Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:521

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
23/2182 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 PWArt. 54 PWArt. 3:4 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand na opschorting wegens niet verschijnen op gesprekken

Appellant ontving bijstand sinds oktober 2020. Na een melding over zijn verblijf bij zijn ex-partner startte het college een onderzoek en sommeerde appellant voor gesprekken, waarop hij niet verscheen. Het college schortte de bijstand op en trok deze later in wegens het niet verschijnen op gesprekken en het niet verstrekken van gevraagde gegevens.

Appellant deed een nieuwe aanvraag, maar verscheen wederom niet op gesprekken, waarna het college de aanvraag afwees wegens schending van de medewerkingsverplichting. Appellant stelde dat hij recht had op bijstand en dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond.

De Raad oordeelt dat het college terecht de intrekking handhaafde, omdat het verzuim niet was hersteld en het college een belangenafweging maakte zonder de bewijslast te dragen dat appellant geen recht had op bijstand. De afwijzing van de aanvraag is eveneens terecht, omdat appellant niet aan zijn medewerkingsverplichting voldeed. Wel kent de Raad een schadevergoeding van €500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand en de afwijzing van de aanvraag worden bevestigd; appellant krijgt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

23/2182 PW, 23/2183 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
20 juni 2023, 22/4760 en 22/5676 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 14 april 2026

