ECLI:NL:CRVB:2026:742

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
25/354 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 ZWArt. 47 WWArt. 47a WWArt. 1b WWArt. 31 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering verhoging Ziektewetdagloon ondanks hogere WW-dagloon

Appellant was werkzaam bij een werkgever en ontving een WW-uitkering met een vastgesteld dagloon. Na ziekmelding werd een Ziektewetuitkering toegekend, gebaseerd op het WW-dagloon. Later werd een nabetaling van achterstallig loon overeengekomen, waarop appellant een herberekening van het WW- en ZW-dagloon verzocht. Het UWV verhoogde het dagloon, maar trok deze besluiten later in omdat de nabetaling niet binnen de referteperiode vorderbaar en inbaar was.

Appellant maakte bezwaar en startte een beroepsprocedure, waarin de rechtbank en later de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat het UWV terecht het ZW-dagloon niet verhoogde. De Raad stelde dat artikel 29, zevende lid, van de Ziektewet niet voorschrijft dat het ZW-dagloon het WW-dagloon moet volgen, maar slechts dat dezelfde systematiek wordt toegepast. Omdat het hogere WW-dagloon onjuist was vastgesteld en alleen vanwege het vertrouwensbeginsel in stand bleef, hoefde het ZW-dagloon niet te worden aangepast.

