Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:694

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
24/302 BBZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Bbz 2004Art. 2 Bbz 2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag algemene bijstand en bedrijfskapitaal wegens niet-levensvatbaarheid onderneming

Appellant startte in 2022 met X B.V., een onderneming in cacao en koffie, en vroeg algemene bijstand en bedrijfskapitaal aan op grond van het Bbz 2004. Het college wees de aanvraag af omdat de onderneming niet levensvatbaar zou zijn, gebaseerd op een deskundigenrapport van adviesbureau De Meent.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn bedrijf wel levensvatbaar is en dat hij de bedrijfsactiviteiten voortzet via een eenmanszaak. De Raad oordeelt dat appellant geen procesbelang meer heeft voor de aanvraag bedrijfskapitaal omdat X B.V. is ontbonden en de aanvraag geen betrekking heeft op de eenmanszaak.

Voor de aanvraag algemene bijstand heeft appellant nog wel procesbelang. De Raad bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de onderneming niet levensvatbaar is, omdat appellant onvoldoende objectieve gegevens heeft geleverd om het deskundigenadvies te weerleggen. Het hoger beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard voor het bedrijfskapitaal en afgewezen voor de algemene bijstand.

Uitkomst: Hoger beroep niet-ontvankelijk voor bedrijfskapitaal en afgewezen voor algemene bijstand; afwijzing aanvraag Bbz 2004 blijft in stand.

Uitspraak

24/302 BBZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 december 2023, 23/2193 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Gooise Meren (college)
Datum uitspraak: 26 mei 2026