SAMENVATTING

In deze zaken gaat het om een intrekking van bijstand na een eerdere opschorting en de afwijzing van een aanvraag om bijstand.
Aan de intrekking na opschorting heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant verzuimd heeft te verschijnen op gesprekken waarvoor hij was opgeroepen. Volgens appellant had het college in bezwaar bij afweging van de betrokken belangen de intrekking niet mogen handhaven, omdat er sprake is van een zwaarwegend belang aan zijn zijde. Volgens appellant kon in bezwaar worden vastgesteld dat hij na opschorting nog recht op bijstand had, althans had het college daarnaar nader onderzoek moeten doen. Appellant krijgt hierin geen gelijk. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het college de intrekking mocht handhaven, ook nadat appellant in bezwaar de gevraagde gegevens alsnog had verstrekt. Op grond van die gegevens alleen stond namelijk nog niet vast dat appellant na opschorting nog recht op bijstand had. Daarom had juist het college een zwaarwegend belang bij handhaving van de intrekking. Het besluit tot intrekking getuigt dan ook niet van een onevenwichtige belangenafweging.
Aan de afwijzing van de aanvraag heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant, door niet te verschijnen op meerdere gespreksoproepen, de medewerkingsverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Wat appellant aanvoert over de afwijzing van de aanvraag komt erop neer dat het hem niet kan worden verweten dat hij geen gehoor heeft gegeven aan de laatste gespreksoproep, omdat hij die oproep niet heeft ontvangen. Verder blijkt volgens appellant uit de latere toekenning van bijstand dat hij ook in de hier te beoordelen periode recht op bijstand heeft. Hierin krijgt appellant ook geen gelijk.
Wel kent de Raad appellant een schadevergoeding toe van € 500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om schadevergoeding ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 maart 2026. Voor appellant is mr. Kramer verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kisoentewari.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontving sinds 1 oktober 2020 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Het college heeft op 17 december 2021 van de gemeente Wijdemeren een melding ontvangen dat appellant tijdens een huisbezoek is aangetroffen bij zijn ex-partner die zwanger bleek te zijn van het tweede kind van haar en appellant. Naar aanleiding van deze melding heeft een handhavingsspecialist van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In het kader van dit onderzoek heeft de handhavingsspecialist appellant met een brief van 27 januari 2022 opgeroepen voor een gesprek op 31 januari 2022. Daarbij heeft de handhavingsspecialist appellant ook gevraagd gegevens mee te nemen, waaronder bankafschriften. Appellant is niet op het gesprek verschenen en heeft de gevraagde gegevens niet verstrekt.
1.3.
Met een besluit van 31 januari 2022 (opschortingsbesluit) heeft het college het recht op bijstand met ingang van 31 januari 2022 opgeschort. Daarbij heeft het college appellant opgeroepen voor een gesprek op 7 februari 2022 en hem opnieuw in de gelegenheid gesteld de gevraagde gegevens mee te nemen. Appellant is ook op dit gesprek niet verschenen en heeft de gevraagde gegevens nog steeds niet verstrekt.
1.4.
Met een besluit van 8 februari 2022 (besluit 1), na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 24 augustus 2022 (bestreden besluit 1), heeft het college de bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW ingetrokken met ingang van 1 februari 2022. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant verzuimd heeft te verschijnen op de gesprekken waarvoor hij was opgeroepen.
1.5.
Appellant heeft op 15 maart 2022 een aanvraag om bijstand op grond van de PW gedaan. Het college heeft appellant met een brief van 4 april 2022 om inlichtingen verzocht. Appellant heeft bankafschriften ingeleverd en een toelichting hierop gegeven. Het college heeft appellant telefonisch en met een e-mailbericht van 22 april 2022 opgeroepen voor een gesprek op 28 april 2022 om 10.00 uur. Appellant is niet verschenen. Wel heeft hij drie kwartier later gebeld om te zeggen dat hij zich had verslapen. Met een brief van 28 april 2022 heeft het college appellant opnieuw opgeroepen voor een gesprek op 2 mei 2022. Appellant is zonder bericht van verhindering ook op die oproeping niet verschenen.
1.6.
Het college heeft de aanvraag met een besluit van 9 mei 2022 (besluit 2), na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 14 oktober 2022 (bestreden besluit 2), afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant, door herhaaldelijk niet naar aanleiding van de oproepen op gesprek te verschijnen, de medewerkingsverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
1.7.
Naar aanleiding van een nieuwe aanvraag (tweede aanvraag) om bijstand heeft het college met een besluit van 31 mei 2022 bijstand aan appellant toegekend met ingang van 16 mei 2022.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard en daarmee die besluiten in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de intrekking van bijstand en de afwijzing van de aanvraag in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Intrekking na opschorting
4.1.
Het gaat in hoger beroep alleen over de (uitoefening van de) bevoegdheid van het college om de bijstand van appellant na opschorting van het recht op bijstand met ingang van 1 februari 2022 in te trekken. Appellant heeft tegen de opschorting van het recht op bijstand namelijk geen bezwaar gemaakt.
