Appellante ontving bijstand sinds november 2019. Naar aanleiding van een anonieme melding startte de gemeente Sittard-Geleen een onderzoek naar haar werkzaamheden. Tijdens een verhoor op 11 maart 2021 verliet appellante voortijdig de spreekkamer, waardoor het college het recht op bijstand beëindigde. Tevens werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd over de periode 1 januari tot 10 maart 2021, omdat appellante werkzaamheden voor bedrijf X niet had gemeld.
Appellante diende op 16 april 2021 een nieuwe aanvraag in, maar het college stelde dat geen bijzondere omstandigheden een eerdere ingangsdatum rechtvaardigden. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en bevestigde de besluiten. Appellante voerde onder meer aan dat zij door intimidatie het verhoor niet kon afmaken en dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende waren.
De Raad overweegt dat het verhoor zorgvuldig is verlopen, de medewerkingsplicht is geschonden en het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellante op geld waardeerbare activiteiten verrichtte. De niet-melding daarvan rechtvaardigt intrekking en terugvordering. Ook is geen bijzondere omstandigheid voor een eerdere ingangsdatum vastgesteld. Wel wordt een schadevergoeding van €1.000 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het hoger beroep wordt afgewezen en de bestreden besluiten blijven in stand.