ECLI:NL:CRVB:2026:763

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
24/2800 WLZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:113 AwbWet maatschappelijke ondersteuning 2015Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij maatwerkvoorziening Wmo 2015

Appellante had beroep ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen over de omvang van een maatwerkvoorziening voor wasverzorging op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).

De Raad oordeelde dat het geschil betrekking heeft op een afgesloten periode in het verleden en dat appellante geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep, omdat geen belang meer bestaat voor toekomstige maatwerkvoorzieningen en er geen schade is gebleken.

Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn van de procedure was overschreden met ongeveer één jaar en drie maanden, waardoor het college werd veroordeeld tot een schadevergoeding van €1.500,- aan appellante.

De Raad verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en veroordeelde het college tevens in de proceskosten van appellante ter hoogte van €467,-.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het college wordt veroordeeld tot betaling van €1.500,- schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/2800 WMO15
Uitspraak op het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen van 21 november 2024
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)
Datum uitspraak: 3 juni 2026

SAMENVATTING

De Raad oordeelt dat appellante geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 21 november 2024. De Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Het college moet appellante een schadevergoeding betalen vanwege de lange duur van de procedure.

PROCESVERLOOP

Met een uitspraak op 3 oktober 2024 [1] heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Limburg van 15 april 2022 vernietigd voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. Het college is opdracht gegeven om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak. Met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat tegen de te nemen beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
Met een besluit van 21 november 2024 (bestreden besluit) heeft het college opnieuw op het bezwaar van appellante beslist.
Namens appellante heeft mr. A.C.S. Grégoire beroep ingesteld en stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift en stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 mei 2026. Voor appellante is mr. Grégoire verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.M. Roestenberg. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak 25/459. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. In de zaak 25/459 is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 3 oktober 2024.
1.1.
In die uitspraak ging het om een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) over de periode van 1 april 2021 tot en met 31 maart 2026
.De Raad heeft geoordeeld dat de rechtbank op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat de verstrekte maatwerkvoorziening voor huishoudelijk werk een passende bijdrage levert zoals bedoeld in artikel 2.3.5., derde lid, van de Wmo 2015. Wat betreft de wasverzorging had het college zijn beleid, dat was gebaseerd op het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 van Bureau HHM, niet ten grondslag mogen leggen aan het besluit van 30 juli 2021. Dat besluit is, voor zover dat ziet op dat onderdeel, niet zorgvuldig voorbereid. Aan het college is opdracht gegeven om ten aanzien van de wasverzorging de omvang van de ondersteuning opnieuw vast te stellen.
1.2.
Na de uitspraak van de Raad heeft het college aan appellante gevraagd of er vanaf 1 april 2021 meer tijd aan de wasverzorging is besteed dan aan haar was verstrekt en zo ja of hiervoor kosten zijn gemaakt dan wel rekeningen onbetaald zijn gebleven. Appellante heeft daarop naar voren gebracht dat van haar niet verlangd kan worden dat zij zonder zicht op een tegemoetkoming aanvullende zorg inkoopt en dat zij dat financieel ook niet kan opbrengen.
Het bestreden besluit
2. Om uitvoering te geven aan de uitspraak van de Raad heeft het college het thans bestreden besluit genomen. Volgens het college moet in een situatie als deze worden teruggevallen op het CIZ-protocol. Het college heeft de omvang van de wasverzorging met toepassing van dit protocol bepaald op 90 minuten per week. Omdat niet is gebleken dat appellante over de inmiddels al verstreken periode waarop de maatwerkvoorziening ziet extra kosten heeft gemaakt, heeft het college geen extra tijd meer voor die periode verstrekt.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het niet eens met het bestreden besluit, voor zover daarbij geen extra tijd is toegekend voor de al verstreken periode van de maatwerkvoorziening. Zij heeft aangevoerd dat haar huis nu niet schoon is doordat zij destijds te weinig ondersteuning heeft gekregen en dat het college daarom inhaalhulp moet verstrekken. Appellante heeft verder om een schadevergoeding gevraagd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of appellante procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep. De Raad komt tot het oordeel dat dit niet het geval is. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden. [2]
4.2.
Het geschil ziet op een afgesloten periode in het verleden. Gesteld noch gebleken is dat een inhoudelijk oordeel van het beroep nog van belang kan zijn voor een toekomstige maatwerkvoorziening voor appellante. De Raad acht het verder op voorhand onaannemelijk dat appellante schade heeft geleden als gevolg van het bestreden besluit. Appellante heeft op vragen van het college geantwoord dat zij in de hier voorliggende verstreken periode geen extra ondersteuning heeft ingekocht. Ook overigens is niet gebleken van enige schade. Daarnaast is niet gebleken dat een nu nog in te halen achterstand is ontstaan doordat in het verleden te weinig minuten voor wasverzorging zijn verstrekt.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat appellante geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
5. Appellante heeft verzocht om vergoeding van schade in verband met een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM [3] .
5.1.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [4] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
5.2.
In een geval als dit, waarin een vernietiging van een beslissing op bezwaar, met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb, leidt tot het opnieuw instellen van beroep, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan toegerekend. [5] Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden niet voor rekening van het bestuursorgaan, maar voor rekening van de Staat. Bij de beoordeling of de rechterlijke fase in de eerste ronde al dan niet te lang heeft geduurd wordt uitgegaan van een behandelingsduur van drie en een half jaar voor de rechtbank en de Raad tezamen. Bij de beoordeling of de Raad er al dan niet te lang over heeft gedaan in de fase van beroep tegen de nieuwe beslissing op het bezwaar geldt de voor beroep gangbare normatieve termijn van anderhalf jaar. [6]
5.3.
Vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift op 10 maart 2021 tot de datum van de uitspraak is een periode van vijf jaar en bijna drie maanden verstreken. In dit geval bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar mag bedragen. Dit betekent dat de redelijke termijn met ongeveer één jaar en drie maanden is overschreden. Dit leidt tot een aan appellante te betalen schadevergoeding van € 1.500,-.
5.4.
Vervolgens moet worden bezien aan wie de overschrijding moet worden toegerekend. De rechterlijke fase in de eerste ronde heeft minder dan drie en een half jaar geduurd. De rechterlijke fase in de tweede ronde heeft één jaar en zes maanden geduurd. Gelet op de hiervoor genoemde uitgangspunten betekent dit dat het college zal worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 1.500,-.

Conclusie en gevolgen

6. Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat appellante geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep. Het beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. Uit 5.1 tot en met 5.4 volgt verder dat het college aan appellante een bedrag van € 1.500,- aan immateriële schade moet betalen wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Proceskosten
7. In verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bestaat er aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellante ter zake van dat verzoek. Deze kosten worden begroot op € 467,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde per punt van € 934,- en met een wegingsfactor van 0,5). Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling ter zitting van het verzoek om schadevergoeding bestaat in dit geval geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt het college tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.500,-;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins als voorzitter en L.M. Tobé en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) D.M.A. van de Geijn

Voetnoten

2.Zie onder meer de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887.
3.Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
5.Zie de uitspraak van de Raad van 25 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH9991.
6.Zie de uitspraak van de Raad van 12 juni 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:902.