Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:418

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
24/2534 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 ParticipatiewetArt. 58 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens langdurig verblijf in buitenland zonder melding

Appellante verbleef gedurende twee perioden in het buitenland zonder dit te melden aan het college, waardoor zij geen recht had op bijstand over die periodes. Het college trok de bijstand in en vorderde de kosten terug tot een bedrag van € 2.490,85.

Appellante voerde aan dat zij vanwege familieomstandigheden in het buitenland verbleef en dat haar bewindvoerder dit zou melden, maar dit werd niet als zeer dringende reden erkend. Ook het doorlopen van kosten voor bewindvoering tijdens het verblijf bood geen grond voor bijstand.

Verder deed appellante een beroep op dringende redenen om van terugvordering af te zien, onder meer vanwege haar verslechterde financiële situatie en dakloosheid. De Raad oordeelde dat deze omstandigheden niet direct het gevolg waren van de terugvordering en dat het college niet onredelijk had gehandeld.

Het hoger beroep werd verworpen, de intrekking en terugvordering bleven in stand en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet-gemeld verblijf in het buitenland worden bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

24.2534 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Limburg van 11 juni 2024, 22/2899 en de uitspraak van 3 oktober 2024 van diezelfde rechtbank, 22/2899 (aangevallen uitspraken)
Partijen:
[appellante] te Curaçao (appellante)
Het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (college)
Datum uitspraak: 31 maart 2026
Zitting heeft: P.W. van Straalen
Griffier: L. van Beelen
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 31 maart 2026. Appellante heeft via videobellen deelgenomen aan de zitting. Ter zitting is verder haar gemachtigde, mr. F.Y. Gans, advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Pruis.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Deze zaak gaat over de intrekking van bijstand over de perioden van 4 juli 2021 tot en met 8 juli 2021 en van 13 augustus 2021 tot en met 28 september 2021 en over de terugvordering van kosten van bijstand over diezelfde perioden tot een bedrag van in totaal € 2.490,85. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante te lang in het buitenland heeft verbleven. Zij heeft dat niet gemeld en als gevolg daarvan heeft zij geen recht op bijstand over deze perioden. Ook ligt voor een verzoek om schadevergoeding.
2.1.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat de besluitvorming niet ziet op de intrekking van de bijzondere bijstand per 14 februari 2022. Die bijstand heeft het college eerder al ingetrokken met een besluit van 16 februari 2022. Die intrekking ligt gelet daarop ook in hoger beroep niet voor.
2.2.
Niet in geschil is dat appellante in de twee perioden in het buitenland heeft verbleven en dat zij dat niet heeft gemeld bij het college. Appellante voert aan dat zij in de eerste periode voor de begrafenis van haar zus en gelet op de gezondheidssituatie van haar moeder naar Curaçao moest. Zij heeft dit verblijf gemeld aan haar bewindvoerder en zij verkeerde in de veronderstelling dat haar bewindvoerder het zou melden bij het college. Dit moet worden betrokken bij de toetsing aan artikel 16 van Pro de Participatiewet (PW), welke toetsing beperkt kan blijven tot de bijzondere bijstand, nu de kosten voor bewindvoering ook tijdens het verblijf in het buitenland doorliepen. Die grond slaagt niet. Daartoe is het volgende van belang. De zeer dringende redenen van artikel 16 van Pro de PW, kunnen uitsluitend betrekking hebben op degene die, hoewel hij geen recht heeft op bijstand, niettemin voor bijstand in aanmerking wil komen. [1] Gelet op wat appellante heeft aangevoerd is daarvan in haar geval geen sprake. Ook de omstandigheid dat de bewindvoerder het verblijf in het buitenland niet heeft gemeld leidt niet tot zeer dringende redenen. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat de kosten van bijzondere bijstand doorliepen, omdat niet gebleken is van een acute noodsituatie die alleen met bijstand is te verhelpen.
2.3.1.
Appellante doet tot slot een beroep op de dringende redenen van artikel 58, achtste lid, van de PW. Appellante heeft in dit verband gewezen op haar financiële situatie, die verder is verslechterd doordat het college op 16 februari 2022 de bijstand heeft ingetrokken per 14 februari 2022. Appellante is dakloos geraakt en heeft pas met een toekenningsbesluit van 7 november 2022 weer bijstand gekregen per 22 februari 2022. Ook de bewindvoering is als gevolg van een gebrek aan inkomsten geëindigd, waardoor haar financiële situatie verder is verslechterd. Ter zitting heeft appellante nog toegelicht dat de terugvordering veel stress heeft opgeleverd.
2.3.2.
Wat de beoordeling van de dringende redenen betreft is van betekenis dat het college verplicht is om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de PW. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de PW.
2.3.3.
Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 [2] tot uitdrukking heeft gebracht, moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
2.3.4.
Het college heeft wat appellante in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd bij afweging van de betrokken belangen niet als dringende redenen hoeven aan te merken om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet (deels) van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. Daarvoor is het volgende van belang. De dakloosheid en de beëindiging van de bewindvoering zijn niet het gevolg van de onderhavige terugvordering. Dat appellante uit haar woning moest hield verband met al langer bestaande huurachterstanden en mogelijk de intrekking van de bijstand bij het besluit van 16 februari 2022, welk besluit hier niet voorligt. Ook de beëindiging van de bewindvoering houdt verband met het gebrek aan inkomsten en de dakloosheid. Uiteindelijk vertaalt dit alles zich naar de financiële situatie van appellante. Daaraan komt niet de betekenis toe die appellante daaraan toekent omdat zij bij de invordering van het bedrag van € 2.490,85 de bescherming heeft van de beslagvrije voet. Dat appellante stress heeft ervaren als gevolg van de terugvordering maakt niet dat het college dringende redenen had moeten aannemen.
3. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de intrekking en de terugvordering in stand blijven. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade wordt afgewezen.
4. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante ook geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) L. van Beelen (getekend) P.W. van Straalen

Voetnoten

1.Uitspraak van 6 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1680.