot vaststelling van dwangsommen terecht heeft afgewezen. De dwangsomregeling van artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan pas aan de orde komen indien er sprake is van een aanvraag. Daar is in het geval van appellant geen sprake van. Artikel 1:3, derde lid, van de Awb bepaalt namelijk dat onder een aanvraag wordt verstaan een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen. Het besluit op bezwaar van 29 mei 2020 is naar het oordeel van de rechtbank geen aanvraag, omdat daar geen verzoek in kan worden gelezen. Ditzelfde geldt voor de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst. Bovendien had appellant alleen al geen recht op dwangsommen, omdat de besluiten die hij wilde hebben al waren genomen op het moment dat hij de ingebrekestellingen stuurde. Op 11 augustus 2020 was namelijk een betaalspecificatie vastgesteld waaruit blijkt dat zijn WW- en ZW-uitkering waren ingetrokken. Die betaalspecificatie heeft naar vaste rechtspraak te gelden als besluit, [2] nu uit de betaalspecificatie een wijziging van een periodieke betaling blijkt. Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding heeft de rechtbank geoordeeld dat dit niet voor toewijzing in aanmerking komt. Het verzoek van appellant heeft betrekking op het ten onrechte niet nemen van een besluit. Het Uwv heeft echter wel een besluit genomen, namelijk met de betaalspecificatie van 11 augustus 2020. Dat dit besluit onrechtmatig was, is door appellant niet onderbouwd of aan de rechtbank gebleken.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft in essentie gelijke gronden aangevoerd als in bezwaar en beroep.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 30 maart 2023 [3] verzocht het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk te verklaren in verband met de tussen het Uwv en appellant op 15 mei 2020 gesloten vaststellingsovereenkomst.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
In de tussen het Uwv en appellant gesloten vaststellingsovereenkomst is onder meer de afspraak opgenomen dat met die overeenkomst sprake is van finale kwijting voor wat betreft de periode vóór 1 mei 2020. Over die periode valt volgens de vaststellingsovereenkomst over en weer niets meer te claimen. In de vaststellingsovereenkomst staat dat dit onder meer betekent dat appellant geen nieuwe herzieningsverzoeken, aanvragen of overige verzoeken meer indient die zien op de periode voor 1 mei 2020 en dat appellant alle lopende aanvragen, bezwaar- en (hoger) beroepszaken, ingebrekestellingen, tuchtklachten en overige verzoeken intrekt.
4.2.
Bij uitspraak van heden in zaken 23/256 WIA en 23/1259 WIA heeft de Raad geoordeeld dat de vaststellingsovereenkomst tussen appellant en het Uwv rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat hij geen reden ziet appellant daaraan niet gebonden te achten.
4.3.
De voorliggende zaken vallen onder de reikwijdte van de vaststellingsovereenkomst. Het betreft namelijk de periode die ligt vóór 1 mei 2020, de periode waarover appellant en het Uwv finale kwijting zijn overeengekomen. Dat betekent dat de tussen partijen geldende vaststellingsovereenkomst in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling door de Raad van de door appellant aanhangig gemaakte geschillen. Dit betekent dat de hoger beroepen van appellant niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart de hoger beroepen tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en H.G. Rottier en G.C. Boot als leden, in tegenwoordigheid van D.M.A. van Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2026.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) D.M.A. van Geijn

Voetnoten

1.CRvB 23 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:625.
2.CRvB 23 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3337.
3.CRvB 30 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:615.