4.2.Appellant heeft aangevoerd dat het college geen gebruik mocht maken van de bevoegdheid om de intrekking in bezwaar te handhaven. Ten eerste betoogt appellant daartoe het volgende. Hangende het bezwaar is volgens hem vast komen te staan dat hij nog steeds recht op bijstand had. Appellant heeft in bezwaar de gevraagde bankgegevens alsnog ingeleverd. Op basis van die gegevens kan worden vastgesteld dat appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Uit de ingeleverde bankgegevens kan verder worden afgeleid dat appellant vrijwel uitsluitend in [woonplaats] pinde. Daarmee heeft appellant aannemelijk gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf in [woonplaats] had. Het recht op bijstand kon dus niet uitsluitend worden vastgesteld door middel van een huisbezoek. Dit volgt bovendien uit het feit dat het college per 16 mei 2022 bijstand aan appellant heeft toegekend zonder dat een huisbezoek is afgelegd. Appellant kan over de periode vanaf de intrekking tot de datum van de nieuwe aanvraag in beginsel geen bijstand meer krijgen, terwijl hij wel in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Dat belang weegt zwaarder dan het belang van het college bij handhaving van de intrekking. Appellant verwijst naar een uitspraak van de Raad van 25 april 2023.Ten tweede, voor zover nog niet vaststond dat appellant na opschorting nog steeds recht op bijstand had en het college daar nog over twijfelde, stelt hij zich op het volgende standpunt. Het college had in dat geval ten behoeve van een zorgvuldige belangenafweging nader onderzoek moeten doen naar zijn recht op bijstand en heeft dat ten onrechte nagelaten. Artikel 54, vierde lid, van de PW is een belastend besluit. Dat betekent volgens appellant ook dat het college aannemelijk moet maken dat er geen recht op bijstand bestond. Het college kan de intrekking na opschorting niet handhaven als bij de heroverweging slechts twijfel over het recht op bijstand bestond. Deze beroepsgronden slagen niet. Daarbij is het volgende van betekenis.
4.2.1.De bijstandverlenende instantie is bevoegd het recht op bijstand in te trekken met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW als de betrokkene het bij het opschortingsbesluit vastgestelde verzuim niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft hersteld.
4.2.2.De Raad stelt voorop dat het aan de opschorting en daarop volgende intrekking ten grondslag gelegde verzuim betrof het niet verschijnen op de gesprekken van 31 januari 2022 en 7 februari 2022 en niet het niet overleggen van bankgegevens.
4.2.3.Vaststaat dat appellant verwijtbaar verzuimd heeft op de gesprekken te verschijnen en daardoor de medewerkingsverplichting heeft geschonden. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW. Het college was daarom bevoegd de bijstand met het besluit van 8 februari 2022 met ingang van 1 februari 2022 in te trekken.
4.2.4.Gelet op de aard van de hier aan de orde zijnde – discretionaire – bevoegdheid moet de bijstandverlenende instantie bij het besluit tot intrekking, maar ook bij de keuze om de intrekking na bezwaar te handhaven, een belangenafweging maken. Dat is niet anders als het verweten verzuim op het moment van de heroverweging nog steeds niet is hersteld en/of naar de aard van het verzuim niet hersteld kan worden. Bij een belangenafweging moeten in beginsel alle rechtstreeks bij een besluit betrokken belangen worden afgewogen. Dat volgt ook uit artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit de aard van de bevoegdheid tot handhaving van de intrekking vloeit voor zo een belangenafweging geen beperking voort. De gevolgen van het besluit om de intrekking te handhaven, mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Dit volgt uit artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.
4.2.5.Anders dan appellant lijkt te betogen rust op het college bij de belangenafweging die bij de heroverweging van een intrekking na opschorting moet plaatsvinden en de daaraan voorafgaande inventarisatie van de daarbij te betrekken belangen, niet de bewijslast en daarmee gepaard gaande onderzoeksplicht om aannemelijk te maken dat de betrokkene na opschorting geen recht op bijstand had. Het gaat hier ook niet om een intrekking van bijstand op grond van artikel 54, derde lid, van de PW.