De Raad benadrukte dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de nabetaling binnen de referteperiode vorderbaar en inbaar was, en dat het UWV niet verplicht was een onjuiste berekening te herhalen. Het beroep van appellant werd ongegrond verklaard, en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van het UWV om het ZW-dagloon te verhogen blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 januari 2025, 23/726 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 3 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd het eerder vastgestelde ZWdagloon te verhogen, ondanks het feit dat het Uwv een eerdere verhoging van het WWdagloon in stand heeft gelaten. Volgens appellant volgt uit artikel 29, zevende lid, van de ZW dat het Uwv het ZWdagloon moet verhogen. De Raad volgt appellant hierin niet, omdat het Uwv de verhoging van het WWdagloon in stand heeft gelaten in verband met een beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.A.R. Wieleman, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken toegezonden. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 22 april 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wieleman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant is van 1 augustus 2012 tot 1 december 2017 werkzaam geweest als productiemedewerker reclame voor 36 uur per week bij [naam] , handelend onder de naam [ex-werkgeefster] (ex-werkgeefster).
1.2.
Met een besluit van 12 december 2017 heeft het Uwv aan appellant vanaf 1 december 2017 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. De WW-uitkering is gebaseerd op een dagloon van € 70,58.
1.3.
Op 19 maart 2018 heeft appellant zich ziekgemeld. Met een besluit van 7 juni 2018 heeft het Uwv aan appellant vanaf 18 juni 2018 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. De ZW-uitkering is gebaseerd op het WW-dagloon van appellant. Het WW-dagloon bedroeg op dat moment € 71,14, zodat het ZWdagloon ook is vastgesteld op € 71,14.
1.4.
Het Uwv heeft bij besluit van 13 maart 2019 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 19 april 2019 beëindigd, omdat appellant in staat wordt geacht meer dan 65% te verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het Uwv heeft geconstateerd dat appellant minder loon heeft ontvangen dan gebruikelijk is voor de werkzaamheden die hij verrichtte, maar dat hij dit blijkbaar heeft geaccepteerd. Bij besluit van 29 oktober 2019 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. De rechtbank Gelderland heeft bij uitspaak van 9 september 2020 het beroep van appellant ongegrond verklaard. De Raad heeft op 12 oktober 2022 deze uitspraak bevestigd. [1]
1.5.
Met ingang van 19 april 2019 is de WWuitkering voortgezet. Deze uitkering is met ingang van 31 december 2020 geëindigd wegens het verstrijken van de maximale uitkeringsduur.
1.6.
Op 23 december 2020 hebben appellant en ex-werkgeefster een vaststellingsovereenkomst gesloten. Hierin is opgenomen dat na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van appellant is gebleken dat het maatmaninkomen van appellant hoger is dan het tussen partijen overeengekomen, en aan appellant gedurende het dienstverband uitbetaalde, loon. Volgens deze overeenkomst hebben partijen over de hoogte van het door appellant te verdienen salaris diverse gesprekken gevoerd en zijn zij een (gedeeltelijke) nabetaling van achterstallig salaris overeengekomen. In de overeenkomst is opgenomen dat de overeengekomen looncorrectie ten aanzien van de door appellant verrichte werkzaamheden betrekking heeft op een periode van twaalf maanden. Overeengekomen is dat ex-werkgeefster aan appellant een saldo van 2076 uur zal uitbetalen op basis van een bruto uurloon van € 20,65 minus het tijdens het dienstverband reeds betaalde uurloon van € 8,02. Het te betalen bedrag is (€ 12,63 x 2076 uur =) € 26.219,88 bruto exclusief vakantiegeld. Werkgeefster heeft nadien verklaard dat de nabetaling betrekking heeft op de periode van december 2016 tot en met november 2017.
1.7.
Bij brief van 10 januari 2021 heeft appellant het Uwv verzocht om een herberekening van zijn WW-uitkering. Bij zijn verzoek heeft appellant onder meer een afschrift van de vaststellingsovereenkomst gevoegd.
1.8.
Met een besluit van 22 januari 2021 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant vanaf 1 december 2017 herzien. Het Uwv heeft het dagloon opnieuw berekend. Het dagloon van appellant is vastgesteld op € 181,73. Het maandloon van appellant is vastgesteld op € 3.952,63. Met een besluit van 25 januari 2021 heeft het Uwv de toeslag op de WW herzien. Met een volgend besluit van 25 januari 2021 heeft het Uwv het ZWdagloon van appellant vanaf 18 juni 2018 herzien naar € 183,18.
1.9.
