Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:596

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
23/2802 BBZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:13 AwbArt. 4:14 AwbArt. 8:88 AwbArt. 6:162 BWArtikel 2.13 Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2021
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding wegens niet tijdig beslissen op Bbz-aanvraag ondanks overschrijding beslistermijn

Appellant diende op 28 januari 2022 een aanvraag in voor bijstand op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Het college reageerde pas na zes maanden inhoudelijk op deze aanvraag, ondanks meerdere herinneringen van appellant. Appellant vorderde vervolgens schadevergoeding wegens materiële en immateriële schade door het niet tijdig beslissen.

De rechtbank wees het verzoek af en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad overwoog dat de enkele overschrijding van de wettelijke beslistermijn van acht weken niet automatisch leidt tot onrechtmatig handelen. Hiervoor zijn bijkomende omstandigheden vereist die aantonen dat het bestuursorgaan in strijd met de zorgvuldigheid heeft gehandeld. In deze zaak ontbraken dergelijke omstandigheden.

Hoewel appellant stelde dat het college moedwillig handelde en onvoldoende oog had voor zijn kwetsbare positie, werden deze stellingen niet onderbouwd met bewijs. Het college had bovendien een dwangsom toegekend wegens de overschrijding. De Raad concludeerde dat het college na ontvangst van het aanvraagformulier op 24 augustus 2022 voortvarend heeft gehandeld en dat de overschrijding in redelijkheid aanvaardbaar was.

Het hoger beroep werd verworpen, waardoor de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding in stand bleef. Appellant kreeg geen vergoeding voor proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wegens het niet tijdig beslissen op de Bbz-aanvraag wordt afgewezen omdat geen sprake is van onrechtmatig handelen.

