Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:483

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
24/2256 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:610 BWArt. 7:690 BWArt. 3 WWArt. 22a WWArt. 36 WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering WIA-, WW- en ZW-uitkeringen wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking

Appellant had uitkeringen op grond van de WIA, WW en ZW ontvangen, die het UWV heeft ingetrokken en teruggevorderd omdat hij niet als werknemer in een privaatrechtelijke dienstbetrekking bij de VOF stond. Het geschil betrof de vraag of sprake was van een gezagsverhouding en daarmee van een arbeidsovereenkomst.

De rechtbank oordeelde dat appellant door zijn positie als bestuurder en aandeelhouder binnen de aan de VOF gelieerde B.V.'s feitelijk zelf zijn arbeidsvoorwaarden en dienstverband bepaalde, waardoor geen gezagsverhouding bestond. Ook was appellant betrokken bij de aanstelling en beëindiging van zijn eigen dienstverband en trad hij op als vertegenwoordiger van de VOF. De rechtbank verwierp het beroep op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en stelde dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad stelt dat het UWV voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond en dat appellant onvoldoende tegenbewijs heeft geleverd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen toezeggingen of gedragingen van de overheid zijn vastgesteld waaruit appellant redelijkerwijs vertrouwen kon ontlenen. De Raad acht de intrekking en terugvordering gerechtvaardigd en ziet geen dringende redenen om daarvan af te zien.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de uitkeringen omdat appellant geen werknemer was in privaatrechtelijke dienstbetrekking.

