ECLI:NL:CRVB:2026:483
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WIA-, WW- en ZW-uitkeringen wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking
Appellant had uitkeringen op grond van de WIA, WW en ZW ontvangen, die het UWV heeft ingetrokken en teruggevorderd omdat appellant niet als werknemer in een privaatrechtelijke dienstbetrekking bij de VOF stond. Het geschil betrof de vraag of sprake was van een gezagsverhouding en daarmee van een arbeidsovereenkomst.
De rechtbank oordeelde dat appellant door zijn positie als bestuurder en aandeelhouder binnen de VOF feitelijk zelf zijn arbeidsvoorwaarden en dienstverband bepaalde, waardoor geen gezagsverhouding bestond. Ook was appellant betrokken bij de aanstelling en beëindiging van zijn eigen dienstverband en trad hij op als vertegenwoordiger van de VOF. De rechtbank verwierp het beroep op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad stelt dat het UWV voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond en dat appellant onvoldoende tegenbewijs heeft geleverd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen toezeggingen of gedragingen van de overheid zijn vastgesteld waaruit appellant redelijkerwijs vertrouwen kon ontlenen. Ook is de inlichtingenplicht van appellant geschonden, waardoor intrekking en terugvordering gerechtvaardigd zijn.
De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de bestreden uitspraak. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de uitkeringen wegens het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.