Uitspraak

23/2802 BBZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
23/2802 BBZ
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 september 2023, 22/4772 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk (college)
Datum uitspraak: 28 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de afwijzing door de rechtbank van een verzoek om schadevergoeding. Appellant stelt dat hij materiële en immateriële schade heeft geleden doordat het college te laat heeft beslist op zijn aanvraag om bijstand op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Volgens appellant heeft het college daarbij onrechtmatig gehandeld door, ondanks meerdere tussentijdse herinneringen van appellant, pas zes maanden nadat appellant zich had gemeld voor het aanvragen van bijstand, voor het eerst inhoudelijk op de melding te reageren. Appellant stelt dat het college hem hiermee moedwillig schade heeft willen toebrengen. De Raad komt tot het oordeel dat de rechtbank het verzoek om schadevergoeding terecht heeft afgewezen.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 februari 2026. Appellant heeft aan de zitting met een verbinding via video-bellen deelgenomen, bijgestaan door F.P. Yff, voormalig huisarts van appellant (huisarts), die eveneens met een verbinding via video-bellen heeft deelgenomen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M. Brands.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant had tussen 1994 en 2001 en tussen 2005 en 22 oktober 2014 een eenmanszaak onder de namen [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] (bedrijf). Appellant heeft het bedrijf op 22 oktober 2014 beëindigd en uitgeschreven bij het handelsregister van de kamer van koophandel (handelsregister). Sinds 27 december 2018 stond appellant opnieuw in het handelsregister ingeschreven en is hij op 1 januari 2019 opnieuw als zelfstandig ondernemer gestart.
1.2.
Appellant ontving in de periode van 22 oktober 2014 tot 1 februari 2022 algemene bijstand, laatstelijk op grond van Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.
Per 1 februari 2022 heeft het college de bijstand van appellant beëindigd.
1.3.
Op 28 januari 2022 heeft appellant een e-mailbericht, met als onderwerp “ [naam bedrijf 1] : NIEUW, Aanvraag Bbz 2004; overzicht maandelijkse kosten”, naar zijn klantmanager gestuurd, met de volgende inhoud:
“Geachte heer [X] en mevrouw [Y],
Laten wij het verleden achter ons laten en vanuit het hier en nu naar de toekomst gaan.
Aansluitend de u heden gestuurde e-mail berichten betreffende levensvatbaarheid bedrijf; aanvraag Bbz 2004, zend ik u in de bijlage, zie scan28012022_00000.pdf, verkort als volgt.
Mocht u n.a.v. bovenstaande nog vragen hebben, dan ben ik gaarne bereid u deze te beantwoorden.”
1.4.
Met e-mailberichten van 30 maart 2022, 25 april 2022, 25 mei 2022, 28 juni 2022, 7 juli 2022, 21 juli 2022 en 28 juli 2022 heeft appellant het college meegedeeld dat hij nog geen inhoudelijke reactie op zijn e-mailbericht van 28 januari 2022 heeft mogen ontvangen. In de voornoemde emailberichten van 7 juli 2022 en 28 juli 2022 heeft appellant het college tevens gewezen op door hem geleden en te lijden schade als gevolg van het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag van 28 januari 2022. Met het e-mailbericht van 25 mei 2022 heeft appellant het college ook nog in gebreke gesteld op de grond dat niet tijdig is beslist op zijn aanvraag.
1.5.
Op 28 juli 2022 heeft het college aan appellant een aanvraagformulier toegezonden. Appellant heeft het ingevulde aanvraagformulier op 24 augustus 2022 bij het college ingeleverd. Hij vraagt daarin algemene bijstand op grond van het Bbz 2004 aan.
1.6.
Met een besluit van 2 september 2022 heeft het college aan appellant meegedeeld dat het emailbericht van 25 mei 2022 is aangemerkt als een ingebrekestelling tegen het uitblijven van een besluit op het verzoek van 28 januari 2022 voor een uitkering op grond van het Bbz 2004 en aan appellant een dwangsom toegekend ter hoogte van het maximum dat hiervoor is bepaald volgens artikel 4:17 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb), zijnde een bedrag van € 1.442,-.
1.7.
Op 29 september 2022, 28 oktober 2022 en 8 december 2022 heeft het college aan appellant voorschotten verstrekt van telkens € 735,08 (in totaal dus € 2.205,24).
1.8.
Appellant heeft op 4 oktober 2022 de rechtbank verzocht om het college te veroordelen tot het vergoeden van door hem geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag om toekenning van bijstand op grond van het Bbz 2004. Het gaat om een totaal bedrag van € 179.611,94. Dit bedrag is neergelegd in een factuur van 28 juli 2022 van het bedrijf van appellant aan het college. Het betreft voor € 14.196,46 voor misgelopen uitkeringen in de periode van 28 januari 2022 tot en met september 2022 plus 4 uur à € 274 voor uitvoering claimkosten en € 134,243,16 voor emotionele schade vanwege lijden veroorzaakt door het college en verrekening mogelijk openstaande post vanwege inkomen uit arbeid periode jaren 2019 tot en met 2021, samen verhoogd met 21% BTW.