Bij besluit van 15 februari 2021 heeft het Uwv het besluit van 22 januari 2021 – over de herziening van het WW-dagloon – ingetrokken. Volgens het Uwv voldoet de verhoging niet aan de gestelde voorwaarden, omdat de betaling door ex-werkgeefster niet een betaling betreft die in voor de vaststelling van het dagloon relevante referteperiode vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden.
1.10.
Met een besluit van 15 februari 2021 heeft het Uwv de besluiten van 25 januari 2021 over de herziening van het ZW-dagloon en de toeslag ingetrokken. Het dagloon, zoals vastgesteld in het besluit van 7 juni 2018 waarbij appellant de ZWuitkering is toegekend, blijft van kracht.
1.11.
Bij beslissing op bezwaar van 11 juni 2021 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het in 1.9 genoemde besluit van 15 februari 2021 over het WW-dagloon ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat niet gebleken is dat appellant op niet mis te verstane wijze zijn ex-werkgeefster heeft gemaand het vorderbare loon aan hem uit te keren, zodat de nabetaling op 26 december 2020 niet bij de berekening van het WW-dagloon betrokken kan worden.
1.12.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 11 juni 2021. Uit het procesverbaal van de zitting van de rechtbank Gelderland van 16 augustus 2022 blijkt dat het Uwv ter zitting de beslissing op bezwaar van 11 juni 2021 en het besluit van 15 februari 2021 over het WWdagloon heeft ingetrokken. Appellant heeft hierop zijn beroep ingetrokken.
1.13.
Bij brief van 6 september 2022 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat de afdeling WW op de hoogte is gesteld van het feit dat het Uwv het besluit van 15 februari 2021 heeft ingetrokken zodat het besluit van 22 januari 2021 onveranderd van kracht blijft.
1.14.
Bij besluit van 19 september 2022 heeft het Uwv het verzoek van appellant om herziening van het ZWdagloon afgewezen. Het Uwv heeft vastgesteld dat de aanvankelijke verhoging van het dagloon bij beslissing van 25 januari 2021 bij beslissing van 15 februari 2021 ongedaan is gemaakt en dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen dit besluit. Volgens het Uwv is er geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden om van het besluit van 7 juni 2018 terug te komen.
1.15.
Bij beslissing op bezwaar van 23 december 2022 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 september 2022 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn. Het Uwv heeft toegelicht dat het dagloon voor de ZWuitkering wordt vastgesteld volgens de dagloonbepalingen van de WW, maar dat dit niet betekent dat voor de ZWuitkering het dagloon van de WWuitkering wordt overgenomen. De grond dat de nabetaling van de exwerkgeefster vorderbaar en niet inbaar was in de referteperiode had appellant ook al kenbaar kunnen maken tegen het besluit van 15 februari 2021. Volgens het Uwv zijn de besluiten van 15 februari 2021 en 7 juni 2018 niet evident onjuist.
1.16.
De rechtbank heeft het beroep van appellant behandeld op een zitting van 15 mei 2024. Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de brief van 6 september 2022, genoemd onder 1.13, een nieuw feit oplevert, De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Met het besluit van 29 mei 2024 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv bestreden besluit 1 vervangen. Hoewel de brief van 6 september 2022 mogelijk is op te vatten als een nieuw feit, ziet het Uwv geen aanleiding het ZW-dagloon, zoals dat is vastgesteld in het besluit van 7 juni 2018, te herzien. De omstandigheid dat voor wat betreft de WWuitkering in de beroepsprocedure te kennen is gegeven dat op grond van het rechtszekerheids- en/of vertrouwensbeginsel de uitkering wordt uitbetaald naar het verhoogde dagloon, betekent niet dat dit ook voor de ZWuitkering moet worden toegepast. Uitbetaling van het ziekengeld naar het dagloon van € 71,14 is volgens het Uwv niet in strijd met het rechtszekerheids- en/of het vertrouwensbeginsel. De ZW-uitkering is nimmer uitbetaald naar het dagloon van € 181,73. Verder heeft het Uwv herhaald dat niet gebleken is dat de nabetaling van de ex-werkgeefster in de referteperiode niet inbaar was. Dat beide partijen volgens eigen zeggen niet op de hoogte waren van het feit dat de algemeen verbindend verklaarde cao van toepassing was, maakt niet dat het loon niet-inbaar is in de referteperiode. [2]
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit 2 in stand gelaten. Ook heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant in beroep en tot betaling van het griffierecht van appellant in beroep.
2.1.