4.2.6.Het college moet wel op basis van de op het moment van de heroverweging voorhanden zijnde gegevens beoordelen of op dat moment vaststaat dat de betrokkene na opschorting tot het moment van intrekking nog recht op bijstand had. Dat is een bij de belangenafweging als hier aan de orde relevant gegeven dat het college daarbij moet betrekken. In voorkomende gevallen wordt dit beoordeeld met in achtneming van alsnog aangeleverde gegevens en na het in zoverre alsnog herstellen van het bij de intrekking verweten verzuim. De betrokkene kan echter ook aanvullende feiten en omstandigheden stellen en aannemelijk maken.Als vaststaat dat betrokkene nog recht op bijstand had, moet dat feit vanwege het vangnetkarakter van de bijstand en gelet op het uitgangspunt dat bijstand in beginsel niet met terugwerkende kracht wordt toegekend, als een voor de betrokkene zwaarwegend gegeven betrokken worden bij de belangenafweging. Om in dat geval tot een evenwichtige belangenafweging te komen, moet de bijstandverlenende instantie tegenover dat zwaarwegende belang van de betrokkene dan een eigen zwaarwegend belang bij handhaving van de intrekking stellen. Dit volgt uit eerdere rechtspraak.Als het recht op bijstand niet vaststaat heeft de bijstandverlenende instantie een zwaarwegend belang bij handhaving van de intrekking na opschorting, omdat het de plicht heeft bijstand te verlenen aan enkel diegenen die in bijstandbehoevende omstandigheden verkeren. In dat geval moet de betrokkene daartegenover een zwaarwegend belang stellen. Dit heeft de Raad ook eerder overwogen.
4.2.7.Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat gelet op de beschikbare gegevens, zoals die ten tijde van bestreden besluit 1 bekend waren, niet vaststond dat appellant na opschorting en tot de intrekking nog recht op bijstand had. Er waren – ook na het meenemen van de alsnog ingeleverde bankafschriften – voldoende aanknopingspunten voor het college om over die periode aan de door appellant opgegeven woonsituatie te twijfelen. Het college had recent een melding van de gemeente Wijdemeren ontvangen dat appellant tijdens een huisbezoek kort voordat appellant werd uitgenodigd voor gesprekken op 31 januari 2022 en 7 februari 2022 was aangetroffen op het woonadres van zijn
ex-partner die op dat moment zwanger was van het kind van appellant. Door vervolgens zonder bericht van verhindering niet op die gesprekken te verschijnen, heeft appellant de bij het college bestaande twijfel verder versterkt. Ook de verklaringen die appellant tijdens de hoorzitting in bezwaar en tijdens een gesprek in het kader van de toegewezen tweede bijstandsaanvraag heeft gegeven voor het niet verschijnen op de gespreksoproepen hebben daaraan bijgedragen. Zo heeft appellant verklaard dat hij in die periode bij een vriend in [plaatsnaam 1] verbleef in het kader van een reünie met mensen die hij kent van het AZC, dat hij af en toe bij de moeder van zijn kind in [plaatsnaam 2] verbleef omdat zij een lastige zwangerschap had en dat hij ten tijde van de gesprekken twee weken buiten [woonplaats] verbleef.
4.2.8.Het enkele feit dat uit de ingeleverde bankafschriften blijkt dat appellant na opschorting tot het moment van intrekking voornamelijk in [woonplaats] pinde, is in het licht van de in 4.2.7 genoemde feiten en omstandigheden en de door appellant gegeven verklaringen onvoldoende om de twijfel over de woon- en leefsituatie van appellant weg te nemen.
4.2.9.Ook uit de enkele omstandigheid dat appellant op een later moment, in het kader van de tweede aanvraag, wel op een gesprek is verschenen en een verklaring over zijn woonsituatie heeft afgelegd en het gegeven dat het college deze aanvraag daarop zonder voorafgaand huisbezoek heeft toegekend, volgt niet dat vaststaat dat appellant ook daarvoor, na de opschorting en tot de intrekking, recht op bijstand had. Door niet te verschijnen op de gesprekken van 31 januari 2022 en 7 februari 2022 heeft appellant nu juist het college de mogelijkheid ontnomen om op dat moment onderzoek te doen naar zijn woonsituatie op het uitkeringsadres.