Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:669

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
24/2562 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 PWArt. 17 PWArt. 54 PWArt. 58 PWArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting

Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet, die per 3 januari 2022 werd beëindigd vanwege werkaanvaarding. Het college ontdekte dat appellante in september 2021 een aanzienlijk geldbedrag had ontvangen, maar zij gaf hierover geen informatie en leverde geen bankafschriften aan ondanks herhaalde verzoeken. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld en werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd.

Appellante diende later een nieuwe aanvraag in, maar ook hierbij weigerde zij de gevraagde bankafschriften over een langere periode te verstrekken, wat leidde tot afwijzing van de aanvraag. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, ondanks een motiveringsgebrek dat zij met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro passeerde. Appellante stelde dat het college meer onderzoek had moeten doen en dat het opvragen van bankafschriften disproportioneel was, maar deze gronden werden verworpen.

De Raad oordeelt dat de bewijslast bij appellante ligt om aan te tonen dat zij ondanks de schending van de inlichtingenverplichting recht op bijstand had. Zij heeft geen concrete en verifieerbare gegevens verstrekt. Het college had terecht bankafschriften over een langere periode opgevraagd om de financiële situatie te beoordelen. Het hoger beroep wordt verworpen en de bestreden besluiten blijven in stand.

Uitkomst: De intrekking, terugvordering en afwijzing van de bijstandsaanvraag worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/2562 PW, 24/2563 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 8 oktober 2024, 22/5642 PW en 22/5997 PW (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn (college)
Datum uitspraak: 12 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaken over een intrekking en terugvordering van bijstand en over een afwijzing van een aanvraag om bijstand. Aan het besluit tot intrekking en terugvordering heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante geen melding heeft gemaakt van de ontvangst van een geldbedrag, geen inzicht heeft gegeven in de herkomst van dit bedrag en de gevraagde bankafschriften niet heeft overgelegd. Aan de afwijzing van de aanvraag heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante onvoldoende gegevens heeft verstrekt om het recht op bijstand te kunnen vaststellen. Appellante is het daarmee niet eens, maar zij krijgt geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.R.A. Rutten, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Op 1 augustus 2025 heeft mr. M. Jozefzoon-Flipse, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 31 maart 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Jozefzoon-Flipse. Het college is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontving met ingang van 14 juli 2021 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Het college heeft de bijstand per 3 januari 2022 beëindigd in verband met werkaanvaarding door appellante.
1.2.
Naar aanleiding van een signaal van het Inlichtingenbureau dat appellante in september 2021 een aanzienlijk geldbedrag heeft ontvangen van de Coöperatieve Rabobank heeft het college appellante met een brief van 27 januari 2022 verzocht een toelichting te geven op de uitbetaling dit bedrag. Op verzoek van appellante heeft het college in emailberichten van 4 februari 2022 en 14 februari 2022 nadere informatie verstrekt over het betreffende signaal van het Inlichtingenbureau en het verzoek om informatie toegelicht. Hierbij is vermeld dat wordt vermoed dat de ontvangst van het geldbedrag ziet op een vrijgekomen lijfrente of een pensioenafkoop.
1.3.
Appellante heeft niet inhoudelijk gereageerd op het informatieverzoek van het college. Met een brief van 3 maart 2022 heeft het college appellante vervolgens verzocht om kopieën te verstrekken van bankafschriften van alle op haar naam staande rekeningen over de periode van 1 september 2021 tot en met 1 januari 2022 en bewijsstukken (bijvoorbeeld een specificatie van de uitbetaling of een polisblad) die zien op de uitbetaling van het geldbedrag. Appellante heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven.
1.4.
Met een brief van 14 maart 2022 heeft het college appellante nogmaals gevraagd de onder 1.3 vermelde gegevens te verstrekken. Appellante heeft ook niet gereageerd op dit verzoek. Dit verzoek heeft het college herhaald met een brief van 1 april 2022, met dien verstande dat de periode waarover bankafschriften wordt opgevraagd is verlengd met één dag, namelijk de periode van 1 september 2021 tot en met 2 januari 2022. Ook op dit verzoek heeft appellante niet gereageerd.
1.5.
