Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:498

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
25/625 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:610 BWArt. 3 ZiektewetArt. 8 Wet WIAArt. 67 Wet WIAArt. 76 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering WIA-uitkering wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking

Appellante, moeder van de eigenaar van een BV, ontving een WIA-uitkering die door het UWV werd geschorst en later ingetrokken wegens het vermoeden van een gefingeerd dienstverband. Het UWV stelde dat appellante niet verzekerd was voor werknemersverzekeringen omdat geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond, met name vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding.

De rechtbank Amsterdam oordeelde dat het UWV terecht handelde en dat het vermoeden van een gefingeerd dienstverband gegrond was, mede gebaseerd op onoverzichtelijk betalingsverkeer en de familierelatie. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank onvoldoende rekening hield met relevante factoren en dat het betalingsverkeer wel degelijk overzichtelijk was.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank en het UWV. De Raad stelde vast dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij daadwerkelijk arbeid had verricht binnen een privaatrechtelijke dienstbetrekking, mede door het ontbreken van een gezagsverhouding en tegenstrijdigheden in de overgelegde bewijsstukken. De schorsing van de uitkering was gerechtvaardigd vanwege het sterke vermoeden van een gefingeerd dienstverband. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen, maar het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.

Uitkomst: De schorsing, intrekking en terugvordering van de WIA-uitkering van appellante worden bevestigd wegens het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/625 WIA, 25/626 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 maart 2025, 23/496, 23/5578 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 23 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering van appellante heeft geschorst toen het vermoeden bestond dat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en vervolgens de uitkering heeft ingetrokken, en de onverschuldigd betaalde uitkering heeft teruggevorderd. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat appellante niet verzekerd was voor de werknemersverzekeringen omdat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De Raad volgt dit standpunt.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.N. van der Ham, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken en een verzoek om schadevergoeding ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 maart 2026. Voor appellante is mr. Van der Ham verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellante stond vanaf 1 januari 2004 op de loonlijst van Schoonmaakbedrijf [naam schoonmaakbedrijf] , waarvan haar zoon eigenaar was. Appellante is met ingang van 1 juni 2011 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Het Uwv heeft die WWuitkering bij besluit van 27 maart 2013 ingetrokken, omdat appellante geen verzekeringsplichtige werkzaamheden had verricht. Het Uwv heeft een bedrag van € 56.520,21 van appellante teruggevorderd. Bij beslissing op bezwaar van 5 september 2013 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 maart 2013 ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is geen rechtsmiddel aangewend.
1.2.
Appellante staat vanaf 2 januari 2017 opnieuw geregistreerd met een dienstverband bij (de rechtsvoorganger van) [naam B.V.] ( [naam B.V.] ). Appellante heeft zich op 2 december 2019 ziekgemeld ten gevolge van een val. Op 8 september 2021 heeft appellante een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Bij besluit van 29 november 2021 heeft het Uwv haar met ingang van 15 december 2021 een WIAuitkering toegekend.
1.3.
Het Uwv heeft op 29 april 2022 een interne melding ontvangen dat appellante de moeder is van de directeur-grootaandeelhouder van [naam B.V.] , dat deze vennootschap in onderzoek is bij de FIOD en dat uit het onderzoek blijkt dat er sprake is van vele gefingeerde dienstverbanden bij dit bedrijf. Zo zouden mensen voor irreële bedragen op de loonlijst staan, terwijl ze er feitelijk nooit gewerkt hebben of bijvoorbeeld maandenlang in het buitenland hebben gezeten. Appellante zou volgens de FIOD een van de personen zijn met een gefineerd dienstverband. Het Uwv heeft naar aanleiding van deze melding een onderzoek ingesteld naar het dienstverband van appellante met [naam B.V.] en de rechtmatigheid van de aan appellante toegekende WIAuitkering. Tijdens dit onderzoek heeft een gesprek plaatsgevonden met appellante (bijgestaan door haar advocaat). Verder heeft het Uwv onder meer gegevens opgevraagd bij de Kamer van Koophandel, Suwinet geraadpleegd, de Belastingdienst om informatie gevraagd en bankafschriften opgevraagd. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een onderzoeksrapport van 8 december 2022.
1.4.
Bij besluit van 6 oktober 2022 (besluit 1) heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellante met ingang van 1 oktober 2022 geschorst, omdat het vermoeden bestaat dat er sprake is van een gefingeerd dienstverband.
