Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:579

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
20/3274 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:88 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in WIA-hoger beroep

Appellante stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV inzake de WIA. Tijdens de procedure nam het UWV een gewijzigde beslissing op bezwaar die tegemoetkwam aan de bezwaren van appellante, waarna zij het hoger beroep introk en verzocht om proceskostenvergoeding en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De Raad oordeelde dat het UWV de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep moest vergoeden, inclusief kosten voor ingediende medische rapporten. Tevens werd vastgesteld dat de totale procedure van ruim zes jaar de redelijke termijn van vier jaar aanzienlijk overschreed, wat leidde tot een schadevergoeding van €3.000,-.

De vergoeding werd verdeeld tussen het UWV en de Staat, waarbij het UWV een klein deel betaalde en de Staat het grootste deel. Daarnaast werden beide partijen veroordeeld tot betaling van proceskosten voor het verzoek om schadevergoeding. Het UWV moest ook het betaalde griffierecht vergoeden. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en is gebaseerd op eerdere jurisprudentie en wettelijke bepalingen.

Uitkomst: Het UWV en de Staat worden veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

20/3274 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 september 2020, 19/6098 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)
Datum uitspraak: 13 mei 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft het Uwv gevraagd of de tussenuitspraken van 17 juli 2025 over de vaststelling van de belastbaarheid in arbeid van werknemers met ME/CVS [1] aanleiding geven om in deze zaak tot een ander standpunt te komen.
Het Uwv heeft op 15 januari 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Appellante heeft tevens verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
Het Uwv heeft te kennen gegeven zich niet te verzetten tegen een veroordeling in de proceskosten, zoals door appellante is verzocht, en zich ten aanzien van de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn te refereren aan het oordeel van de Raad.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
Proceskosten
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 15 januari 2026 aan haar bezwaren tegemoet is gekomen.
Omdat het Uwv al heeft besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase moet de Raad alleen nog oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten.
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934,- per punt) en € 934,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, met een waarde van € 934,-), in totaal € 2.802,- voor verleende rechtsbijstand.
Ook de kosten die appellante heeft moeten maken voor de door haar ingediende rapporten van Cardiozorg, tot een bedrag van in totaal € 2.653,83 (inclusief omzetbelasting), komen voor vergoeding in aanmerking.
Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. [2]
Als een tegemoetkomend besluit is genomen, eindigt de redelijke termijn op het moment dat dit besluit is bekendgemaakt. [3]
Voor dit geval betekent dat het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellante op 12 april 2019 tot aan de bekendmaking van het besluit van 15 januari 2026 heeft de procedure zes jaar en ruim negen maanden geduurd. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met twee jaar en ruim negen maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 3.000,-.
Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv bijna zeven maanden geduurd en heeft de behandeling in de rechterlijke fase zes jaar en bijna twee maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van het Uwv onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. [4] Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 88,24 (1/34e deel van € 3.000,-) en de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 2.911,76 (33/34e deel van € 3.000,-).
Aanleiding bestaat het Uwv en de Staat ieder voor de helft te veroordelen in de proceskosten van appellante ter zake van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt met een waarde per punt van € 934,-, met wegingsfactor 0,5) voor het indienen van het verzoek, door de Staat en het Uwv elk voor de helft te betalen, dus ieder € 233,50. Het totale bedrag aan proceskosten dat het Uwv moet betalen komt hiermee uit op € 5.689,33.
Griffierecht
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 2.911,76;
- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een
bedrag van € 88,24;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de
proceskosten van appellante tot een bedrag van € 233,50;
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 5.689,33;
- bepaalt dat het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 178,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
(getekend) T. Dompeling
(getekend) M.G.J. van Eck

Voetnoten

2.Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
3.Zie de uitspraak van de Raad van 11 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:91.
4.HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.