4.2.
Appellant heeft aangevoerd dat het college geen gebruik mocht maken van de bevoegdheid om de intrekking in bezwaar te handhaven. Ten eerste betoogt appellant daartoe het volgende. Hangende het bezwaar is volgens hem vast komen te staan dat hij nog steeds recht op bijstand had. Appellant heeft in bezwaar de gevraagde bankgegevens alsnog ingeleverd. Op basis van die gegevens kan worden vastgesteld dat appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Uit de ingeleverde bankgegevens kan verder worden afgeleid dat appellant vrijwel uitsluitend in [woonplaats] pinde. Daarmee heeft appellant aannemelijk gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf in [woonplaats] had. Het recht op bijstand kon dus niet uitsluitend worden vastgesteld door middel van een huisbezoek. Dit volgt bovendien uit het feit dat het college per 16 mei 2022 bijstand aan appellant heeft toegekend zonder dat een huisbezoek is afgelegd. Appellant kan over de periode vanaf de intrekking tot de datum van de nieuwe aanvraag in beginsel geen bijstand meer krijgen, terwijl hij wel in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Dat belang weegt zwaarder dan het belang van het college bij handhaving van de intrekking. Appellant verwijst naar een uitspraak van de Raad van 25 april 2023. [1] Ten tweede, voor zover nog niet vaststond dat appellant na opschorting nog steeds recht op bijstand had en het college daar nog over twijfelde, stelt hij zich op het volgende standpunt. Het college had in dat geval ten behoeve van een zorgvuldige belangenafweging nader onderzoek moeten doen naar zijn recht op bijstand en heeft dat ten onrechte nagelaten. Artikel 54, vierde lid, van de PW is een belastend besluit. Dat betekent volgens appellant ook dat het college aannemelijk moet maken dat er geen recht op bijstand bestond. Het college kan de intrekking na opschorting niet handhaven als bij de heroverweging slechts twijfel over het recht op bijstand bestond. Deze beroepsgronden slagen niet. Daarbij is het volgende van betekenis.
4.2.1.
De bijstandverlenende instantie is bevoegd het recht op bijstand in te trekken met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW als de betrokkene het bij het opschortingsbesluit vastgestelde verzuim niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft hersteld.
4.2.2.
De Raad stelt voorop dat het aan de opschorting en daarop volgende intrekking ten grondslag gelegde verzuim betrof het niet verschijnen op de gesprekken van 31 januari 2022 en 7 februari 2022 en niet het niet overleggen van bankgegevens.
4.2.3.
Vaststaat dat appellant verwijtbaar verzuimd heeft op de gesprekken te verschijnen en daardoor de medewerkingsverplichting heeft geschonden. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW. Het college was daarom bevoegd de bijstand met het besluit van 8 februari 2022 met ingang van 1 februari 2022 in te trekken.
4.2.4.
Gelet op de aard van de hier aan de orde zijnde – discretionaire – bevoegdheid moet de bijstandverlenende instantie bij het besluit tot intrekking, maar ook bij de keuze om de intrekking na bezwaar te handhaven, een belangenafweging maken. Dat is niet anders als het verweten verzuim op het moment van de heroverweging nog steeds niet is hersteld en/of naar de aard van het verzuim niet hersteld kan worden. Bij een belangenafweging moeten in beginsel alle rechtstreeks bij een besluit betrokken belangen worden afgewogen. Dat volgt ook uit artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit de aard van de bevoegdheid tot handhaving van de intrekking vloeit voor zo een belangenafweging geen beperking voort. De gevolgen van het besluit om de intrekking te handhaven, mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Dit volgt uit artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.
4.2.5.
Anders dan appellant lijkt te betogen rust op het college bij de belangenafweging die bij de heroverweging van een intrekking na opschorting moet plaatsvinden en de daaraan voorafgaande inventarisatie van de daarbij te betrekken belangen, niet de bewijslast en daarmee gepaard gaande onderzoeksplicht om aannemelijk te maken dat de betrokkene na opschorting geen recht op bijstand had. Het gaat hier ook niet om een intrekking van bijstand op grond van artikel 54, derde lid, van de PW.
4.2.6.
Het college moet wel op basis van de op het moment van de heroverweging voorhanden zijnde gegevens beoordelen of op dat moment vaststaat dat de betrokkene na opschorting tot het moment van intrekking nog recht op bijstand had. Dat is een bij de belangenafweging als hier aan de orde relevant gegeven dat het college daarbij moet betrekken. In voorkomende gevallen wordt dit beoordeeld met in achtneming van alsnog aangeleverde gegevens en na het in zoverre alsnog herstellen van het bij de intrekking verweten verzuim. De betrokkene kan echter ook aanvullende feiten en omstandigheden stellen en aannemelijk maken. [2] Als vaststaat dat betrokkene nog recht op bijstand had, moet dat feit vanwege het vangnetkarakter van de bijstand en gelet op het uitgangspunt dat bijstand in beginsel niet met terugwerkende kracht wordt toegekend, als een voor de betrokkene zwaarwegend gegeven betrokken worden bij de belangenafweging. Om in dat geval tot een evenwichtige belangenafweging te komen, moet de bijstandverlenende instantie tegenover dat zwaarwegende belang van de betrokkene dan een eigen zwaarwegend belang bij handhaving van de intrekking stellen. Dit volgt uit eerdere rechtspraak. [3] Als het recht op bijstand niet vaststaat heeft de bijstandverlenende instantie een zwaarwegend belang bij handhaving van de intrekking na opschorting, omdat het de plicht heeft bijstand te verlenen aan enkel diegenen die in bijstandbehoevende omstandigheden verkeren. In dat geval moet de betrokkene daartegenover een zwaarwegend belang stellen. Dit heeft de Raad ook eerder overwogen. [4]
