ECLI:NL:CRVB:2014:1680
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens overschrijding verblijf buitenland zonder zeer dringende redenen
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en had toestemming gekregen voor een kort verblijf in het buitenland. Zij verbleef echter langer dan de toegestane periode van vier weken in Suriname vanwege het overlijden van haar moeder. Het college trok daarom haar bijstand over die periode in.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelde dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat er zeer dringende redenen waren voor het langere verblijf, zoals vereist volgens artikel 16 van Pro de WWB. Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro, het recht op gezinsleven, bood geen grond voor het college om bijstand te verlenen.
Verder werd geoordeeld dat het leeftijdsdiscriminatieverweer faalt omdat het onderscheid tussen jongere en oudere bijstandsgerechtigden objectief en redelijk is. Het hoger beroep slaagt niet, waardoor de intrekking van de bijstand rechtmatig was.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens overschrijding van de maximale verblijfsduur in het buitenland zonder zeer dringende redenen wordt bevestigd.