Uitspraak

24/2256 WIA, 24/2257 WW, 24/2258 ZW, 24/2259 WW, 24/2260 ZW, 24/2261 WIA, 24/2262 WW, 24/2263 ZW, 24/2264 WIA, 24/2265 WIA, 24/2266 WIA, 24/2267 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 augustus 2024, 23/1661 tot en met 23/1672 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 22 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering van appellant heeft geschorst per 1 juni 2022 en de WW-uitkering, ZW-uitkering en WIA-uitkering van appellant met terugwerkende kracht heeft ingetrokken en teruggevorderd over de periodes van 3 maart 2014 tot en met 6 november 2016 en van 1 april 2018 tot en met 30 juni 2022, omdat hij niet als werknemer verplicht was verzekerd voor de werknemersverzekeringen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.W. Niesert, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 17 december 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Niesert. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft op 3 maart 2014 een aanvraag voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ingediend. Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat hij als uitzendkracht werkzaam is geweest voor V.O.F. U.B.M. Uitzend Bureau Multiservice (hierna: de VOF) van 12 augustus 2013 tot en met 2 maart 2014. Bij besluit van 26 maart 2014 heeft het Uwv appellant met ingang van 3 maart 2014 een WW-uitkering toegekend. Het Uwv heeft deze WW-uitkering met ingang van 7 november 2016 beëindigd wegens het bereiken van de maximale uitkeringsduur.
1.2.
Op 3 april 2018 heeft appellant opnieuw een WW-uitkering aangevraagd. Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat hij van 3 juli 2017 tot en met 1 april 2018 als uitzendkracht heeft gewerkt bij de VOF. Bij besluit van 13 april 2018 heeft het Uwv aan appellant per 2 april 2018 een WW-uitkering toegekend.
1.3.
Op 22 maart 2019 heeft appellant zich vanuit de WW ziekgemeld. Bij besluit van 29 mei 2019 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant per 21 juni 2019 beëindigd en aansluitend aan appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Op 24 februari 2021 heeft appellant een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend. Bij besluit van 3 september 2021 heeft het Uwv aan appellant per 19 maart 2021 een loongerelateerde WGAuitkering toegekend.
1.4.
Naar aanleiding van interne fraudemeldingen in februari 2022 heeft het Uwv onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant toegekende uitkeringen, meer in het bijzonder naar de vraag of sprake was van een gefingeerd dienstverband van appellant bij de VOF. In dat kader heeft het Uwv Suwinet en (interne) systemen geraadpleegd, is informatie opgevraagd bij de Kamer van Koophandel en de Belastingdienst, hebben twee themaonderzoekers van het Uwv op 29 maart 2022 een gesprek gevoerd met appellant en heeft de gemachtigde van appellant aanvullende informatie geleverd. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek van 16 mei 2022. In verband met dit onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 19 mei 2022 (primair besluit 1) de WIA-uitkering van appellant met ingang van 1 juni 2022 geschorst.
1.5.
Bij besluit van 14 juni 2022 (primair besluit 2) heeft het Uwv de WW-uitkeringen van appellant met ingang van 3 maart 2014 en 2 april 2018 ingetrokken, omdat appellant niet als werknemer in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan tot de VOF en daardoor niet als werknemer verplicht verzekerd was voor de WW. Om deze reden heeft het Uwv bij afzonderlijk besluit van 14 juni 2022 (primair besluit 3) ook de ZW-uitkering van appellant per 22 maart 2019 ingetrokken en bij besluit van 15 juni 2022 (primair besluit 4) de WIA-uitkering van appellant per 19 maart 2021 ingetrokken.
1.6.
Bij besluiten van 22 juni 2022 (primaire besluiten 5 tot en met 8) heeft het Uwv de aan appellant betaalde bedragen aan WW-uitkering, ZW-uitkering en WIA-uitkering over de periodes van 3 maart 2014 tot en met 6 november 2016 en van 1 april 2018 tot en met 30 juni 2022 teruggevorderd, in totaal een bedrag van € 218.055,83 bruto. Bij afzonderlijke besluiten van 7 juli 2022, 18 juli 2022 en 1 augustus 2022 (primaire besluiten 9 tot en met 12) heeft het Uwv de teruggevorderde bedragen aan WW-uitkering, ZW-uitkering en WIA-uitkering bij appellant ingevorderd.
1.7.
Bij acht afzonderlijke besluiten van 24 januari 2023 (bestreden besluiten) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de primaire besluiten 1 tot en met 8 ongegrond verklaard.
1.8.
Het Uwv heeft gesteld dat geen sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen appellant en de VOF, omdat geen sprake was van een gezagsverhouding. Ten tijde van de periode in geding had de VOF twee vennoten, te weten [naam B.V. 1] en [naam B.V. 2] , ieder voor 50%. De bestuurder van [naam B.V. 1] was [naam B.V. 3] , van welke onderneming appellant enig bestuurder en aandeelhouder was. De bestuurder van [naam B.V. 2] was [naam B.V. 4] , waarvan [naam] enig bestuurder en aandeelhouder was. Op grond van de bepalingen van de op 28 maart 1997 ondertekende vennootschapsovereenkomst van de VOF en de bevoegdheden van appellant uit [naam B.V. 3] en [naam B.V. 1] , heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant niet in een gezagsverhouding stond ten opzichte van de VOF.
1.9.