4.2.7.
Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat gelet op de beschikbare gegevens, zoals die ten tijde van bestreden besluit 1 bekend waren, niet vaststond dat appellant na opschorting en tot de intrekking nog recht op bijstand had. Er waren – ook na het meenemen van de alsnog ingeleverde bankafschriften – voldoende aanknopingspunten voor het college om over die periode aan de door appellant opgegeven woonsituatie te twijfelen. Het college had recent een melding van de gemeente Wijdemeren ontvangen dat appellant tijdens een huisbezoek kort voordat appellant werd uitgenodigd voor gesprekken op 31 januari 2022 en 7 februari 2022 was aangetroffen op het woonadres van zijn
ex-partner die op dat moment zwanger was van het kind van appellant. Door vervolgens zonder bericht van verhindering niet op die gesprekken te verschijnen, heeft appellant de bij het college bestaande twijfel verder versterkt. Ook de verklaringen die appellant tijdens de hoorzitting in bezwaar en tijdens een gesprek in het kader van de toegewezen tweede bijstandsaanvraag heeft gegeven voor het niet verschijnen op de gespreksoproepen hebben daaraan bijgedragen. Zo heeft appellant verklaard dat hij in die periode bij een vriend in [plaatsnaam 1] verbleef in het kader van een reünie met mensen die hij kent van het AZC, dat hij af en toe bij de moeder van zijn kind in [plaatsnaam 2] verbleef omdat zij een lastige zwangerschap had en dat hij ten tijde van de gesprekken twee weken buiten [woonplaats] verbleef.
4.2.8.
Het enkele feit dat uit de ingeleverde bankafschriften blijkt dat appellant na opschorting tot het moment van intrekking voornamelijk in [woonplaats] pinde, is in het licht van de in 4.2.7 genoemde feiten en omstandigheden en de door appellant gegeven verklaringen onvoldoende om de twijfel over de woon- en leefsituatie van appellant weg te nemen.
4.2.9.
Ook uit de enkele omstandigheid dat appellant op een later moment, in het kader van de tweede aanvraag, wel op een gesprek is verschenen en een verklaring over zijn woonsituatie heeft afgelegd en het gegeven dat het college deze aanvraag daarop zonder voorafgaand huisbezoek heeft toegekend, volgt niet dat vaststaat dat appellant ook daarvoor, na de opschorting en tot de intrekking, recht op bijstand had. Door niet te verschijnen op de gesprekken van 31 januari 2022 en 7 februari 2022 heeft appellant nu juist het college de mogelijkheid ontnomen om op dat moment onderzoek te doen naar zijn woonsituatie op het uitkeringsadres.
4.3.
Gelet op wat in 4.2.7 tot en met 4.2.9 is overwogen is van een situatie en zwaarwegend belang van appellant als bedoeld in 4.2.6 geen sprake. Omdat niet vaststaat dat appellant na opschorting nog recht op bijstand had, had het college daarom een zwaarwegend belang bij handhaving van de intrekking. Omdat appellant daartegenover geen andere in aanmerking te nemen belangen heeft gesteld, getuigt bestreden besluit 1, waarbij de intrekking van de bijstand van appellant is gehandhaafd, dan ook niet van een onevenwichtige belangenafweging.
Afwijzing aanvraag
4.4.
Bestreden besluit 2 wordt getoetst voor de periode van 15 maart 2022, de datum waarop appellant bijstand heeft aangevraagd, tot en met 9 mei 2022, de datum van besluit 2.
4.4.1.
Vaststaat dat appellant niet is verschenen op de gesprekken van 28 april 2022 en 2 mei 2022. Appellant heeft, net als in beroep, aangevoerd dat hij de oproep van 28 april 2022 voor het gesprek op 2 mei 2022 niet heeft ontvangen. Voor zover hij daarmee heeft willen aanvoeren dat hij de medewerkingsverplichting niet, of niet verwijtbaar heeft geschonden, slaagt deze beroepsgrond niet.
4.4.2.
Op iemand die bijstand aanvraagt zijn vanaf het moment dat hij zich heeft gemeld voor de aanvraag de inlichtingenverplichting en de medewerkingsverplichting van artikel 17, eerste en tweede lid, van de PW van toepassing. Als het college aannemelijk maakt dat een aanvrager de inlichtingen- of medewerkingsverplichting heeft geschonden, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag als daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
4.4.3.
De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank dat aannemelijk is dat de oproepingsbrief van 28 april 2022 bij eiser is bezorgd. Als toelichting verwijst de Raad naar de hierna in 4.4.4 weergegeven overwegingen van de rechtbank en neemt die over, waarbij voor “eiser” appellant moet worden gelezen.
4.4.4.
De rechtbank heeft op dit punt het volgende overwogen:
