ECLI:NL:CRVB:2026:7

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
23/3046 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling van een ov-schuld wegens onterecht gebruik van studentenreisproduct na beëindiging van de studie

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 8 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over de vaststelling van een ov-schuld van € 548,03 voor een betrokkene die onterecht gebruik heeft gemaakt van haar studentenreisproduct. De betrokkene had studiefinanciering ontvangen op basis van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) en was tot 30 augustus 2021 ingeschreven voor een masteropleiding. Na het behalen van haar diploma op 30 augustus 2021 was zij vanaf 1 september 2021 niet langer ingeschreven en had zij geen recht meer op een reisvoorziening. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap had haar eerder een reisvoorziening toegekend, maar na haar uitschrijving heeft de minister vastgesteld dat zij geen recht meer had op deze voorziening en een ov-schuld is ontstaan. De rechtbank had de ov-schuld teniet gedaan, maar de Raad oordeelde dat de betrokkene had moeten begrijpen dat zij geen recht had op de reisvoorziening en dat de ov-schuld in stand blijft. De Raad benadrukte dat de betrokkene op de hoogte had moeten zijn van de voorwaarden voor het gebruik van het studentenreisproduct, ook in het licht van de coronamaatregelen. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep tegen het besluit van de minister werd ongegrond verklaard.

Uitspraak

23/3046 WSF
Datum uitspraak: 8 januari 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 oktober 2023, 22/2034 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
SAMENVATTING
De rechtbank heeft de ov-schuld die voor betrokkene is vastgesteld teniet gedaan. Betrokkene kon het volgens de rechtbank niet worden toegerekend dat zij haar studentenreisproduct niet tijdig had stopgezet in de maanden september tot en met november 2021 vanwege de onduidelijke berichtgeving van de minister rond het verlengen van het reisrecht voor studenten vanwege corona. De Raad komt tot een ander oordeel. Betrokkene had namelijk moeten begrijpen dat zij geen recht had op een reisvoorziening omdat zij niet meer studeerde. Dat betekent dat de ov-schuld in stand blijft. Deze uitspraak is in lijn met de uitspraken die de Raad eerder deed over de verlenging van het reisrecht voor studenten. [1]