1.9.
Met een besluit van 12 december 2022 heeft het college de Bbz-aanvraag afgewezen.
1.10.
Met een besluit van 13 december 2022 heeft het college de aan appellant verstrekte voorschotten teruggevorderd.
1.11.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 december 2022 en het college daarbij verzocht om vergoeding van door hem geleden schade. Met een besluit van 24 mei 2023 heeft het college dat bezwaar ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Appellant heeft tegen het besluit van 24 mei 2023 geen beroep ingesteld.
Uitspraak van de rechtbank
2. Met de aangevallen uitspraak van 27 september 2023 heeft de rechtbank het in 1.8 genoemde verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, voor zover niet ook hieronder weergegeven, te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Het door de rechtbank afgewezen verzoek om uitstel
4.1.
Appellant heeft aangevoerd dat hij de rechtbank heeft verzocht om een nader uitstel van de behandeling van zijn zaak op 20 september 2023. Dat uitstel was volgens appellant nodig omdat hij nog nadere medische stukken wilde verzamelen en indienen. De rechtbank heeft volgens appellant ten onrechte zijn verzoek om een nader uitstel van de behandeling ter zitting niet ingewilligd, althans deze beslissing onvoldoende gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.1.1.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgebreid gemotiveerd waarom het laatste verzoek om uitstel van de behandeling op zitting niet is ingewilligd. De Raad ziet onvoldoende grondslag voor het oordeel dat de rechtbank in dit geval de behandeling van de zaak op 20 september 2023 niet mocht laten doorgaan. De Raad wijst daarbij op artikel 2.13, tweede en vierde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2021. Daarin staat vermeld dat een verzoek om uitstel van de behandeling ter zitting wordt ingewilligd indien daarom zo spoedig mogelijk schriftelijk, onder aanvoering van gewichtige redenen en tijdig, wordt verzocht, tenzij de bestuursrechter oordeelt dat zwaarder wegende belangen aan uitstel in de weg staan. Als zwaarder wegende belangen kunnen mede worden aangemerkt een voor de bestuursrechter geldende beslistermijn. De rechtbank had appellant al twee keer eerder, namelijk voor zittingen gepland op 12 april 2023 en 21 juni 2023, uitstel verleend. Met een brief van 14 juni 2023 heeft de rechtbank appellant laten weten bereid te zijn de behandeling met enige tijd uit te stellen. In die brief heeft de rechtbank appellant ook laten weten dat, in verband met de bewaking van de voortgang in deze kwestie, de zaak op een zitting in september 2023 of oktober van 2023 gepland zal gaan worden. Gelet hierop heeft appellant voldoende tijd en gelegenheid gehad om zich op de zitting voor te bereiden en relevante stukken te verzamelen en in te dienen. Nog los daarvan valt bovendien niet in te zien dat appellant in zijn belangen is geschaad. In hoger beroep heeft appellant namelijk alsnog medische stukken ingediend en heeft zijn voormalige huisarts ter zitting van de Raad een toelichting gegeven.
Omvang van het geding
4.2.1.
De omvang van het geding wordt in dit geval bepaald door het verzoek om vergoeding van schade zoals appellant dat op 4 oktober 2022 bij de rechtbank heeft ingediend. In dit verzoek heeft appellant verzocht om vergoeding van materiële en immateriële schade wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om bijstand op grond van het Bbz 2004 van 28 januari 2022. Het gaat dus om schade wegens het uitblijven van een besluit als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb. Het gaat dus niet om schade wegens het niet of te laat betalen van bijstand op grond van het Bbz 2004. Daar is ook geen grondslag voor. Immers, tegen het besluit waarmee de aanvraag om die bijstand is afgewezen, heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend, zodat dit besluit in rechte vaststaat en dus als rechtmatig heeft te gelden.
4.2.2.
Vaststaat dat het college niet tijdig heeft beslist op de aanvraag van appellant van 28 januari 2022. Gelet op 4.2.1 en op wat appellant heeft aangevoerd, moet worden beoordeeld of in dit geval het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag moet leiden tot schadevergoeding. Voor zover de gronden daar geen betrekking op hebben, zullen die niet worden besproken.
Het verzoek om vergoeding van schade als gevolg van het niet tijdig nemen van een besluit
4.3.1.
