Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:789

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
25/1554 JW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3 JeugdwetArt. 2.9 JeugdwetArt. 6 Verordening Jeugdhulp gemeente Súdwest-Fryslân 2025Art. 22 Verordening Jeugdhulp gemeente Súdwest-Fryslân 2025Art. 8:113 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van jeugdhulpvoorzieningen en rechtszekerheid bij toepassing Verordening 2025 gemeente Súdwest-Fryslân

Deze zaak betreft beroepen tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân over voorzieningen voor jeugdhulp die ouders aan appellanten geven. In een eerdere uitspraak van 6 maart 2025 had de Raad geoordeeld dat de Verordening 2018 onvoldoende rechtszekerheid bood en daarom niet als grondslag kon dienen voor besluiten over jeugdhulp. Het college nam vervolgens nieuwe besluiten op basis van de Verordening 2025.

Appellanten stelden dat de Verordening 2025 eveneens niet voldeed aan de eisen van rechtszekerheid en wettelijke grondslag, en dat het college deze niet had mogen toepassen. De Raad oordeelde dat de Verordening 2025 met overgangsrecht op de lopende bezwaarschriften van toepassing is en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn om hiervan af te wijken. De Raad concludeerde dat de Verordening 2025 voldoende criteria en afwegingsfactoren bevat, zoals opgenomen in artikel 6, om te voldoen aan artikel 2.9 van de Jeugdwet.

De Raad nam daarbij mee dat de adviezen van JPH Consult van 7 oktober 2022 de criteria van de Verordening 2025 weerspiegelen en dat er geen aanwijzingen zijn dat de ouders overbelast zijn of dat de financiële situatie problemen oplevert. De omvang van de bovengebruikelijke hulp is niet in geschil. De Raad verklaarde de beroepen ongegrond en handhaafde de besluiten van 13 juni 2025.

De Raad wees tevens op het belang van rechtszekerheid en voorspelbaarheid in de uitvoering van de Jeugdwet en bevestigde dat het college met de Verordening 2025 een deugdelijke wettelijke grondslag heeft voor de besluiten over jeugdhulpvoorzieningen aan ouders.

Uitkomst: De beroepen tegen de besluiten van 13 juni 2025 worden ongegrond verklaard en de besluiten blijven in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/1554 JW, 25/1555 JW
Uitspraak op de beroepen tegen de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân van 13 juni 2025
Partijen:
[appellant 1] , [appellant 2] en [appellant 3] te [woonplaats] (appellanten)
het college van burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân (college)
Datum uitspraak: 17 juni 2026

SAMENVATTING

Deze zaken gaan over voorzieningen voor jeugdhulp die ouders aan appellanten geven. In een eerdere uitspraak heeft de Raad onder meer geoordeeld dat de Verordening 2018 niet tegemoetkomt aan de eisen van rechtszekerheid en voorspelbaarheid en dat deze Verordening daarom niet aan de beslissingen over de jeugdhulp ten grondslag kon worden gelegd. De ter uitvoering van die uitspraak genomen besluiten zijn gebaseerd op de Verordening 2025. De Raad oordeelt dat het college met die besluiten op een juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de eerdere uitspraak.