SAMENVATTING

In deze zaak gaat het om de afwijzing van een aanvraag om algemene bijstand en bedrijfskapitaal op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Het college heeft die aanvraag afgewezen op de grond dat de onderneming van appellant naar verwachting niet levensvatbaar is. Appellant is het daarmee niet eens. Hij meent dat zijn onderneming wel levensvatbaar is. De Raad komt tot het oordeel dat appellant geen procesbelang meer heeft bij een oordeel over de vraag of het college de aanvraag om bedrijfskapitaal terecht heeft afgewezen, omdat de onderneming van appellant inmiddels niet meer bestaat. Verder is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het college de aanvraag om algemene bijstand terecht heeft afgewezen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.F. Wienen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft gereageerd op schriftelijke vragen van de Raad. Het college heeft daarop gereageerd. Appellant heeft aanvullende stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 april 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wienen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Diepenbroek.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant is op [datum] 2022 gestart met een onderneming, X B.V. Deze onderneming richt zich op de import, verwerking en verkoop van cacao en koffie, alsook op de exploitatie van een koffiebar.
1.2.
Op 10 augustus 2022 heeft appellant een aanvraag gedaan op grond van het Bbz 2004 om algemene bijstand voor de periode van 3 maart 2022 tot 1 december 2022 en om bedrijfskapitaal tot een bedrag van € 30.000,- ten behoeve van X B.V. Hij heeft daarbij een ondernemingsplan ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft adviesbureau De Meent in opdracht van het college een onderzoek ingesteld naar de levensvatbaarheid van X B.V. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 24 oktober 2022. In dit rapport komt een onderzoeker van De Meent tot de conclusie dat de onderneming van appellant niet levensvatbaar is.
1.3.
Met een besluit van 23 november 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 3 april 2023 (bestreden besluit), heeft het college, onder verwijzing naar het rapport van De Meent van 24 oktober 2022, de aanvraag afgewezen op de grond dat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar is.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daaraan heeft de rechtbank het volgende ten grondslag gelegd. Vaste rechtspraak is dat een bijstandverlenend orgaan gerechtigd is om zich bij zijn besluitvorming te baseren op adviezen van deskundige instanties. Dit is alleen anders als er concrete aanknopingspunten bestaan om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies of de juistheid ervan. [1] De Meent is zo’n instantie. In het adviesrapport van 24 oktober 2022 heeft een onderzoeker van De Meent na een bedrijfseconomische analyse toegelicht dat er veel onduidelijkheid is over de financiële situatie van de onderneming van appellant, waardoor de eigen vermogenspositie van de B.V. niet op juistheid is te beoordelen. Omdat appellant bijvoorbeeld geen overzicht heeft verstrekt van aangeschafte machines en inventaris, is het voor de onderzoeker ook niet mogelijk om de balans van de onderneming van appellant op juistheid te beoordelen. De door appellant vermelde exploitatieprognoses over 2023, 2024 en 2025 van respectievelijk (afgerond) € 542.000,- € 548.000,- en € 658.000,-, staan in schril contrast met de omzet die de onderneming van appellant in de eerste weken sinds de start heeft gerealiseerd. Om die reden acht de onderzoeker die prognoses niet realistisch. De onderzoeker heeft zich daarom beperkt tot het berekenen van een taakstellende omzet van € 354.250,-, maar ook die omzet acht de onderzoeker voor de onderneming van appellant niet haalbaar. Om die reden is de onderzoeker tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van een levensvatbaar bedrijf. Appellant betwist de juistheid van het advies van De Meent en stelt dat zijn bedrijf wel levensvatbaar is. De cijfers waarmee gerekend is zouden niet juist zijn en onduidelijk is hoe tot de hoogte van het bedrag voor de taakstellende omzet is gekomen. De door appellant in beroep naar voren gebrachte verwachtingen en het weerspreken van de bevindingen van de onderzoeker zijn echter niet voldoende om het deskundigenoordeel van De Meent te weerleggen. Daarbij is van belang dat volgens vaste rechtspraak de eigen verwachtingen van de betrokkene niet doorslaggevend zijn. [2] Daarbij komt dat onduidelijkheid is blijven bestaan over de herkomst van eerder in de onderneming van appellant geïnvesteerde bedragen. Nu appellant zijn standpunten niet heeft onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat er feitelijke onjuistheden in het advies van De Meent staan en ook niet dat dit advies onzorgvuldig tot stand is gekomen. Het college heeft zich dan ook op dit advies mogen baseren en is op basis daarvan terecht tot het oordeel gekomen dat de onderneming van appellant niet levensvatbaar is. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien zelf een deskundige te benoemen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartoe heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag om bedrijfskapitaal en algemene bijstand op grond van het Bbz 2004 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad oordeelt dat het hoger beroep, voor zover dat ziet op de afwijzing van de aanvraag voor het bedrijfskapitaal, niet-ontvankelijk is en voor het overige niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep van belang zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.1.
Tijdens het hoger beroep is gebleken dat X B.V. is ontbonden en op 1 februari 2026 is uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. De Raad ziet zich gelet daarop voor de vraag gesteld of appellant voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep. Daarbij zal onderscheid worden gemaakt tussen de afwijzing van de aanvraag voor het bedrijfskapitaal en de afwijzing van de aanvraag voor algemene bijstand.
4.1.2.
Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Dit is vaste rechtspraak. [3] Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Dit is ook vaste rechtspraak. [4]
Bedrijfskapitaal
4.1.3.
Appellant heeft aangevoerd dat hij nog wel procesbelang heeft. X B.V. is weliswaar opgeheven, maar de bedrijfsactiviteiten zijn ongewijzigd voortgezet onder een op 3 maart 2025 door appellant opgerichte eenmanszaak. Als de Raad tot het oordeel zou komen dat X B.V. wel levensvatbaar was, dan wil appellant het bedrijfskapitaal, waarop hij aanspraak maakt, gebruiken voor zijn eenmanszaak. Verder heeft appellant betoogd dat een belang ook is gelegen in de financiële schade die hij heeft geleden als gevolg van de bestreden besluitvorming. Appellant heeft voorts aangevoerd dat zijn hoger beroep ook een principiële insteek heeft, omdat hij vindt dat hem onrecht is aangedaan. Dit betoog treft geen doel.
4.1.4.
De aanvraag van appellant om bedrijfskapitaal op grond van het Bbz 2004 en het daarbij ingediende ondernemingsplan heeft uitsluitend betrekking op X B.V. en de daaraan gekoppelde financiële structuur. Voor de levensvatbaarheid van deze onderneming is het deskundigenadvies van De Meent uitgebracht. Nu X B.V. inmiddels is ontbonden, kan appellant met deze procedure niet meer bereiken dat aan hem alsnog bedrijfskapitaal voor die onderneming wordt verleend. [5] Het betoog van appellant dat hij met de op 3 maart 2025 opgerichte eenmanszaak (nog steeds) dezelfde bedrijfsactiviteiten verricht maakt dit niet anders, alleen al omdat de aanvraag geen betrekking heeft op de eenmanszaak. Als appellant voor die eenmanszaak bedrijfskapitaal toegekend wenst te krijgen, dan dient hij daarvoor een nieuwe aanvraag in te dienen. In zoverre kan het hoger beroep voor appellant geen feitelijke betekenis hebben.
4.1.5.
Voor zover appellant stelt dat hij procesbelang heeft behouden omdat hij schade heeft geleden als gevolg van de bestreden besluitvorming, dan is dit op voorhand onaannemelijk omdat hij eventuele schade op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt.
4.1.6.
In wat appellant verder naar voren heeft gebracht is een principieel belang gelegen en dit levert volgens vaste rechtspraak geen procesbelang op in de onder 4.1.2 bedoelde zin.
Algemene bijstand
4.2.
Omdat de aanvraag om algemene bijstand op grond van het Bbz 2004 ziet op een afgesloten periode in het verleden en een oordeel over de rechtmatigheid van de afwijzing van die aanvraag voor appellant nog feitelijke betekenis kan hebben, heeft appellant nog wel procesbelang bij een beoordeling van het hoger beroep voor zover dat ziet op de afwijzing van de aanvraag voor algemene bijstand op grond van het Bbz 2004.
4.2.1.
Tussen partijen is in geschil is of het bedrijf van appellant levensvatbaar is in de zin van artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004. Het gaat hier om een aanvraag. Het ligt daarom op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat zijn bedrijf levensvatbaar is. Dit volgt uit eerdere rechtspraak. [6]
4.2.2.
Een bedrijf of zelfstandig beroep is levensvatbaar als de zelfstandige daaruit naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overig inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan. Dat staat in artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004. Het inkomen zal dus toereikend moeten zijn om alle aflossingsverplichtingen na te komen, het bedrijf op peil te houden en te voorzien in de kosten van het bestaan.
4.2.3.
De levensvatbaarheid van een bedrijf wordt beoordeeld naar de situatie van het bedrijf op het moment dat het besluit op de aanvraag wordt genomen. Met eventuele ontwikkelingen na dat tijdstip wordt geen rekening gehouden.
4.3.
Appellant heeft aangevoerd dat de conclusies van de onderzoeker van De Meent niet juist zijn en dat zijn bedrijf wel levensvatbaar was. Appellant meent dat ten onrechte niet is onderkend dat hij financiering heeft gevraagd voor een startende onderneming, waarbij een beoordeling van de omzet in zekere mate is gebaseerd op verwachtingen. Appellant voert verder aan dat de in het advies opgenomen conclusies over onder andere de vestiging en de locatie van zijn onderneming, de marktomstandigheden en zijn ondernemersvaardigheden onjuist zijn. Ook de in het advies berekende taakstellende omzetberekening mist een onderbouwing en wordt niet verder inzichtelijk gemaakt. In het door hem – met professionele hulp – opgestelde ondernemingsplan heeft appellant duidelijk en inzichtelijk onderbouwd waarom X B.V. wel levensvatbaar was. Daaruit blijkt dus ook dat het advies van De Meent onjuist is. Deze beroepsgronden slagen niet.
4.3.1.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van de gronden die hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Hij voegt daar nog het volgende aan toe.
4.4.
Ook in hoger beroep heeft appellant niet met objectieve en verifieerbare informatie aannemelijk gemaakt dat de conclusies van De Meent over de levensvatbaarheid van zijn onderneming onjuist zijn. De enkele verwijzing naar zijn eigen ondernemingsplan is in dit verband onvoldoende, omdat juist dit plan door de onderzoeker van De Meent is beoordeeld. Verder kon appellant desgevraagd ter zitting niet aangeven waaruit blijkt dat de cijfers waarvan bij de taakstellende omzetberekening is uitgegaan onjuist zijn. Het ligt op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat die beoordeling niet juist is. Appellant is daar ook in hoger beroep niet in geslaagd.