De rechtbank heeft vastgesteld dat in beroep in geschil is of het Uwv de na de referteperiode uitbetaalde 2076 uren mee had moeten nemen in de berekening van het dagloon. Dit is volgens de rechtbank niet het geval. Niet gebleken is dat appellant exwerkgeefster tijdens de referteperiode op niet mis te verstane wijze heeft gemaand om het niet uitbetaalde loon over de 2076 uren te betalen. Niet valt in te zien waarom appellant ex-werkgeefster niet eerder had kunnen manen tot betaling van dat loon over een periode van twaalf maanden. De enkele omstandigheid dat hij feitelijk niet eerder een betaling van zijn vordering had kunnen verkrijgen omdat er in de referteperiode sprake was van betalingsonmacht bij ex-werkgeefster als gevolg van een ondernemingsverlies van € 9.954,- duidt niet op een situatie van niet-inbaarheid tijdens de referteperiode. Dat het vorderbare loon niet tevens inbaar was in de referteperiode is volgens de rechtbank dan ook niet gebleken.
2.2.
Voor zover appellant heeft gesteld dat uit artikel 29, zevende lid, van de ZW volgt dat het ZW-dagloon het WW-dagloon zou moeten volgen, heeft de rechtbank hem evenmin gevolgd. Het herziene WW-dagloon van € 181,73, zoals neergelegd in het besluit van 22 januari 2021, is in stand gebleven vanwege een door het Uwv gehonoreerd beroep op het vertrouwensbeginsel en niet omdat dit een correcte berekening was. Het Uwv is volgens de rechtbank in dit geval niet verplicht het ZWdagloon op dezelfde wijze vast te stellen als het WW-dagloon, omdat het Uwv niet verplicht is de verkeerde berekening te herhalen met betrekking tot het ZWdagloon. Om diezelfde reden mocht appellant er op grond van het rechtszekerheidsbeginsel redelijkerwijs niet van uitgaan dat het ZWdagloon het WWdagloon zou volgen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellant moet het Uwv de berekening van het WWdagloon volgen bij de vaststelling van het ZWdagloon en het vastgestelde WWdagloon overnemen bij de vaststelling van het ZWdagloon. Appellant heeft in dit verband verwezen naar artikel 29, zevende lid, van de ZW en het Handboek Uwv ‘Wetsuitleg dagloonregels’. Volgens appellant was het Uwv verplicht de uitleg onder 1.2 van de Wetsuitleg dagloonregels te volgen en was het Uwv verplicht om bij de vaststelling van het ZW-dagloon het vastgestelde WW-dagloon over te nemen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit 2 over de weigering terug te komen van het eerder vastgestelde dagloon in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en artikel 1.2 van de Wetsuitleg dagloonregels uit het handboek van het Uwv zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
6. Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen het in rechtsoverweging 2.2 samengevatte oordeel van de rechtbank. De Raad overweegt daarover het volgende.
6.1.
Anders dan appellant heeft betoogd, volgt uit artikel 29, zevende lid, van de ZW niet dat het dagloon voor de ZWuitkering wordt gebaseerd op het voor de WWuitkering vastgestelde dagloon. Uit deze bepaling volgt immers slechts dat de systematiek voor de vaststelling van het dagloon dezelfde is. Bij een juiste vaststelling van het WWdagloon volgt daaruit wel dat de ZWdagloon wordt vastgesteld conform het eerder vastgestelde WWdagloon. Deze werkwijze is ook beschreven in onderdeel 1.2 van de Wetsuitleg dagloonregels. Hieruit kan niet worden afgeleid dat het ZWdagloon moet worden gekoppeld aan het WWdagloon als dit WWdagloon onjuist – dat wil zeggen: niet in overeenstemming met de wettelijke bepalingen – is vastgesteld. Uit het feit dat het Uwv in dit geval uitsluitend vanwege het vertrouwensbeginsel de verhoging van het WWdagloon is stand heeft gelaten, volgt daarom niet dat ook het ZWdagloon moet worden verhoogd.
6.2.
De stelling van appellant dat de verhoging van het WWdagloon bij het besluit van 22 januari 2021 wel juist was en dat het Uwv de intrekking van dit besluit bij beslissing van 15 februari 2021 en de beslissing op bezwaar van 11 juni 2021 om die reden heeft ingetrokken, wordt niet gevolgd. Het Uwv heeft zowel op de zitting bij de rechtbank als bij de Raad uiteengezet dat de besluiten van 15 februari 2021 en 11 juni 2021 zijn ingetrokken, omdat het Uwv met het besluit tot verhoging van het dagloon verwachtingen had gewekt, er door het Uwv al een nabetaling van de WW-uitkering had plaatsgevonden en appellant ook aan het zogenoemde dispositievereiste heeft voldaan, omdat hij het geld al had uitgegeven. Gelet op deze omstandigheden zou het in strijd met het rechtszekerheid- en/of vertrouwensbeginsel zijn geweest om de verhoging van het dagloon ongedaan te maken. Appellant heeft dit op de zitting bij de Raad niet tegengesproken. Bovendien is in het kader van de procedure over de beëindiging van de ZWuitkering door de Raad ook al vastgesteld dat (handhaving van) de verhoging van het WW-dagloon niet zozeer het wettelijk gevolg is van de nabetaling, maar zijn grondslag vindt in het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Het Uwv heeft daarom het ZW-dagloon niet aangepast. De Raad heeft toen ook overwogen dat appellant deze toelichting van het Uwv niet heeft weersproken, zodat de Raad in die uitspraak is uitgegaan van de juistheid daarvan. [3]