Met een besluit van 25 april 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 14 oktober 2022 (bestreden besluit 1), heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 1 september 2021 tot en met 2 januari 2022 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 5.426,72 van haar teruggevorderd. Aan bestreden besluit 1 ligt, kort weergegeven, het volgende ten grondslag. Appellante is haar inlichtingenverplichting niet nagekomen door geen melding te maken van de ontvangst van een geldbedrag van de Coöperatieve Rabobank in september 2021. Omdat zij – ondanks herhaalde verzoeken daartoe – geen inzicht heeft gegeven in de ontvangst en herkomst van dit bedrag en evenmin de door het college gevraagde bankafschriften heeft overgelegd, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
1.6.
Op 28 april 2022 heeft appellante zich bij het college gemeld om bijstand aan te vragen. Op 3 mei 2022 heeft zij de aanvraag ingediend. Appellante heeft daarbij vermeld dat haar werkzaamheden op 28 april 2022 zijn beëindigd. Het college heeft appellante met een brief van 3 mei 2022 verzocht om voor 10 mei 2022 bewijsstukken te verstrekken die zien op de ontvangst van het geldbedrag in september 2021 en ook bankafschriften van alle op haar naam staande rekeningen over de periode van 1 september 2021 tot en met 3 mei 2022. In reactie op dit verzoek heeft appellante bankafschriften toegezonden van alle op haar naam staande bankrekeningen over de periode van 2 februari 2022 tot en met 2 mei 2022. Verder heeft zij vermeld niet te zullen voldoen aan het verzoek van het college om de bankafschriften over een langere periode te verstrekken, omdat hiermee inbreuk wordt gemaakt op haar privacy. Ook zal zij geen gegevens verstrekken over het in september 2021 ontvangen geldbedrag omdat deze kwestie speelt in de besluitvorming over de intrekking en terugvordering van bijstand. Op 12 mei 2022 heeft een gesprek met appellante plaatsgevonden. Vervolgens heeft het college appellante met een brief van 16 mei 2022 opnieuw verzocht om bewijsstukken te overleggen die zien op de uitbetaling van de Coöperatieve Rabobank in september 2021 en bankafschriften van al haar rekeningen over de periode van 1 september 2021 tot en met 1 februari 2022. Het college heeft toegelicht dat in verband met het in september 2021 ontvangen geldbedrag de bankafschriften over een langere periode dan drie maanden voorafgaand aan de aanvraag worden opgevraagd. Het college heeft appellante met een brief van 30 mei 2022 nogmaals in de gelegenheid gesteld de ontbrekende stukken te verstrekken. Appellante heeft de gevraagde gegevens niet verstrekt.
1.7.
Met een besluit van 10 juni 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 7 november 2022 (bestreden besluit 2), heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen. Aan bestreden besluit 2 ligt, kort weergegeven, ten grondslag dat appellante onvoldoende duidelijkheid heeft gegeven over haar financiële situatie en dat daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten. De rechtbank heeft wel geoordeeld dat aan bestreden besluit 1, voor zover het de intrekking van bijstand betreft, een motiveringsgebrek kleeft, maar heeft dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gepasseerd. Daartoe heeft de rechtbank (in rechtsoverweging 7.2) overwogen dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, aangezien op basis van de beschikbare gegevens kan worden vastgesteld dat appellante vanaf 1 september 2022 geen recht op bijstand had. Uit die gegevens blijkt namelijk dat zij in september 2021 een (netto)bedrag van € 13.327,61 heeft ontvangen en dat is hoger dan de voor haar geldende vermogensgrens. Het college had het recht op bijstand dus kunnen en moeten vaststellen. In verband met de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb heeft de rechtbank het college veroordeeld in de door appellante gemaakte proceskosten en het door haar betaalde griffierecht. Ook heeft de rechtbank een schadevergoeding van € 500,- aan appellante toegekend in verband met overschrijding van de redelijke termijn.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens voor zover de rechtbank het geconstateerde motiveringsgebrek in bestreden besluit 1 heeft gepasseerd en in dat kader heeft geoordeeld dat appellante vanaf 1 september 2021 geen recht op bijstand heeft en voor zover de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond heeft verklaard.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten over de intrekking en terugvordering van bijstand en de afwijzing van de aanvraag om bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Intrekking en terugvordering (24/2562)
4.1.
Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat het college aannemelijk moet maken dat, en in welk opzicht appellante gedurende de periode van 1 september 2021 tot en met 2 januari 2022 de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld dan wel dat appellante in die periode geen of minder recht op bijstand heeft.
4.2.
Appellante heeft allereerst aangevoerd dat de aangevallen uitspraak innerlijk tegenstrijdig is. In rechtsoverweging 7 staat namelijk dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, terwijl in rechtsoverweging 7.2 staat dat, gelet op de hoogte van het door appellante in september 2021 ontvangen bedrag, het recht op bijstand juist wel kan worden vastgesteld. Deze grond slaagt niet.
