ECLI:NL:CRVB:2026:461
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
Werknemer was sinds 2019 werkzaam bij appellante en meldde zich in 2020 ziek wegens psychische klachten. Na een WIA-aanvraag in 2022 beoordeelde het UWV dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht, wat leidde tot een loonsanctie van 52 weken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het UWV terecht oordeelde dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren, mede door een inadequate inschatting van de belastbaarheid door de bedrijfsarts en het ontbreken van mediation bij een verstoorde arbeidsverhouding.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij de adviezen van de bedrijfsarts terecht had gevolgd en verwees naar langdurige begeleiding en externe rapporten. De Raad oordeelde echter dat de bedrijfsarts buiten zijn professionele marge was getreden door de belastbaarheid niet actueel te houden en dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren.
De Raad bevestigde dat het UWV terecht de loonsanctie oplegde en dat appellante geen deugdelijke grond had voor haar tekortkomingen. Het hoger beroep werd verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De loonsanctie van 52 weken wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen wordt bevestigd.