Conclusie en gevolgen

6.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de weigering van Uwv om het ZWdagloon te verhogen in stand blijft.
7. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling als voorzitter en J.H. Ermers en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van N. Gios als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.

(getekend) T. Dompeling

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 29 lid 7 Ziektewet Pro

Het ziekengeld, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a tot en met c, en onderdeel d, onder 2°, bedraagt 70% van het dagloon van verzekerde. Het ziekengeld, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, onder 1°, wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 47, eerste lid, onderdeel b, en 47a van de Werkloosheidswet, hierbij zijn de bepalingen met betrekking tot dagloon, maandloon en inkomen van artikel 1b van de Werkloosheidswet en de daarop berustende bepalingen van overeenkomstige toepassing. Bij deze vaststelling blijft artikel 31, tweede lid, buiten toepassing met dien verstande dat het loon, bedoeld in artikel 30, tweede lid, aangemerkt wordt als inkomen als bedoeld in artikel 47 respectievelijk Pro artikel 47a van de Werkloosheidswet.

Wetsuitleg dagloonregels1.2 Niet in dagloonbesluit: ZW-uitkering tijdens of na WW-uitkering

De ZW-dagloonvaststelling aansluitend aan of na een WW-uitkering is niet in het dagloonbesluit opgenomen. In dat geval wordt namelijk geen nieuw ZW-dagloon vastgesteld.
Met ingang van 1 juli 2015 geldt voor de hoogte van de ZW-uitkering na afloop van de maximaal dertien weken doorbetaling WW bij ziekte (DWBZ) het gewijzigde artikel 29 lid 7 ZW Pro. De hoogte van de ZW-uitkering wordt in dat geval onder overneming van het WWdagloon, maandelijks vastgesteld overeenkomstig de systematiek van artikel 47b WW. De bepalingen met betrekking tot het dagloon en inkomen van artikel 1b WW en de daarop berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing tijdens de uitkering van het ziekengeld. De wetstechnische beschrijving voor de ZW staat in het handboek ZW: Ingang, hoogte, duur ziekengeld zieke werkloze.
Met ingang van 1 april 201 7 is artikel 29h ZW in de Ziektewet opgenomen en geldt de WW-kortingssystematiek vanaf 1 april 2017 ook voor ziekengeld:
• ontstaan binnen vier weken nadat een WW-recht is beëindigd (laatstelijk verzekerd op grond van artikel 7 ZW Pro)
• ontstaan binnen vier weken nadat een ZW-uitkering is beëindigd waarop de WWkortingssystematiek werd toegepast (laatstelijk verzekerd op grond van artikel 8 ZW Pro)
• aansluitend of binnen 4 weken na een WAZO-uitkering die volgt op een WW-uitkering of een ZW-uitkering waarop de WW-kortingssystematiek werd toegepast (laatstelijk verzekerd op grond van artikel 8c ZW)
In 29h ZW is vanaf 1 april 2017 ook wettelijk geregeld dat het ziekengeld waarop de WWkortingssystematiek van toepassing is met een uitkeringspercentage van 100% wordt berekend als het recht op ziekengeld is gebaseerd op artikel 29 lid 2 onder Pro e of f ZW (bij ziekte in verband met zwangerschap, bevalling of orgaandonatie).
Dit voerde UWV vanaf 1 juli 2015 al zo uit voor het ziekengeld dat werd vastgesteld op grond van artikel 29 lid 7 ZW Pro.
De wetsuitleg voor de ZW-dagloonvaststelling onder het oude recht (d.w.z. WWuitkeringen met een eerste WW-dag voor 1 juli 201 5) staat in
Daglonen vanaf 1 juni 2013 hoofdstuk 7

Voetnoten

1.CRvB 12 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2189.
2.Onder verwijzing naar CRvB 10 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO5404 en CRvB 27 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2614.
3.CRvB 12 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2189.