Appellant heeft zowel bij de rechtbank als in hoger beroep aangevoerd dat door hem materiële en immateriële schade is geleden doordat het college, ondanks meerdere tussentijdse herinneringen van appellant, pas na zes maanden, namelijk op 28 juli 2022, voor het eerst inhoudelijk reageerde op zijn melding van 28 januari 2022. Appellant stelt dat het college de aanvraag moedwillig heeft vertraagd, terwijl bij het college bekend was dat appellant een kwetsbaar persoon is. Dit, de onaardige, onzorgzame en begriploze houding van het college en de met het uitblijven van een besluit gepaard gaande onzekerheid hebben veel spanning en stress bij appellant veroorzaakt. Doordat appellant in die zes maanden geen inkomen had en hij geen financiële steun van het college heeft ontvangen is appellant bovendien financieel in de problemen gekomen. Appellant heeft in hoger beroep (medische) stukken overgelegd, waaronder een verklaring van de huisarts. De huisarts verklaart daarin onder meer dat appellant tot op heden de medische gevolgen ondervindt van het verkeersongeval dat hem, in 1975, op achtjarige leeftijd, is overkomen.
4.3.2.
Ter zitting van de Raad heeft de huisarts toegelicht dat de medische gevolgen van het verkeersongeval in 1975 vooral emotioneel en stress-gerelateerd zijn, maar dat appellant daar ook op cognitief vlak veel last van heeft. De in 4.3.1 beschreven bejegening van appellant door het college heeft een zeer negatieve invloed op het lijden van appellant. Die negatieve invloed wordt door het college niet, of in onvoldoende mate, gezien of erkend, aldus de huisarts.
4.4.1.
De Raad is van oordeel dat in de omstandigheden van dit geval geen aanleiding bestaat om het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van 28 januari 2022 als onrechtmatig aan te merken. Verder is de overschrijding van de beslistermijn in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid aanvaardbaar en niet onrechtmatig tegenover appellant. Hiervoor is het volgende van betekenis.
4.4.2.
Ingevolge artikel 4:13, eerste lid, van de Awb dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. Ingevolge artikel 4:13, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is de in het eerste lid bedoelde redelijke termijn in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, heeft gedaan. Nu de PW geen bepaling kent inzake de termijn waarbinnen op een aanvraag moet worden beslist, geldt als redelijke beslistermijn een periode van acht weken.
4.4.3.
In dit geval is de wettelijke beslistermijn met ruim acht maanden overschreden. Het college heeft wegens die overschrijding begin september 2022 de in 1.6 genoemde wettelijk verschuldigde dwangsom van € 1.442,- aan appellant toegekend.
4.4.4.
Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. [1] Voor vergoeding van schade op grond van een onrechtmatige overheidsdaad is gezien artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) vereist dat sprake is van een onrechtmatig daad, zoals hier een onrechtmatig besluit en dat een oorzakelijk verband aanwezig is tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade.
4.4.5.
Uit rechtspraak van de Hoge Raad [2] over de aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 van Pro het BW bij overschrijding van beslistermijnen volgt dat de enkele overschrijding van de wettelijke beslistermijn niet voldoende is voor het oordeel dat onrechtmatig wordt gehandeld. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig die meebrengen dat het bestuursorgaan, door pas na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn een besluit te nemen, in strijd handelt met de in het maatschappelijk verkeer jegens een belanghebbende in acht te nemen zorgvuldigheid. Daarbij kunnen onder meer van belang zijn de mate waarin de beslistermijn wordt overschreden, de oorzaak of oorzaken van de termijnoverschrijding, en de voor het bestuursorgaan kenbare belangen van de betrokken belanghebbenden. Dat uitgangspunt berust erop, dat die termijn in de eerste plaats ertoe strekt het bestuursorgaan met voortvarendheid te laten beslissen, en voor betrokkenen duidelijkheid te scheppen op welke termijn de beslissing is te verwachten. De wettelijke beslistermijn beoogt niet zonder meer om ook te beschermen tegen mogelijke schade die voor een belanghebbende kan ontstaan bij uitblijven van de beslissing binnen die termijn. Het gaat er om of de overschrijding van de beslistermijn in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid aanvaardbaar was (dat wil zeggen: niet onzorgvuldig was tegenover de betrokkenen). De Raad sluit zich aan bij deze rechtspraak van de Hoge Raad.
4.4.6.
Appellant heeft met e-mailberichten van 30 maart 2022, 25 april 2022 en 25 mei 2022, bij zijn klantmanager aangedrongen op het verkrijgen van een besluit op zijn aanvraag van 28 januari 2022. Pas in reactie op het e-mailbericht van 25 mei 2022 heeft de klantmanager op diezelfde dag met een emailbericht voor het eerst op deze e-mailberichten van appellant gereageerd. Daarin schrijft hij het volgende:
“Uit onze administratie blijkt niet dat u in januari 2022 een aanvraag voor BBZ heeft ingediend. Gezien onze gesprekken heeft u aangegeven zelf voldoende inkomsten heeft om in uw levensonderhoud te voorzien. Met andere woorden heeft dan ook geen toegevoegde waarde dat dat alsnog gaat doen.”
4.4.7.