PROCESVERLOOP

De minister heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 november 2025. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber. Betrokkene heeft deelgenomen aan de zitting via Teams.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Betrokkene heeft studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 [2] ontvangen, waaronder in 2021.
1.2.
In een besluit van 19 maart 2021 (besluit 1) heeft de minister aan betrokkene meegedeeld dat aan studenten in het hoger onderwijs onder voorwaarden twaalf maanden extra reisvoorziening [3] wordt toegekend. Met een besluit van eveneens 19 maart 2021 (besluit 2) heeft de minister betrokkene voor augustus tot en met december 2021 een reisvoorziening toegekend in de vorm van een (week)reisrecht. De minister heeft dat besluit (onder meer) gebaseerd op het gegeven dat betrokkene op 1 augustus 2021 ingeschreven stond voor een wo-master Rechtsgeleerdheid.
1.3.
Appellante heeft op 30 augustus 2021 haar diploma behaald en is met ingang van 1 september 2021 niet langer bij een onderwijsinstelling als student ingeschreven.
1.4.
Met een besluit van 11 november 2021 heeft de minister vastgesteld dat appellante geen recht heeft op een reisvoorziening over september tot en met december 2021 omdat zij niet ingeschreven staat bij een opleiding die recht geeft op studiefinanciering. In een brief van 14 november 2021 heeft de minister aan betrokkene meegedeeld dat zij per 14 november 2021 niet meer kan reizen met haar reisproduct omdat zij daar geen recht meer op heeft.
1.5.
In een besluit van 10 december 2021 heeft de minister aan betrokkene meegedeeld dat zij een ov-schuld van € 548,03 heeft omdat zij in de periode september tot en met november 2021 geen reisrecht had en daarom ten onrechte heeft gereisd met haar reisproduct.
1.6.
Met zijn besluit van 15 februari 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 10 december 2020 ongegrond verklaard.
De uitspraak van de rechtbank
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de voor betrokkene vastgestelde ov-schuld ongedaan gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de feiten en omstandigheden van het geval niet kan worden betoogd dat het betrokkene kan worden toegerekend dat het reisproduct niet tijdig is stopgezet. Uit het besluit van 19 maart 2021 van de minister volgt onvoldoende duidelijk welk toetsmoment door de minister wordt gehanteerd bij de beoordeling of iemand recht heeft op de verlenging van de reisvoorziening. Het standpunt van de minister dat voor toepassing van de verlenging als voorwaarde blijft gelden dat betrokkene nog stond ingeschreven aan een onderwijsinstelling en dit een hoofdregel van de Wsf 2000 betreft waarvan betrokkene wordt geacht op de hoogte te zijn, doet niet aan dit oordeel af. Deze hoofdregel geldt in een normale situatie, terwijl de regeling voor verlenging van het studentenreisrecht nu juist in het leven is geroepen vanwege een uitzonderlijke situatie, te weten de coronacrisis. Dat in de berichten van de minister is vermeld: “U kunt alleen gebruik maken van de reisvoorziening als u staat ingeschreven voor een opleiding en u nog recht hebt op studiefinanciering” doet evenmin af aan dat oordeel. Zoals betrokkene heeft betoogd, voldeed zij op het moment dat ze de berichten van de minister ontving aan de voorwaarden. Nadat zij bericht kreeg van de minister dat ze geen recht meer had op een reisproduct, heeft ze haar reisproduct direct stopgezet.
Het standpunt van de minister
3.1.
Gelet op het besluit van 19 maart 2021 was het volgens de minister voldoende duidelijk dat betrokkene alleen gebruik kon maken van de verlenging zolang zij ingeschreven stond voor een opleiding die recht gaf op studiefinanciering. Het kan daarom aan betrokkene worden toegerekend dat zij gebruik is blijven maken van haar reisproduct nadat zij haar studie had afgerond. Dat betrokkene de berichtgeving zo heeft gelezen dat enkel bepalend was of zij op het moment van die berichtgeving ingeschreven stond, levert volgens de minister geen situatie op waarin het aantoonbaar niet kan worden toegerekend dat het reisproduct niet tijdig is stopgezet. Het behoort tot een van de hoofdlijnen van de Wsf 2000 dat alleen recht bestaat op studiefinanciering bij een inschrijving voor een opleiding. Uit de berichtgeving kan niet worden afgeleid dat dit wordt losgelaten. In het toekenningsbericht is ook duidelijk vermeld dat betrokkene haar studiefinanciering diende stop te zetten in Mijn DUO als zij klaar was met haar opleiding. Als betrokkene dit tijdig had gedaan, zou zij nogmaals zijn gewezen op de gevolgen van het reizen met een reisproduct als daarop geen recht meer bestaat. Omdat de minister niet eerder op de hoogte was van de uitschrijving, heeft betrokkene hierover pas op 11 november 2021 bericht ontvangen.
Het standpunt van betrokkene
3.2.
Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat zij geen ov-schuld heeft. De minister heeft het vertrouwen gewekt dat zij recht had op een reisvoorziening na afronding van haar studie en ook zonder te zijn ingeschreven bij een onderwijsinstelling. Subsidiair heeft zij in grote lijnen herhaald wat zij in beroep heeft betoogd, en naar voren gebracht dat het gevorderde bedrag te laat is opgelegd en dat het bedrag onevenredig hoog is, zeker bezien in verhouding tot het gebruik van het reisrecht.

