Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Intrekking en terugvordering (24/2562)
Afwijzing aanvraag
“[…] Naar het oordeel van de rechtbank was het college gerechtigd om in het kader van de beoordeling van de aanvraag van eiseres financiële gegevens op te vragen bij haar die een langere periode bestrijken dan drie maanden voor de datum van de aanvraag. Dat heeft het college in de informatieverzoeken van 16 mei 2022 en 30 mei 2022 – anders dan eiseres stelt – ook voldoende gemotiveerd. Vast staat dat eiseres in september 2021 een groot geldbedrag heeft ontvangen van de Coöperatieve Rabobank en dat eiseres hierover aan het college geen inlichtingen heeft verschaft, noch in de procedure met betrekking tot de bijstandsverlening in de periode van 1 september 2021 tot en met 2 januari 2022 noch bij haar huidige aanvraag om bijstand. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen had het college, gezien de voorliggende wel bekende gegevens, ervan uit kunnen gaan dat eiseres in september 2021 een vermogensaanwas heeft gehad. Dat het college in het kader van de aanvraag van eiseres wenst te beoordelen wat haar vermogen op 28 april 2022 bedraagt en of zij op dat moment (verantwoord) heeft ingeteerd op dit vermogen vindt de rechtbank terecht. Daarvoor was het voor het college noodzakelijk om inzage te krijgen in wat er, na de storting in september 2021, met dit geldbedrag was gebeurd. De door het college gevraagde gegevens zouden daar inzage in kunnen geven. Het college heeft deze gegevens dan ook terecht bij eiseres opgevraagd. Anders dan eiseres stelt, heeft het college door financiële gegevens op te vragen over een periode van bijna negen maanden, geen inbreuk gemaakt op de privacy van eiseres. […]”.
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) J. Bonnema
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Participatiewet
a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of
b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.
2. Het college doet mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.
3. Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
4. Als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.