Ook de bij het Uwv bekende uitzendovereenkomsten zijn voor het Uwv geen aanleiding geweest om van een gezagsverhouding tussen appellant en de VOF uit te gaan. Volgens het Uwv was geen sprake van een driepartijenrelatie als bedoeld in artikel 7:690 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Uitzendrelaties die niet voldoen aan de kenmerken van artikel 7:610 van Pro het BW zijn geen uitzendovereenkomsten in de zin van het BW en kunnen niet onder de werking van artikel 7:690 van Pro het BW vallen.
1.10.
Bij drie afzonderlijke besluiten van eveneens 24 januari 2023 heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de primaire besluiten 9 tot en met 12 gedeeltelijk gegrond verklaard en aan appellant met ingang van 1 februari 2023 een termijnregeling van € 1.500,- per maand opgelegd. Dit termijnbedrag is laatstelijk bij besluit van 12 september 2025 verlaagd naar € 483,-.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de afdeling Handhaving van het Uwv een voldoende zorgvuldig en volledig onderzoek verricht. Het Uwv heeft de resultaten van het onderzoek terecht ten grondslag aan de bestreden besluiten gelegd, nu het Uwv de bestreden besluiten heeft gebaseerd op een eigen onderzoek. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat voor de vraag of sprake is van werknemerschap in de zin van de werknemersverzekeringen niet bepalend is of premies zijn afgedragen. [1] De rechtbank heeft verder overwogen dat de Belastingdienst in 2014 met een brief zou hebben bevestigd dat de werkzaamheden van appellant als uitzendkracht van de VOF niet onder de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder (hierna: DGAregeling) vallen, niet maakt dat appellant als werknemer voor de werknemersverzekeringen moet worden aangemerkt.
2.1.
Verder heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv met de in het onderzoeksrapport van 16 mei 2022 neergelegde bevindingen voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in het geval van appellant in de perioden in geding geen sprake was van een gezagsverhouding tussen appellant en de VOF als uitzendwerkgever en appellant niet kan worden aangemerkt als werknemer van de VOF. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat appellant door zijn bevoegdheden bij [naam B.V. 3] en [naam B.V. 1] zelf kon bepalen wanneer en hoe lang hij door de VOF als uitzendkracht werd aangenomen en uitgeleend. Daarnaast kon appellant zijn eigen salaris en arbeidsvoorwaarden bepalen en was hij betrokken bij de aanstelling en beëindiging van zijn eigen dienstverband. Verder heeft de rechtbank van belang geacht dat uit de stukken niet volgt dat appellant zich binnen de VOF tegenover iemand heeft verantwoord of dat functioneringsgesprekken met hem zijn gevoerd. Dat appellant slechts als deeltijd directeur-grootaandeelhouder (DGA) binnen [naam B.V. 3] heeft gewerkt, doet hier niet aan af. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat geen sprake is geweest van een persoonlijke dienstbetrekking van appellant bij de inleners, waardoor appellant ook op basis daarvan niet kan worden aangemerkt als werknemer.
2.2.
Appellant heeft nagelaten het Uwv in te lichten over zijn rol binnen de VOF en zijn bevoegdheden vanuit [naam B.V. 1] en [naam B.V. 3] Hij heeft daarmee niet gemeld wat zijn positie was binnen de VOF en de invloed die hij hiermee kon uitoefenen op zijn positie als uitzendkracht. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk kunnen en moeten zijn dat zijn positie binnen de VOF van belang was voor de vaststelling van zijn recht op de genoemde werknemersverzekeringen. Daarmee heeft appellant zijn inlichtingenplicht geschonden en was het Uwv in beginsel verplicht om over te gaan tot intrekking en terugvordering van de uitkeringen van appellant.
2.3.
Het beroep van appellant op het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel heeft de rechtbank niet gehonoreerd. Volgens de rechtbank zijn de uitkeringen aan appellant toegekend in de veronderstelling dat hij werknemer in de zin van de werknemersverzekeringen was. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het Uwv concrete toezeggingen heeft gedaan of op een andere manier vertrouwen heeft gewekt waaruit redelijkerwijs kon en mocht worden afgeleid dat hij verzekerd was voor werknemersverzekeringen.
2.4.
De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te concluderen dat sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van intrekking of terugvordering af te zien. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de intrekking en terugvordering van de uitkeringen het gevolg zijn van een schending van de inlichtingenplicht door appellant. Het Uwv heeft door de invordering pas per 1 maart 2023 te starten en rekening te houden met de maximale aflossingscapaciteit van appellant voldoende rekening houdend met de gevolgen die de intrekking en terugvordering voor appellant heeft.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant meent dat het Uwv ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij niet verplicht verzekerd was voor de werknemersverzekeringen. Appellant stelt dat hij in zijn hoedanigheid van directeur/grootaandeelhouder van [naam B.V. 3] niet verzekerd was voor de werknemersverzekeringen, maar dat hij dat wel was in zijn hoedanigheid van werknemer/uitzendkracht van de VOF. De vraag naar de verplichte verzekering van een directeur/grootaandeelhouder moet volgens appellant exclusief aan de hand van de DGAregeling worden getoetst, waarbij appellant heeft verwezen naar artikel 6, vierde lid, van de WW. Appellant stelt zich op het standpunt dat sprake was van een uitzendovereenkomst tussen hem de VOF en de inleners. Volgens appellant was zijn positie binnen de VOF hierbij niet relevant. Daarnaast meent appellant dat op grond van de bepalingen uit de vennootschapsovereenkomst hij niet alleen kon bepalen wanneer en hoe lang hij door de VOF als uitzendkracht werd aangenomen en uitgeleend. Evenmin kon hij alleen de hoogte van zijn salaris en zijn arbeidsvoorwaarden vaststellen of zijn eigen ontslag tegenhouden. Daarvoor was een beschikkingshandeling of toestemming van [naam B.V. 2] vereist. Daarbij had appellant binnen de VOF slechts een beperkte ondersteunende rol.