Het oordeel van de Raad

4.1.
Als uitgangspunt geldt dat een student voor een aanspraak op studiefinanciering, waaronder een reisvoorziening, moet voldoen aan de (basis)voorwaarden in de Wsf 2000. Een van die voorwaarden is dat sprake is van inschrijving voor een opleiding die valt onder de reikwijdte van de paragrafen 2.2 tot en met 2.4 van die wet. Betrokkene was in de periode september tot en met november 2021 niet ingeschreven voor zo’n opleiding en zij had daarom (ook) geen recht op de reisvoorziening. Zij heeft haar reisproduct echter niet tijdig stopgezet en daarvan in de periode vanaf september 2021 wel gebruik gemaakt. Volgens vaste rechtspraak wordt een student geacht op de hoogte te zijn van de hoofdlijnen van de Wsf 2000, zoals de hiervoor genoemde voorwaarde, zodat aan een student kan worden tegengeworpen dat die zich daaraan niet heeft gehouden. [4] Deze voorwaarden, en de aanname dat studenten daarvan op de hoogte zijn, golden ook in coronatijd. [5] De verlenging van het reisrecht was weliswaar een bijzondere maatregel, maar die doet aan het inschrijvingsvereiste niet af. De minister was in beginsel dan ook verplicht een ov-schuld vast te stellen. Dat is op grond van het zevende lid van artikel 3.27 van de Wsf 2000 anders als het niet tijdig stopzetten aantoonbaar niet aan de student kan worden toegerekend (overmacht), of als er anderszins aanleiding is om met toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van het tweede lid van artikel 3.27 van de Wsf 2000.
4.2.
Concreet gaat het in deze zaak dan om de vraag of betrokkene uit de besluiten die haar zijn toegezonden heeft mogen afleiden dat zij in de periode september tot en met november 2021 gebruik heeft mogen maken van haar reisproduct, ook zonder dat zij was ingeschreven bij een onderwijsinstelling. De Raad is van oordeel dat dat niet het geval is.
4.3.1.
In besluit 1 van 19 maart 2021 is onder meer het volgende vermeld:
“De verlenging geldt voor iedereen die:

nog ingeschreven staat bij een opleiding die recht geeft op studiefinanciering (…)
U kunt alleen gebruik maken van de reisvoorziening als u ingeschreven staat voor een opleiding en u nog recht hebt op studiefinanciering.”
In besluit 2 van 19 maart 2021 staat verder vermeld:
“Bent u klaar met uw opleiding of stopt u? Zet dan uw studiefinanciering zo snel mogelijk stop in Mijn DUO. Zet ook uw studentenreisproduct stop. Doe dat uiterlijk op de 10e van de 1e maand waarin u geen recht meer heeft op het studentenreisproduct. Reist u er toch mee terwijl u er geen recht meer op heeft? Dan krijgt u een ov-boete. In de eerste maand is deze boete € 78,29 per halve maand, daarna € 156,58 per halve maand. Ga voor meer informatie over stopzetten naar studentenreisproduct.nl.”
4.3.2.
Besluit 1 heeft betrekking op de aan alle studenten in het hoger onderwijs toegekende verlenging van het reisrecht, maar nadrukkelijk onder de voorwaarde dat gebruik daarvan slechts mogelijk is als er sprake is van een inschrijving op het moment van het gebruik van dat verlengde recht. Het is ook niet zo dat, anders dan appellante stelt te hebben afgeleid uit de context en vorm van het besluit, de ‘coronaverlenging’ was bedoeld als algemene compensatie voor studenten omdat zij hun reisrecht tijdelijk minder konden gebruiken. De door de minister gegeven informatie biedt aan die stelling ook geen steun. Ook als ervan zou worden uitgegaan dat de minister appellante vaker ‘onjuist zou hebben geïnformeerd’, dan leidt dat voor deze zaak niet tot een andere conclusie. Daarbij is van betekenis dat over de verlenging informatie op de website van de DUO te raadplegen was, die eventuele twijfel over de voorwaarden voor de verlenging had kunnen wegnemen. Dat betrokkene daar niet aan gedacht, zoals zij ter zitting naar voren heeft gebracht, heeft komt voor haar risico.
4.3.3.
Betrokkene is er ook in besluit 2 op gewezen dat zij als zij klaar is met haar opleiding haar studiefinanciering moet stopzetten en dat dan ook het reisproduct moet worden stopgezet. Deze verplichting vloeit voort uit het bepaalde in artikel 9.2, derde lid, van de Wsf 2000, waarop de minister ook heeft gewezen. Zou betrokkene zich hieraan hebben gehouden, dan zou zij bij de terugmelding van de stopzetting van haar studiefinanciering te horen hebben gekregen dat zij haar reisproduct moest stopzetten.
4.4.
Wat hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van de minister slaagt. De devolutieve werking van het hoger beroep brengt vervolgens met zich dat de Raad de gronden zal bespreken waar de rechtbank bij haar beoordeling van de zaak van betrokkene niet aan is toegekomen.
4.5.
Betrokkene heeft betoogd dat de schuld langer is opgelopen dan nodig en dat die daarom niet redelijk en billijk is, en dat het haar in rekening gebrachte bedrag onevenredig is ten opzichte van het bedrag dat zij met haar reizen heeft gemaakt.
4.6.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Voor zover appellante met een beroep op de ‘redelijkheid en billijkheid’ heeft beoogd een beroep te doen op het evenredigheidsbeginsel [6] dan wel de hardheidsclausule neergelegd in artikel 11.5 van de Wsf 2000, slaagt deze reeds om de volgende redenen niet. Inschrijvingscontroles worden in fases gedaan in het lopende studiejaar vanaf de maand oktober. Voor die maand is gekozen omdat voor de bekostiging van het hoger onderwijs de inschrijvingen op de eerste dag van die maand bepalend zijn. Deze keuze is volgens vaste rechtspraak acceptabel. [7] Dat deze keuze meebrengt dat studenten die hun reisrecht niet tijdig hebben stopgezet niet eerder dan, zoals in het voorliggende geval, in november op de hoogte worden gebracht van de ontstane ov-schuld, komt voor risico van de student die nalaat zijn reisrecht tijdig te beëindigen. In het voorliggende geval is het tijdsverloop tussen de inschrijvingscontrole en de verzending van het besluit van 11 november 2021 niet zodanig, dat matiging op basis daarvan aangewezen zou zijn. [8] De wetgever heeft er verder, gelet op de systematiek van de wet, bij stilgestaan dat de consequentie van de toepassing van artikel 3.27 van de Wsf 2000 is dat soms ook hoge bedragen verschuldigd zijn als het reisrecht niet of maar amper is gebruikt. [9] Het bedrag is ook niet dermate hoog dat alleen al daarom zou moeten worden gezegd dat het besluit onevenredig is. Zoals de minister ter zitting heeft verduidelijkt is het bedrag dat aan schuld wordt vastgesteld het bedrag dat de minister voor onterecht gebruik van het reisrecht aan de ov-bedrijven moet afdragen.
4.7.
Wat hiervoor is overwogen betekent dat het aan betrokkene kan worden toegerekend dat zij haar reisproduct niet tijdig heeft stopgezet. Dat betekent ook dat de ov-schuld terecht is vastgesteld. Dat betrokkene in de periode in geding maar beperkt met haar reisproduct heeft gereisd geeft geen aanleiding de ov-schuld op een lager bedrag vast te stellen.

Conclusie en gevolgen

4.8.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep slaagt. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Wat is overwogen onder 4.5 en 4.6, leidt niet tot een voor betrokkene gunstig oordeel. De Raad zal het beroep tegen het bestreden besluit daarom ongegrond verklaren. Dat betekent dat het besluit waarbij de minister voor betrokkene een schuld van € 548,03 heeft vastgesteld, in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep slaagt, hoeft de minister de door betrokkene gemaakte proceskosten niet te vergoeden. Voor het heffen van griffierecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 15 februari 2022 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Hoogenboom in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2026.
(getekend) A. Hoogenboom
(getekend) M. Dafir