Uit 4.4.6 volgt dat het college het in 1.3 weergegeven e-mailbericht van appellant van 28 januari 2022 aanvankelijk niet als aanvraag om bijstand had aangemerkt en na herhaaldelijk aandringen van appellant dat bericht alsnog als een aanvraag in behandeling heeft genomen. Deze handelwijze van het college betekent, juist in het licht van de weinig duidelijk op een aanvraag gelijkend e-mailbericht van 28 januari 2022, op zichzelf nog niet dat het college onrechtmatig heeft gehandeld als bedoeld in 4.4.5. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig. Maar daarvan is niet gebleken. Dat wordt hierna toegelicht.
4.4.8.
Voor de stelling dat het college de besluitvorming moedwillig heeft vertraagd zijn in de gedingstukken geen aanknopingspunten te vinden. Ter zitting bij de Raad daarnaar gevraagd, heeft het college weliswaar geen verklaring kunnen geven voor het uitblijven van besluitvorming, maar uitdrukkelijk weersproken dat sprake zou zijn van het bewust tegenwerken van appellant. Voor zover appellant met de gestelde bejegening door het college betoogt dat het college onvoldoende oog heeft gehad voor zijn kwetsbare positie en daarmee zijn kenbare belangen heeft veronachtzaamd, heeft appellant daarvoor geen onderbouwing gegeven en de gedingstukken bieden daarvoor ook geen aanknopingspunten.
4.5.1
Appellant heeft verder gesteld dat het college wist dat appellant niet beschikte over middelen van bestaan en dat hij als gevolg van het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bijstandsaanvraag door het college in financiële problemen is gekomen. Die stelling wordt niet gevolgd.
4.5.2.
Daarbij is in de eerste plaats van betekenis dat appellant die stelling niet met stukken heeft onderbouwd. Verder wordt bij dat oordeel in aanmerking genomen dat appellant pas ruimschoots na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van acht weken, namelijk met een e-mailbericht van 30 maart 2022, voor het eerst bij zijn klantmanager heeft aangedrongen op het verkrijgen van een besluit. In dat e-mailbericht en ook in zijn latere e-mailberichten van 25 april 2022 en 25 mei 2022, heeft appellant weliswaar aangedrongen op het verkrijgen van een besluit, maar hij heeft in geen van die e-mailberichten melding gemaakt van een financieel urgente situatie. De in het hiervoor in 4.4.6 genoemde e-mailbericht van 25 mei 2022 door de medewerker van het college geuite veronderstelling, dat appellant voldoende inkomsten had om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien, heeft appellant in zijn reactie van 26 mei 2022 niet ontkracht. Appellant heeft in die reactie bovendien wederom geen melding gemaakt van financiële problemen als gevolg van het uitblijven van een beslissing. In het e-mailbericht van 28 juni 2022 verwijst appellant weliswaar naar een factuur voor een claim van schade-kosten wegens onrechtmatige overheidsdaad, maar ook hier maakt appellant geen melding van financiële nood. Voorstelbaar is dat in elk geval tot 28 juni 2022 voor het college de financiële belangen van appellant bij het verkrijgen van een besluit, zo die er al waren, niet of onvoldoende kenbaar waren, omdat appellant daarvan geen melding had gemaakt. Dat het college appellant in de periode tot 28 juni 2022 geen financiële steun heeft geboden, kan het college onder die omstandigheden niet worden aangerekend.
4.6.1.
In reactie op het e-mailbericht van appellant van 28 juni 2022 heeft een medewerker van het college appellant op 7 juli 2022 laten weten dat zij de berichten van appellant via de mail en via het KCC (telefonisch contact) in goede orde heeft ontvangen en dat zij de week daarop een voortgangsbericht aan appellant zal sturen. Op 27 juli 2022 heeft een medewerker appellant uitgenodigd voor een gesprek op 12 augustus 2022. Op 28 juli 2022 is aan appellant een e-mailbericht gestuurd met een aanvraagformulier en een overzicht van de voor de aanvraag benodigde gegevens. Dit formulier heeft appellant pas op 24 augustus 2022 ingediend. Vervolgens heeft het college appellant met een besluit van 28 september 2022 een voorschot op de eventueel toe te kennen uitkering toegekend. Op 29 september 2022 heeft het college Onderneem Consultancy (OC) om advies gevraagd. OC heeft op 20 oktober 2022 een zogenoemd adviesgesprek met appellant gevoerd. OC heeft op 7 november 2022 advies uitgebracht. Met het besluit van 12 december 2022 heeft het college vervolgens beslist op de aanvraag.
4.6.2.
Op grond van de in 4.6.1 beschreven gang van zaken kan niet worden gezegd dat het college vanaf 28 juni 2022 niet voldoende voortvarend heeft gehandeld. Het college heeft vervolgens na de ontvangst op 24 augustus 2022 van het aanvraagformulier de aanvraag, onder het verlenen van voorschotten in de maanden september 2022, oktober 2022 en december 2022, gelet op de aard van de aanvraag en het inwinnen van advies, in een in redelijkheid aanvaardbare tijd afgehandeld.
4.7.
Uit 4.3.1 tot en met 4.6.2 volgt dat wel sprake is van overschrijding van de wettelijke beslistermijn, maar niet dat ook sprake is van onrechtmatig handelen als bedoeld in 4.4.5. Er is daarom geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb het college te veroordelen tot het vergoeden van schade.