3.1.
Verder heeft appellant een beroep op het vertrouwensbeginsel gedaan. In dat verband heeft hij aangevoerd dat hij ervan uit mocht gaan dat op basis van de uitkomsten van een onderzoek van de Belastingdienst van 18 december 2014 hij verzekerd was voor de werknemersverzekeringen. Daarbij heeft appellant gewezen op de loonbelastingverklaring van de VOF van 20 augustus 2013, waarin de VOF heeft vermeld dat de loonbelastingverklaring voor appellant ingaat op 12 augustus 2013 en waarin de VOF de Belastingdienst heeft verzocht voor appellant de loonheffingskorting toe te passen. In dit verband heeft appellant gewezen op artikel 59, van de Wet financiering sociale verzekeringen, waaruit appellant afleidt dat de inspecteur van de belastingen de verzekeringspositie van personen voor de heffing van premies werknemersverzekeringen vaststelt. Appellant stelt dat de inspecteur tijdens het boekenonderzoek genoemde loonbelastingverklaring heeft gezien. Omdat de inspecteur in het verslag boekenonderzoek daarover geen opmerkingen heeft gemaakt, stelt appellant dat hij erop mocht vertrouwen dat hij terecht als verplicht verzekerd voor de werknemersverzekeringen is aangemerkt.
3.2.
Appellant is van mening dat hij zijn inlichtingenplicht niet heeft geschonden en dat sprake is van strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Appellant heeft in dit verband gesteld dat het Uwv bij de aanvragen van appellant voor een uitkering op grond van de WW in 2014 en in 2018 al eenvoudig had kunnen vaststellen hoe de positie van appellant was ten opzichte van de VOF. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat op grond van dringende redenen aanleiding is om geheel of gedeeltelijk van de intrekking en/of terugvordering af te zien.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.2.
Bij besluiten tot intrekking van socialezekerheidsuitkeringen, zoals hier aan de orde, gaat het om belastende besluiten, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt in dit geval mee dat het Uwv feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking is geweest tussen appellant en de V.O.F. Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat appellant ten tijde hier van belang geen dienstbetrekking in de zin van de WW, ZW en WIA heeft vervuld, dan ligt het op de weg van appellant de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.
5.3.
Naar vaste rechtspraak is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake, als betrokkene werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst. [2] Artikel 7:610 van Pro het BW omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg aan de hand van de Haviltexmaatstaf [3] worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en moeten niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien.
5.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellant arbeid heeft verricht voor de VOF en daarvoor loon heeft ontvangen. Het geschil tussen partijen richt zich op de vraag of sprake was van een gezagsverhouding tussen appellant en de VOF.
5.5.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd over zijn arbeidsverhouding met de VOF zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat tussen de VOF en appellant geen sprake was van een gezagsverhouding en daarom geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en dat appellant daarom niet kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van de werknemersverzekeringen. Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd.
5.6.
Alvorens kan worden gesproken van uitzendovereenkomst in de zin van artikel 7:690 van Pro het BW, moet eerst worden beoordeeld of sprake is van een arbeidsovereenkomst ex artikel 7:610 van Pro het BW tussen appellant en de VOF. Dat betekent dat als de VOF geen gezag over appellant als uitzendkracht kan uitoefenen er geen sprake is van een uitzendovereenkomst, op grond waarvan appellant verplicht verzekerd zou zijn voor de werknemersverzekeringen.
5.7.
Uit artikel 5, onder f en onder h van de vennootschapsovereenkomst van de VOF van 28 maart 1997 volgt dat voor het aanstellen van personeel en het beëindigen van overeenkomsten met personeel, alsmede de vaststelling van hun salaris en arbeidsvoorwaarden, slechts bevoegd zijn de gezamenlijke vennoten of één van de vennoten met toestemming van de andere vennoten. Daarnaast volgt uit artikel 5, onder i, van de vennootschapsovereenkomst dat de vennoten de werkzaamheden in onderling overleg verdelen en zich over en weer verbinden geen handelingen te verrichten waartegen één van hen zich uitdrukkelijk heeft verzet. Hieruit volgt dat appellant betrokken was bij de aanstelling en voorwaarden van de uitzendovereenkomsten van 12 augustus 2013 en 22 juni 2017, waarbij hij als veiligheidskundige werd uitgeleend aan respectievelijk [naam B.V. 5] ( [naam B.V. 5] ) en Arbode, en dat hij de beëindiging van deze uitzendovereenkomsten kon tegenhouden. Appellant kon dus via [naam B.V. 3] en [naam B.V. 1] invloed uitoefenen op zichzelf als uitzendkracht van de VOF. Zoals het Uwv daarbij terecht heeft opgemerkt, is ook niet gebleken dat appellant zich als werknemer heeft moeten verantwoorden ten opzichte van de VOF en dat hij daadwerkelijk onder gezag stond van de VOF.