1.5.
Bij besluit van 6 februari 2023 (besluit 2) heeft het Uwv de WIAuitkering van appellante per 15 december 2021 ingetrokken.
1.6.
Bij een tweede besluit van 6 februari 2023 (besluit 3) heeft het Uwv de volgens het Uwv onverschuldigd betaalde WIAuitkering over de periode van 15 december 2021 tot en met 30 september 2022 ter hoogte van € 24.275,45 (bruto) van appellante teruggevorderd.
1.7.
Bij besluit van 9 februari 2023 (besluit 4) heeft het Uwv bepaald dat de te veel betaalde uitkering binnen een termijn van zes weken moet worden terugbetaald.
1.8.
Bij beslissing op bezwaar van 13 december 2022 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen besluit 1 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat de WIAuitkering is geschorst omdat het vermoeden bestond dat er sprake was van een gefingeerd dienstverband bij [naam B.V.] . Dit vermoeden is gebaseerd op de melding van de FIOD en het verleden van appellante zoals dat bekend is bij het Uwv. De uitkering wordt geschorst totdat het onderzoek is afgerond.
1.9.
Bij beslissing op bezwaar van 31 juli 2023 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de besluiten 2, 3 en 4 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt onder meer ten grondslag dat appellante geen informatie heeft willen verstrekken over haar precieze werkzaamheden, zodat het Uwv ervan uitgaat dat appellante niet heeft gewerkt en geen privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft vervuld over de periode van 2 januari 2017 tot 2 december 2019. Volgens het Uwv is geen sprake van een dringende reden om af te zien van terug- en/of invordering.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank kon het Uwv uit alle feiten en omstandigheden afleiden dat geen sprake was van een gezagsverhouding tussen [naam B.V.] en appellante. De rechtbank heeft daarvoor redengevend geacht dat jarenlang sprake was van een onoverzichtelijk betalingsverkeer tussen beiden, waarin niet duidelijk is geworden welke verplichtingen er over en weer waren. Dit vormt volgens de rechtbank, mede gezien de familierelatie, een dermate grote aanwijzing voor het ontbreken van een gezagsverhouding, dat de overige factoren dit vermoeden niet weg kunnen nemen. Op basis van de geldstromen kon het Uwv concluderen dat appellante niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gewerkt bij [naam B.V.] , omdat er geen sprake was van een gezagsverhouding. Het Uwv heeft volgens de rechtbank de WIA-uitkering van appellante terecht beëindigd [lees: ingetrokken] en het ten onrechte betaalde teruggevorderd. Ook is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat er voldoende aanleiding was om de uitkering te schorsen, nu er een sterk vermoeden bestond dat appellante niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkte. Daarbij mocht het Uwv in die fase nog belang hechten aan de omschrijving van ongedateerde, afgeluisterde tapgesprekken, waaraan een vermoeden kon worden ontleend dat het recht op uitkering niet of niet meer bestond. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat appellante onevenredig wordt geraakt door terugvordering van het gehele bedrag. Omdat het Uwv met het verweerschrift het standpunt heeft verlaten dat appellante niet heeft aangetoond dat zij arbeid heeft verricht voor [naam B.V.] en zich op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake was van een gezagsverhouding en loonbetaling, heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellante en bepaald dat het Uwv het griffierecht aan appellante diende te vergoeden.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellante heeft de rechtbank op basis van geldstromen ten onrechte geconcludeerd dat er geen sprake zou zijn geweest van een gezagsverhouding. De rechtbank heeft de overige factoren die relevant zijn voor de gezagsverhouding ten onrechte niet kenbaar betrokken, althans niet besproken in haar overwegingen. Bovendien is onbegrijpelijk op grond waarvan de rechtbank en het Uwv menen dat sprake zou zijn van onoverzichtelijk betalingsverkeer tussen appellante en haar werkgever, zeker gelet op de toelichting die is gegeven en alle beschikbare (salaris)informatie uit het procesdossier. Appellante heeft er daarbij op gewezen dat de uitspraak van de rechtbank berust op overwegingen die niet door het Uwv ten grondslag zijn gelegd aan het bestreden besluit.
3.2.
Appellante heeft verder aangevoerd dat de rechtbank niet heeft toegelicht waaruit het sterke vermoeden bestond dat appellante niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot haar werkgever stond. De rechtbank heeft daartoe slechts overwogen dat het Uwv belang mocht hechten aan de omschrijving van ongedateerde, afgeluisterde tapgesprekken. Volgens appellante heeft het Uwv de schorsing bovendien ten onrechte laten voortduren.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft erkend dat het standpunt heeft verlaten dat appellante in het geheel niet heeft gewerkt. Benadrukt is dat het onderzoeksrapport van de afdeling handhaving integraal onderdeel uitmaakt van bestreden besluit 2 en dat uit het onderzoeksrapport blijkt dat het aantal vakantiedagen en het aantal uren dat appellante wekelijks via [naam B.V.] zou hebben gewerkt vragen oproept.

