Appellante ontving bijstand sinds 2013 en werd in januari 2020 door de gemeente Rotterdam uitgenodigd voor een gesprek en het aanleveren van financiële gegevens. Zij verscheen niet en leverde de gevraagde stukken niet tijdig aan, waarop het college het recht op bijstand opschortte en vervolgens introk.
Tijdens de bezwaarprocedure overhandigde appellante alsnog de gevraagde stukken en vroeg opnieuw bijstand aan, die vanaf 17 februari 2020 werd toegekend. Het college handhaafde echter het besluit tot intrekking, wat door de rechtbank werd bevestigd.
De Raad oordeelde dat het college bevoegd was de bijstand op te schorten en in te trekken wegens het niet tijdig aanleveren van gegevens. Echter, het college had bij de beslissing tot handhaving van de intrekking geen belangenafweging gemaakt, terwijl appellante inmiddels de gevraagde gegevens had ingediend en nog steeds bijstandbehoevend was.
De Raad stelde dat bij de belangenafweging alle relevante belangen betrokken moeten worden, waaronder het belang van appellante om bijstand te ontvangen over de periode van intrekking. Omdat het college geen zwaarwegend belang had aangetoond om de intrekking te handhaven, vernietigde de Raad het besluit en herstelde het recht op bijstand vanaf 20 januari 2020.
Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellante.