ECLI:NL:CRVB:2026:465
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging vrijwillige Ziektewetverzekering zonder bijzondere omstandigheden
Appellante startte in 2017 een eenmanszaak en sloot zich in 2018 aan bij de vrijwillige Ziektewetverzekering (ZW). Na omzetting van haar eenmanszaak in een besloten vennootschap in 2020, verzocht zij in oktober 2023 om beëindiging van de vrijwillige ZW-verzekering per die datum. Het UWV besloot dit verzoek te honoreren, maar weigerde terugwerkende kracht toe te passen. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond en stelde dat geen bijzondere omstandigheden bestonden voor terugwerkende beëindiging.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij jarenlang onverschuldigd premies betaalde en onvoldoende geïnformeerd was over de gevolgen van de rechtsvormwijziging. Ook stelde zij dat het onderscheid naar geslacht in de beoordeling onrechtmatig was. De Raad oordeelde dat het UWV conform de wettelijke gedragslijn handelde en dat de informatievoorziening via premiebrieven en correspondentie voldoende was. Het financiële nadeel en de kennis van de rechtsvormwijziging door het UWV vormden geen bijzondere omstandigheden.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. De beëindiging van de vrijwillige ZW-verzekering per 30 oktober 2023 blijft daarmee in stand, zonder terugwerkende kracht. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De beëindiging van de vrijwillige Ziektewetverzekering per 30 oktober 2023 wordt bevestigd zonder terugwerkende kracht.