Conclusie en gevolgen

4.5.
Uit 4.1.1 tot en met 4.1.6 volgt dat appellant bij de beoordeling van het hoger beroep voor zover dat betrekking heeft op de afwijzing van zijn aanvraag voor het bedrijfskapitaal geen procesbelang heeft. Het hoger beroep zal daarom in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep voor zover dat betrekking heeft op de afwijzing van de aanvraag voor algemene bijstand niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt daarom in zoverre bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag van appellant op grond van het Bbz 2004 in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:
  • verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover dat betrekking heeft op de afwijzing van de aanvraag voor het bedrijfskapitaal;
  • bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en C.F.E. van Olden-Smit en D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J. Bonnema

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004
Artikel 1. Definitiebepalingen
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
[…]
c. levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep: het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan;
Artikel 2
1. Algemene bijstand kan worden verleend aan:
a. de zelfstandige die gedurende een redelijke termijn als zodanig werkzaam is geweest en wiens bedrijf of zelfstandig beroep levensvatbaar is;
[…]

Voetnoten

1.Uitspraak van 24 januari 2023. ECLI:NL:CRVB:2023:194.
2.Uitspraak van 24 januari 2023. ECLI:NL:CRVB:2023:194.
3.Uitspraak van 29 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887.
5.Vergelijk de uitspraak van 20 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA1847.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4314.