5.8.
Daarnaast blijkt uit het dossier dat appellant zich veelvuldig namens de VOF als werkgever heeft opgesteld. Uit het verslag van het gesprek van 29 maart 2022 en de verklaringen van appellant op de zitting bij de rechtbank volgt dat hij diverse werkzaamheden voor de VOF verrichtte, zoals de loonadministratie, klantencontacten en het overleggen met en het aansturen van medewerkers. In de inleenovereenkomst van 8 augustus 2013, op grond waarvan appellant als uitzendkracht door [naam B.V. 5] werd ingeleend vanaf 12 augustus 2013, is appellant als contactpersoon van de VOF vermeld en heeft appellant deze overeenkomst namens de VOF als uitlener ondertekend. Ook in een uitzendovereenkomst van 24 december 2014 is appellant vermeld als vertegenwoordiger van de VOF en als uitzendkracht. Verder is gebleken dat in de onderzochte periode van januari 2016 tot en met 1 mei 2021 door de VOF voor appellant loonaangiftes zijn gedaan, waarbij appellant meerdere keren als contactpersoon van de VOF is genoemd. Ook is appellant als één van de bestuurders als contactpersoon en gesprekpartner van de VOF opgetreden tijdens het boekenonderzoek van de Belastingdienst in 2013 bij de VOF.
5.9.
Het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van schending van het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, wordt onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.10.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Verder is vereist dat de toezegging, andere uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Uit het verslag van het boekenonderzoek van 18 december 2014 van de inspecteur van de Belastingdienst kan niet worden afgeleid dat de Belastingdienst de vraag of appellant al dan niet verplicht verzekerd voor de werknemersverzekeringen moet worden aangemerkt heeft onderzocht. Uit het doel en reikwijdte van het onderzoek van de Belastingdienst valt af te leiden dat enkel een oordeel is gegeven over de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen van de VOF over de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2013. Bovendien is het op grond van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen de taak van het Uwv om uitvoering te geven aan de werknemersverzekeringswetten en te bepalen of een persoon al dan niet verplicht verzekerd is ingevolge de werknemersverzekeringen.
5.11.
Ook wordt appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat het Uwv eerder dan in 2022 op de hoogte was van de bedrijfsstructuur van de VOF en bij de WW-aanvragen van appellant nader onderzoek had moeten doen naar de positie van appellant binnen de VOF. Het is aan appellant om alle voor de aanvraag noodzakelijke gegevens te verstrekken en noch uit de WW-aanvragen noch uit het wijzigingsformulier van 14 januari 2015 valt af te leiden dat het Uwv op de hoogte had kunnen zijn van de organisatiestructuur van de VOF en de rol van appellant hierin. Ook valt uit deze stukken niet af te leiden dat voor het Uwv aanknopingspunten aanwezig waren voor een nader onderzoek naar de verzekeringsplicht van appellant.
5.12.
Met betrekking tot de vraag of appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden is van belang dat appellant bij zijn WW-aanvragen geen inzicht heeft gegeven in de bedrijfsstructuur van de VOF en zijn de positie binnen de VOF. Appellant heeft ter zitting bevestigd dat hij tijdens de intakegesprekken bij het Uwv over zijn WW-aanvragen het Uwv hiervan niet op de hoogte heeft gesteld. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk kunnen en moeten zijn dat zijn positie binnen de VOF van belang was voor de vaststelling van zijn recht op werknemersverzekeringen. Nu hij heeft nagelaten het Uwv bedoelde informatie te verstrekken, was het Uwv gehouden de uitkeringen van appellant met terugwerkende kracht in te trekken en de aan appellant onverschuldigd betaalde uitkeringen terug te vorderen. Dit is slechts anders indien sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van intrekking of terugvordering af te zien.
5.13.
Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 [4] heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De Raad ziet het begrip dringende reden (voortaan) als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan.
5.14.
Het Uwv heeft in de situatie van appellant zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de intrekking en terugvordering alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden voldoende meegewogen en geen aanleiding hoeven zien om op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van intrekking en terugvordering af te zien. De oorzaak van de intrekking en terugvordering is volledig aan appellant te wijten en het Uwv heeft adequaat en voortvarend gehandeld.
5.15.
Voor zover appellant heeft gewezen op de financiële gevolgen van de intrekking en terugvordering heeft appellant dit niet met objectieve gegevens onderbouwd. Daarbij heeft het Uwv rekening gehouden met zijn draagkracht door het maandelijkse af te lossen bedrag vast te stellen op € 483,- per maand.