Het oordeel van de Raad

5.1.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Intrekking en terugvordering
5.2.
In hoger beroep is in de eerste plaats in geschil of het Uwv appellante terecht niet verzekerd heeft geacht voor de Wet WIA omdat geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
5.3.
Naar vaste rechtspraak is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake, als betrokkene werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst. [1] Artikel 7:610 van Pro het BW omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg aan de hand van de Haviltexmaatstaf [2] worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en moeten niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien. Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. [3]
5.4.
Verder is van belang dat volgens vaste rechtspraak het bestaan van een familierelatie in zijn algemeenheid niet aan het aannemen van een gezagsverhouding in de weg staat. Ook in die situatie dient het al dan niet bestaan van een gezagsverhouding beoordeeld te worden met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval. Als maatstaf voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding geldt of gezegd kan worden dat degene die arbeid verricht aan een zeker gezag is onderworpen van de wederpartij en dat laatstgenoemde bevoegd is om opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en de resultaten van het werk. De familierelatie is wel een element dat daarbij betrokken dient te worden. [4]
5.5.
Bij besluiten tot intrekking en terugvordering van socialezekerheidsuitkeringen, zoals hier aan de orde, gaat het om belastende besluiten, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. [5] Dit betekent dat het Uwv feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan tussen appellante en [naam B.V.] . Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat appellante ten tijde hier van belang niet werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst, dan ligt het op de weg van appellante de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.
5.6.
Met de nadere toelichting van het Uwv ter zitting op bestreden besluit 2 en het onderzoeksrapport van 8 december 2022 heeft het Uwv aannemelijk gemaakt dat tussen appellante en [naam B.V.] geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, omdat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een gezagsverhouding. De feiten en omstandigheden wijzen erop dat appellante als moeder van de eigenaar van [naam B.V.] op zodanige voorwaarden werkzaam was dat die afwijken van wat binnen een reguliere dienstbetrekking gangbaar is. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat appellante in de periode mei 2011 tot januari 2017 geen betaalde werkzaamheden heeft verricht en volgens de tussen [naam B.V.] en appellante gesloten arbeidsovereenkomst per 2 januari 2017 in dienst zou treden voor 38 uur per week. In werkelijkheid zou zij vanaf de start van haar werkzaamheden echter 50 uur per week hebben gewerkt en dus structureel twaalf uur per week hebben overgewerkt. Ter onderbouwing van haar standpunt dat zij wel degelijk heeft gewerkt, heeft appellante in beroep getuigenverklaringen overgelegd van opdrachtgevers (inleners) van [naam B.V.] . Wat deze getuigen over de aard van de door appellante verrichte werkzaamheden hebben verklaard, komt echter niet overeen met de werkzaamheden zoals omschreven in de arbeidsovereenkomst van appellante. Verder heeft het Uwv gewezen op het feit dat appellante in het jaar 2017 ruimschoots meer vakantie heeft genoten dan in een arbeidsovereenkomst gebruikelijk is. Reeds uit de (leesbare) paspoortstempels is immers gebleken dat zij in 2017 ruim twaalf weken in het buitenland verbleef en in 2018 ruim zeven weken. Onduidelijk is gebleven hoe appellante desondanks in staat zou zijn geweest gemiddeld 50 uur per week te werken. Uit de door haar overgelegde loonstroken blijkt bovendien dat de genoten vakantiedagen niet op het verlofsaldo in mindering werden gebracht. Dit heeft ertoe geleid dat zij bij de eindafrekening appellante in totaal 791,80 vakantie-uren uitbetaald heeft gekregen. Ook dit is niet in overeenstemming met dat wat binnen een arbeidsovereenkomst gebruikelijk is. Appellante is er niet in geslaagd om door middel van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat zij van 2 januari 2017 tot en met 29 november 2021 werkzaamheden in het kader van een arbeidsovereenkomst met [naam B.V.] heeft verricht vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding.
5.7.
Omdat het elementgezagsverhouding niet aannemelijk is geworden, heeft het Uwv terecht gesteld dat van een privaatrechtelijke dienstbetrekking geen sprake is. De overige gronden kunnen daarom onbesproken blijven. Nu geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, was het Uwv gehouden de WIAuitkering in te trekken en de onverschuldigd betaalde WIAuitkering terug te vorderen. Tegen de terugvordering van de aan haar betaalde WIAuitkering heeft appellante geen zelfstandige gronden aangevoerd, zodat dit onderdeel van het bestreden besluit 2 verder geen bespreking behoeft.
Schorsing
5.8.
In hoger beroep is in de tweede plaats in geschil of het Uwv de uitkering terecht heeft geschorst. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er destijds voldoende aanleiding was de WIAuitkering te schorsen. Volgens appellante heeft de rechtbank niet toegelicht waaruit op dat moment het sterke vermoeden bestond dat appellante niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot [naam B.V.] stond. De rechtbank heeft daartoe slechts overwogen dat het Uwv belang mocht hechten aan de omschrijving van ongedateerde, afgeluisterde tapgesprekken. Deze grond slaagt niet.
5.8.1.
De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat ten tijde van het nemen van het schorsingsbesluit een sterk vermoeden bestond dat appellante niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkte. Op dat moment was nog sprake van een lopend onderzoek door het Uwv, maar de themaonderzoeker had onder meer informatie van de FIOD ontvangen op grond waarvan het vermoeden bestond dat appellante niet op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam was via [naam B.V.] . Bovendien was appellante uitgenodigd voor een gesprek op 12 september 2022. Omdat appellante niet is verschenen en zij geen contact heeft opgenomen met de themaonderzoeker van het Uwv is zij vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op 3 oktober 2022. Ook op dat gesprek is appellante – zonder enig bericht – niet verschenen. Het Uwv heeft dan ook terecht de uitkering geschorst, om te voorkomen dat het (mogelijk) terug te vorderen bedrag verder zou oplopen.
5.9.
Voor zover appellante met haar stelling dat de schorsing onnodig lang heeft doorgelopen, heeft betoogd dat het intrekkingsbesluit te laat is genomen, wordt appellante daarin niet gevolgd. Uit de stukken blijkt dat het onderzoeksrapport op 8 december 2022 is afgerond. Het intrekkingsbesluit dateert van 6 februari 2023. Van een onredelijk laat besluit is geen sprake.