4.2.1.
In rechtsoverweging 7 van de aangevallen uitspraakstaat het volgende, waarbij voor eiseres appellante moet worden gelezen:
“Volgens vaste rechtspraak van de CRvB levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. De stelplicht en bewijslast dat betrokkene, indien hij of zij wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende maanden recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad, ligt dan bij betrokkene. Eiseres heeft ter zitting naar voren gebracht dat het college haar recht op bijstand niet kon intrekken per 1 september 2021 maar dat hij dat had moeten herzien, omdat deze beslissing betrekking had op het verleden. Deze beroepsgrond kan gezien voorgaande niet slagen. Ook anderszins is er geen enkele grondslag in de PW of de rechtspraak te vinden die deze beroepsgrond ondersteunt.”
De rechtbank heeft in deze overweging alleen tot uitdrukking gebracht, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad, dat en waarom de ter zitting aangevoerde grond dat het college de bijstand van appellante had moeten herzien niet slaagt. Anders dan appellante meent, heeft de rechtbank in die overweging niet geoordeeld dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Dat berust op een verkeerde lezing van de aangevallen uitspraak.
4.3.
Appellante heeft verder aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het motiveringsgebrek heeft hersteld zonder nader feitenonderzoek. Ter zitting heeft zij deze grond aangevuld in die zin dat ook het college meer onderzoek had moeten verrichten en niet had kunnen volstaan met het enkel opvragen van bankafschriften en bewijsstukken die zien op de uitbetaling van het geldbedrag. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.3.1.
Niet in geschil is dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de ontvangst van het geldbedrag van de Coöperatieve Rabobank in september 2021. In dat geval rust op appellante de bewijslast om aannemelijk te maken dat en in hoeverre zij ondanks die schending toch recht op (aanvullende) bijstand heeft. Anders dan appellante heeft aangevoerd, kan het college en de rechtbank dus niet worden tegengeworpen dat geen nader onderzoek is verricht naar mogelijk relevante omstandigheden zoals de aanwezigheid van schulden of de besteding van de ontvangen middelen. Het was aan appellante om hierover concrete en verifieerbare gegevens te verstrekken. Dat heeft zij niet gedaan, hoewel zij daartoe ruimschoots de gelegenheid heeft gehad.
4.3.2.
Appellante heeft aanvullend ter zitting betoogd dat het verstrekken van bankafschriften over de periode van september 2021 tot en met 2 januari 2022 niet noodzakelijk was voor de beoordeling van het recht op bijstand, omdat het college al bekend was met de ontvangst van het geldbedrag. Dit betoog hoeft in het kader van het geschil over de intrekking niet te worden besproken. Gelet op het oordeel van de rechtbank dat, kort gezegd, appellante door de ontvangst van het geldbedrag in september 2021 teveel vermogen, en dus geen recht op bijstand had, speelt het niet verstrekken van de gevraagde bankafschriften in dat geschil namelijk geen rol (meer).
Afwijzing aanvraag
4.4.
Zoals ter zitting is besproken had appellante vanaf 17 mei 2022 geen bijstand meer nodig, omdat zij vanaf die datum een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW-uitkering) ontving. Om die reden wordt bestreden besluit 2 getoetst voor de periode van 28 april 2022, de datum waarop appellante zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot 17 mei 2022, de datum waarop zij een ZW-uitkering ontving (te beoordelen periode).
4.5.
Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. De bijstandverlenende instantie heeft een onderzoeksplicht. Dat brengt mee dat deze de inlichtingen van de aanvrager op juistheid en volledigheid moet controleren. Als de aanvrager niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag. Dit is vaste rechtspraak. [1]
4.6.
Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is zijn of haar financiële situatie een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor de goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. De bijstandverlenende instantie is in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie, ook over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd. Dit is vaste rechtspraak. [2] Daarbij wordt in beginsel uitgegaan van een periode van drie maanden. Er kunnen omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat gegevens over een verder in het verleden liggende periode worden opgevraagd. Dit is bijvoorbeeld het geval indien redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid en volledigheid van de door betrokkene over zijn financiële situatie verstrekte inlichtingen. Dit is ook vaste rechtspraak. [3] Dit kan ook het geval zijn als die oudere gegevens nog steeds van belang zijn voor het actuele recht op bijstand vanaf de aanvraag. Dit is ook vaste rechtspraak. [4]
4.7.
Appellante heeft net als in beroep aangevoerd dat het opvragen van bankafschriften door het college vanaf september 2021 disproportioneel is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.7.1.