Conclusie en gevolgen

4.8.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.F. Claessens en C. Karman als leden, in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) A.T. Dannenberg

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2021

Artikel 2.13, tweede en vierde lid
2.Na een uitnodiging voor de zitting wordt een verzoek om uitstel van de behandeling ter zitting zo mogelijk schriftelijk, onder aanvoering van gewichtige redenen en tijdig, ingediend. Onder tijdig wordt verstaan: zo spoedig mogelijk na ontvangst van de uitnodiging of zo spoedig mogelijk nadat van de tot uitstel vragende omstandigheid is gebleken. De partij dient in zijn verzoek om uitstel zo mogelijk zijn verhinderdata op te nemen.
4.Een verzoek dat voldoet aan de in het tweede lid omschreven voorwaarden wordt ingewilligd, tenzij de bestuursrechter oordeelt dat zwaarder wegende bij de behandeling van de zaak betrokken belangen hieraan in de weg staan. Als zwaarder wegende belangen kunnen mede worden aangemerkt een voor de bestuursrechter geldende beslistermijn en het belang van andere bij de behandeling van de zaak betrokken belanghebbenden.

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:13
1. Een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
2. De in het eerste lid bedoelde redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, heeft gedaan.
Artikel 4:14, derde lid
3. Indien, bij het ontbreken van een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, deelt het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de aanvrager mede en noemt het daarbij een redelijke termijn binnen welke de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder c
De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van het niet tijdig nemen van een besluit.

Burgerlijk Wetboek (Boek 6)

Artikel 6:162
1. Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.
2. Als onrechtmatige daad wordt aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.
3. Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt

Voetnoten

1.Uitspraak van 16 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1466.
2.Arresten van 22 oktober 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM7040) en 16 september 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BQ5980) en 11 januari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BX7579).