Conclusie en gevolgen

5.10.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, met verbetering van gronden. Dit betekent dat de schorsing, intrekking en terugvordering van de WIA-uitkering in stand blijft. Gelet op het voorgaande wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Gelet op het feit dat het bestreden besluit 2 pas in hoger beroep is voorzien van een toereikende onderbouwing, bestaat er aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. De kosten voor verleende rechtsbijstand worden begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-). Daarnaast dient het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht € 143,- te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.868,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en G.C. Boot en S.B. SmitColenbrander als leden, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) M.G.J. van Eck
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Ziektewet
Artikel 3
1. Werknemer is de natuurlijke persoon die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
(…)
Wet WIA
Artikel 8
1. Werknemer is de werknemer in de zin van de Ziektewet met uitzondering van de werknemer:
a. die zijn werknemerschap ontleent aan artikel 4, eerste lid, onderdeel g, van die wet, of
b. die de leeftijd, bedoeld in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt.
(…)
Artikel 67
1. (…)
2. Het Uwv schort de betaling van de uitkering op of schorst de betaling, indien het op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat:
a. het recht op uitkering niet of niet meer bestaat;
b. recht op een lagere uitkering bestaat;
c. de persoon, die recht heeft op een uitkering of zijn wettelijke vertegenwoordiger een verplichting als bedoeld in artikel 27, 28, 29 of 30 of een instelling als bedoeld in artikel 71 een Pro verplichting als bedoeld in artikel 27, niet of niet behoorlijk is nagekomen.
Artikel 76
1. Het Uwv herziet beschikkingen op grond van deze wet of trekt dergelijke beschikkingen in, indien:
a. als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van de artikelen 27 tot en met 32 en de daarop berustende bepalingen het recht op een uitkering op grond van deze wet niet of niet meer kan worden vastgesteld of ten onrechte is vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld;
b. de verstrekking van een voorziening als bedoeld in artikel 34a, eerste lid, of 35 ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
(…)
3. Indien daarvoor dringende redenen zijn, kan het Uwv geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien.
Artikel 77
1. Een uitkering die op grond van deze wet alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald en hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 76 door Pro het Uwv onverschuldigd is betaald of verstrekt wordt door het Uwv teruggevorderd.
6. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uwv besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld CRvB 15 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1785.
2.HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex).
3.HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746 (Participatieplaats) en HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443 (Deliveroo).
4.Zie o.a. CRvB 24 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:252 en CRvB 6 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2182.
5.Zie o.a. CRvB 17 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1479.