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Wet Studiefinanciering 2000

Artikel 2.8. Voltijdse opleidingen hoger onderwijs
1. Voor studiefinanciering kan een ho-student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse associate degree-opleiding, voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding aan een universiteit of hogeschool, opgenomen in de bijlage van de WHW of aan een rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1 van de WHW.
(…)
Artikel 3.27. Beëindiging reisrecht
1. De persoon die een reisrecht toegekend heeft gekregen is verplicht er zorg voor te dragen dat het reisproduct is stopgezet op uiterlijk de tiende kalenderdag van de maand waarin:
a. zijn aanspraak op reisrecht is beëindigd; of
b. zijn reisproduct op grond van artikel 3.7, tweede of vierde lid, is vervangen door een reisvoorziening in de vorm van geld.
2. Indien het reisproduct niet is stopgezet na de termijn, genoemd in het eerste lid, aanhef, en er gebruik van is gemaakt, is degene aan wie het reisrecht is toegekend aan Onze Minister per halve kalendermaand een bedrag verschuldigd van, naar de maatstaf van 1 januari 2019:
a. € 75,00 voor zover het de eerste en de tweede halve kalendermaand betreft; en
b. € 150,00 voor zover het de derde en daaropvolgende halve kalendermaanden betreft.
3. De eerste helft van een kalendermaand loopt tot en met de vijftiende dag van die maand.
4. De opbouw van de bedragen, genoemd in het tweede lid, vangt aan op het moment dat sprake is van één van de situaties genoemd in het eerste lid, onderdelen a en b, waarbij voor de eerste halve kalendermaand waarin € 75,00 verschuldigd is uitsluitend wordt gekeken naar het gebruik van het reisproduct tijdens de elfde tot en met de vijftiende dag van die maand.
5. Er is geen bedrag verschuldigd over de halve kalendermaanden waarin geen gebruik gemaakt is van het reisproduct.
(…)
7. Het tweede lid is niet van toepassing op een periode waarin het degene aan wie het reisrecht is toegekend, aantoonbaar niet kan worden toegerekend dat het reisproduct niet tijdig is stopgezet.
(…)
Artikel 9.2. Verstrekken van inlichtingen door personen
(…)
3. Inlichtingen over zichzelf, voor zover zij kunnen leiden tot de toekenning van minder studiefinanciering of tot verhoging van het bedrag van de termijnbetalingen worden steeds ongevraagd en schriftelijk verstrekt door de student onderscheidenlijk door de debiteur, onmiddellijk na het bekend worden van die gegevens. De inlichtingen, bedoeld in de eerste volzin, omvatten niet het doorgeven van een wijziging van het adres als bedoeld in de Wet basisregistratie personen.
(…)
Artikel 11.5. Hardheidsclausule
1. Onze Minister kan voor bepaalde gevallen de wet en de daarop berustende bepalingen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Voetnoten

1.Uitspraken van de CRvB 19 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1549 en ECLI:NL:CRVB:2024:1550.
2.Wet studiefinanciering 2000.
3.In artikel 1.1 van de Wsf 2000 zijn definities opgenomen van de begrippen reisvoorziening, reisrecht en reisproduct. In de artikelen 3.7 en 3.25 van de Wsf 2000 zijn deze begrippen nader uitgewerkt. Vereenvoudigd gezegd gaat het om het volgende:
4.CRvB 27 februari 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO5094, CRvB 3 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI0259, CRvB 12 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2865 en CRvB 12 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1323.
5.Vergelijk CRvB 31 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1549 en CRvB 31 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1550.
6.Voor het toetsingskader dat geldt voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel bij een gebonden bevoegdheid neergelegd in een wet in formele zin, zie de uitspraak van de CRvB van 5 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700, r.o. 4.9 e.v., verwijzend naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772, r.o. 9.11 e.v. Daaruit volgt, onder andere, dat niet steeds hoeft te worden beoordeeld of de door appellant gestelde bijzondere omstandigheden wel of niet (volledig) door de wetgever zijn verdisconteerd, als duidelijk is dat de toepassing van het artikel niet zozeer in strijd is met het evenredigheidsbeginsel dat de toepassing achterwege dient te blijven.
7.Zie CRvB 19 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1550, r.o. 4.7.
8.Zie eveneens CRvB 19 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1550, r.o. 4.7.
9.CRvB 31 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1235.