“Verder is het naar oordeel van de rechtbank aannemelijk dat de uitnodigingsbrief van 28 april 2022 bij eiser is bezorgd. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat, als de geadresseerde van een niet-aangetekend verzonden brief stelt deze brief niet te hebben ontvangen, het aan het bestuursorgaan is om aannemelijk te maken dat deze brief wel op het adres van eiser is ontvangen. Het in een brievenbus deponeren van een brief wordt voor de toepassing van artikel 3:41 van Pro de Awb gelijkgesteld met een niet-aangetekende verzending per post. Bij betwisting van de deponering is het aan verweerder om aannemelijk te maken dat de brief daadwerkelijk is bezorgd. In het dossier bevindt zich een door de handhavingsspecialist op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend rapport van 2 mei 2022. In dit rapport is onder meer vermeld dat de handhavingsspecialist op donderdag 28 april 2022, omstreeks 10:20 uur voornoemde uitnodigingsbrief persoonlijk in de brievenbus van het opgegeven uitkeringsadres heeft gedeponeerd. Aan een op ambtsbelofte opgemaakt rapport komt in de bewijswaardering doorgaans belangrijke betekenis toe. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het rapport aannemelijk heeft gemaakt dat de uitnodigingsbrief van 28 april 2022 op eisers opgegeven woonadres is gedeponeerd. De enkele stelling van eiser dat hij de tweede uitnodigingsbrief niet heeft ontvangen is onvoldoende om dat wat in het rapport over de persoonlijke bezorging is vermeld voor onjuist te houden.”
4.4.5.
Appellant heeft ook in het kader van de afwijzing van de aanvraag verder aangevoerd dat hem met ingang van 16 mei 2022 bijstand is toegekend en dat het college in dat kader zonder het afleggen van een huisbezoek heeft vastgesteld dat hij op het opgegeven adres verbleef. Hieruit volgt dat het college ook de in geding zijnde aanvraag om bijstand had moeten honoreren. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
4.4.6.
De toekenning van bijstand per 16 mei 2022 ziet op een andere periode dan de periode die hier voorligt en de situatie was wezenlijk anders. Anders dan ten tijde van de aanvraag die hier voorligt heeft appellant voorafgaand aan het toekenningsbesluit van 31 mei 2022 namelijk wel volledig meegewerkt aan het rechtmatigheidsonderzoek van het college, onder meer door gehoor te geven aan de oproep om op 23 mei 2022 op gesprek te verschijnen. Uit onder andere de door appellant aangeleverde stukken in samenhang met de verklaring van appellant op 23 mei 2022 bleek op dat moment niet langer van feiten of omstandigheden die het college deden twijfelen aan de woonsituatie van appellant. Er heeft daarom geen huisbezoek plaatsgevonden in het kader van de aanvraag van 17 mei 2022.
4.4.7.
Door niet op de afspraken waarvoor hij was opgeroepen te verschijnen heeft appellant de op hem rustende medewerkingsverplichting geschonden. Bovendien heeft appellant het college daarmee de mogelijkheid ontnomen om vast te stellen wat de woon- en leefsituatie op het uitkeringsadres was, bijvoorbeeld door het afleggen van een onaangekondigd huisbezoek aansluitend aan het gesprek. Omdat de woonsituatie van appellant niet kon worden vastgesteld, kon ook het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
5. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
5.1.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden.
5.2.
Vastgesteld wordt dat de redelijke termijn in de aanvraagzaak (23/2183 PW) niet is overschreden. Wat de intrekkingszaak (23/2182 PW) betreft zijn vanaf de indiening van het bezwaarschrift van appellant op 16 maart 2022 tot de datum van deze uitspraak vier jaar en (afgerond) één maand verstreken. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met één maand overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 500,-. Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar minder dan een half jaar geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is geschonden. Daarom zal de Staat worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 500,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de intrekking en de afwijzing van de aanvraag in stand blijven.

Verzoek om schadevergoeding

7. Appellant krijgt een schadevergoeding tot een bedrag van € 500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Proceskosten en griffierecht

8. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant van het college geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
8.1.
In verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bestaat aanleiding de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellant ter zake van dat verzoek. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt voor het indienen van het schadeverzoek, met een waarde per punt van € 934,- en met een wegingsfactor van 0,5).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van schade aan appellant tot een bedrag van € 500,-;
  • veroordeelt de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal als voorzitter en W.F. Claessens en C. Karman als leden, in tegenwoordigheid van R.R. Olde Engberink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026.
(getekend) E.C.E. Marechal
(getekend) R.R. Olde Engberink

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Participatiewet
Artikel 17, eerste lid
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 17, tweede lid
De belanghebbende verleent het college desgevraagd de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
Artikel 54, eerste lid
Indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten:
a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of
b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.
Artikel 54, derde lid
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
Artikel 54, vierde lid
Als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4
1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Voetnoten

2.Vergelijk de uitspraak van 25 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:321.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:679.
4.Zie de uitspraak van 25 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:321.