Conclusie en gevolgen

5.16.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Dit betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna als voorzitter en G.C. Boot en M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026.
(getekend) S. Wijna
De griffier is verhinderd te onderteken.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

Bijlage

Artikel 7:610, eerste en tweede lid, van het BW
1. De arbeidsovereenkomst is de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten.
2. Indien een overeenkomst zowel aan de omschrijving van lid 1 voldoet als aan die van een andere door de wet geregelde bijzondere soort van overeenkomst, zijn de bepalingen van deze titel en de voor de andere soort van overeenkomst gegeven bepalingen naast elkaar van toepassing. In geval van strijd zijn de bepalingen van deze titel van toepassing.
Artikel 7:690 van Pro het BW
De uitzendovereenkomst is de arbeidsovereenkomst waarbij de werknemer door de werkgever, in het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf van de werkgever ter beschikking wordt gesteld van een derde om krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de derde.
Artikel 3, eerste lid, van de WW
1. Werknemer is de natuurlijke persoon, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
Artikel 22a WW
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering en terzake van weigering van uitkering, herziet het Uwv een dergelijk besluit of trekt het dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 24, 25 of 26 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;
b. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 25 ertoe Pro leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uwv besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Artikel 36, eerste en zesde lid, van de WW
1. De uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a of 27 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uwv teruggevorderd. Indien de uitkering, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de werkgever wordt teruggevorderd, kan deze het teruggevorderde bedrag niet verhalen op de werknemer.
(…)
6. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uwv besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Artikel 7, onder a, van de ZW
Voor de toepassing van deze wet wordt als werknemer beschouwd:
a. degene, die krachtens de verplichte verzekering op grond van de Werkloosheidswet uitkering ontvangt.
Artikel 30a van de ZW
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van ziekengeld en terzake van weigering van ziekengeld, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijk besluit of trekt hij dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 30, 31, 38, 45 of 49 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ziekengeld;
b. indien anderszins het ziekengeld ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 28, 31, 45 of 49 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op ziekengeld bestaat.
2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien indien daarvoor dringende redenen zijn.
Artikel 33, eerste en zesde lid, van de ZW
1. Het ziekengeld, dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 30, tweede lid, 30a of 45 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.
(…)
6. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Artikel 8, eerste lid, van de Wet WIA
1. Werknemer is de werknemer in de zin van de ZW met uitzondering van de werknemer:
a. die zijn werknemerschap ontleent aan artikel 4, eerste lid, onderdeel g, van die wet, of
b. die de leeftijd, bedoeld in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt.
Artikel 76, eerste en derde lid, van de Wet WIA
1. Het UWV herziet beschikkingen op grond van deze wet of trekt dergelijke beschikkingen in, indien:
a. als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van de artikelen 27 tot en met 32 en de daarop berustende bepalingen het recht op een uitkering op grond van deze wet niet of niet meer kan worden vastgesteld of ten onrechte is vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld;
b. de verstrekking van een voorziening als bedoeld in artikel 34a, eerste lid, of 35 ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
(…)
3. Indien daarvoor dringende redenen zijn, kan het UWV geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien.
Artikel 77, eerste en zesde lid, van de Wet WIA
1. Een uitkering die op grond van deze wet alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald en hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 76 door Pro het UWV onverschuldigd is betaald of verstrekt wordt door het UWV teruggevorderd.
(…)
6. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Artikel 3 Beleidsregels Pro schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006
1. Indien door toedoen van de verzekerde ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt, vindt intrekking of herziening van de uitkering plaats met terugwerkende kracht tot en met de dag vanaf welke de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verstrekt.
2. Indien als gevolg van of mede als gevolg van het niet nakomen door de verzekerde van een inlichtingenverplichting of een medewerkingsverplichting ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt, wordt de uitkering ingetrokken of herzien met terugwerkende kracht tot en met de dag waarop de uitkering zou zijn ingetrokken of herzien als de verzekerde wel volledig aan zijn verplichting zou hebben voldaan. Is deze dag niet te bepalen, dan vindt de intrekking of herziening plaats met ingang van de dag vanaf welke het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld.
3. Indien het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt, wordt de uitkering ingetrokken of herzien met terugwerkende kracht tot en met de dag waarop het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt.

Voetnoten

1.CRvB 14 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:739 en CRvB 21 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3233.
2.Crvb 15 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1785.
3.HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158.
4.CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.