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij voor eiseres appellante moet worden gelezen:
“[…] Naar het oordeel van de rechtbank was het college gerechtigd om in het kader van de beoordeling van de aanvraag van eiseres financiële gegevens op te vragen bij haar die een langere periode bestrijken dan drie maanden voor de datum van de aanvraag. Dat heeft het college in de informatieverzoeken van 16 mei 2022 en 30 mei 2022 – anders dan eiseres stelt – ook voldoende gemotiveerd. Vast staat dat eiseres in september 2021 een groot geldbedrag heeft ontvangen van de Coöperatieve Rabobank en dat eiseres hierover aan het college geen inlichtingen heeft verschaft, noch in de procedure met betrekking tot de bijstandsverlening in de periode van 1 september 2021 tot en met 2 januari 2022 noch bij haar huidige aanvraag om bijstand. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen had het college, gezien de voorliggende wel bekende gegevens, ervan uit kunnen gaan dat eiseres in september 2021 een vermogensaanwas heeft gehad. Dat het college in het kader van de aanvraag van eiseres wenst te beoordelen wat haar vermogen op 28 april 2022 bedraagt en of zij op dat moment (verantwoord) heeft ingeteerd op dit vermogen vindt de rechtbank terecht. Daarvoor was het voor het college noodzakelijk om inzage te krijgen in wat er, na de storting in september 2021, met dit geldbedrag was gebeurd. De door het college gevraagde gegevens zouden daar inzage in kunnen geven. Het college heeft deze gegevens dan ook terecht bij eiseres opgevraagd. Anders dan eiseres stelt, heeft het college door financiële gegevens op te vragen over een periode van bijna negen maanden, geen inbreuk gemaakt op de privacy van eiseres. […]”.
4.7.2.
Wat appellante aanvoert is een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak uitgelegd waarom deze beroepsgrond niet slaagt. Appellante heeft in hoger beroep geen reden gegeven waarom die uitleg volgens haar onjuist of onvolledig is. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank en met de onder 4.7.1 weergegeven overweging waarop dat oordeel is gebaseerd en neemt deze overweging over, waarbij hij in de laatste zin leest “geen [ongerechtvaardigde] inbreuk heeft gemaakt op de privacy van eiseres.”
4.8.
Appellante heeft verder gesteld dat zij het in september 2021 ontvangen geldbedrag heeft aangewend voor diverse uitgaven, waaronder aflossing van schulden en kosten voor levensonderhoud. Zij stelt dat het college heeft nagelaten een concrete en verifieerbare berekening te maken van het eventuele resterende vermogen ten tijde van de aanvraag. Voor zover appellante met deze stelling heeft willen aanvoeren dat het recht op bijstand wel kan worden vastgesteld, slaagt deze beroepsgrond niet.
4.8.1.
Appellante heeft ook in beroep en hoger beroep geen controleerbare gegevens verstrekt die haar stelling over de besteding van het door haar in september 2021 ontvangen bedrag onderbouwen. Het is zo dat het saldo op de bankrekening van appellante ten tijde van de aanvraag onder de voor haar geldende vermogensgrens lag. Maar het college heeft niet kunnen vaststellen op welke wijze appellante het in september 2021 ontvangen bedrag heeft besteed en dus ook niet of zij dat geld contant heeft opgenomen en daarover ten tijde van de aanvraag nog steeds over beschikte, dan wel of voor dat bedrag andere vermogensbestanddelen in de plaats zijn gekomen. Ook kan niet worden bepaald – zoals de rechtbank terecht heeft overwogen – of in verband met tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan het recht op bijstand door een maatregel moet worden verlaagd. Dit komt omdat appellante de gevraagde bankgegevens over de periode van 1 september 2021 tot en met 1 januari 2022 niet heeft overgelegd.

Conclusie en gevolgen

4.9.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de intrekking, de terugvordering en de afwijzing van de aanvraag in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J. Bonnema

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Participatiewet

Artikel 11, eerste lid
Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
Artikel 17, eerste lid, eerste volzin
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
Artikel 541. Indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten:
a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of
b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.
2. Het college doet mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.
3. Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
4. Als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.
Artikel 58, eerste lid
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 augustus 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1199.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1399.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2333.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 26 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1534, 10 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1158, en 8 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1528.