PROCESVERLOOP

Met een uitspraak van 6 maart 2025 [1] heeft de Raad de uitspraken van de rechtbank NoordNederland van 26 mei 2023 en van 15 december 2023 vernietigd, de beroepen gegrond verklaard en de beslissingen op bezwaar van 6 december 2022 en 6 maart 2023 vernietigd. Het college is opdracht gegeven om nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak. Met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat tegen de te nemen beslissingen op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
Met afzonderlijke besluiten van 13 juni 2025 (bestreden besluiten) heeft het college opnieuw op de bezwaren van appellanten beslist.
Namens appellanten heeft [gemachtigde 1] beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift en stukken ingediend.
De jeugdigen zijn afzonderlijk, in voor jeugdigen begrijpelijke taal, uitgenodigd om mondeling of op enige andere wijze hun visie te geven.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 maart 2026. Namens appellanten zijn verschenen hun ouders, [naam moeder] en [naam vader] , bijgestaan door de heer [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.G. Hoekstra en mr. J. Otter.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 6 maart 2025. Het geschil ziet niet op de toegekende jeugdhulp verleend door professionele hulpverleners.
1.1.
In die uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat de gemeenteraad met de Verordening Jeugdhulp gemeente Súdwest-Fryslân 2018 (Verordening 2018) de opdracht van artikel 2.9 van de Jeugdwet (Jw) onvoldoende ten uitvoer heeft gelegd. Die Verordening biedt geen kader als in dat artikel bedoeld. Niet is geregeld wat de voorwaarden zijn voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij, een individuele voorziening. Weliswaar zijn de termen formele en informele ondersteuning in de Verordening 2018 gedefinieerd – te weten ondersteuning die met een vergoeding vanuit het persoonsgebonden budget (pgb) wordt geboden door een deskundige respectievelijk een niet-deskundige – maar niet geregeld is wanneer een verzoek om een pgb voor informele ondersteuning verleend door de ouders wordt afgewezen. Elders wordt de term gebruikelijke hulp wel gedefinieerd: de normale, dagelijkse zorg die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de ouder(s), inwonende kinderen of huisgenoten. Maar aan het voldoen aan deze definitie worden geen gevolgen verbonden. Aan de jeugdige en de ouders wordt op deze wijze onvoldoende rechtszekerheid, althans onvoldoende concrete op de individuele situatie betrekking hebbende duidelijkheid, geboden ten aanzien van de vraag waarop recht bestaat en wat de afwegingsfactoren zijn. Het bepaalde in de Verordening 2018 kan gezien het voorgaande niet ten grondslag worden gelegd aan de besluiten van 6 december 2022 en 6 maart 2023. De Jw geeft, gelet op artikel 2.9 van die wet, dat kader evenmin. Niet duidelijk is dan ook binnen welk juridisch sluitend afwegingskader deze besluiten tot stand zijn gekomen. Dit betekent dat deze besluiten een deugdelijke wettelijke grondslag ontberen en in strijd zijn met de wet. Aan het college is opdracht gegeven nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen.
De bestreden besluiten
2. De gemeenteraad van Súdwest-Fryslân heeft op 8 mei 2025 de Verordening Jeugdhulp van de gemeente Súdwest-Fryslân 2025 (Verordening 2025) vastgesteld. Het college heeft vervolgens ter uitvoering van de uitspraak van de Raad de thans bestreden besluiten genomen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat in de Verordening 2025 een kader is opgenomen voor de beoordeling van de aanvraag van een voorziening voor hulp die ouders aan hun kind bieden. JPH Consult heeft voorafgaand aan de besluiten van 6 december 2022 en 6 maart 2023 een nader onderzoek verricht om te beoordelen of het gezin over voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen beschikt om in de ondersteungingsbehoefte van appellanten te voorzien. Uit de adviezen van JPH Consult van 7 oktober 2022, die zijn opgesteld naar aanleiding van dit onderzoek, blijkt dat het gezin over voldoende eigen mogelijkheden beschikt om de problemen zelf op te lossen en dat door een goede afstemming tussen werk en zorg/hulpverlening ervoor gezorgd kan worden dat er altijd iemand thuis is om appellanten de hulp te bieden die zij nodig hebben. De ouders zijn beschikbaar om de kinderen die hulp te bieden en er is geen sprake van dreigende overbelasting of financiële problemen door de combinatie van zorg/hulpverlening en werk. Gelet op deze omstandigheden wordt van de ouders verwacht dat zij die benodigde hulp bieden en wordt hiervoor geen voorziening voor jeugdhulp toegekend, aldus het college. Over de periode van 1 juni 2020 tot en met 31 december 2020 had het college met het besluit van 6 maart 2023 aan appellanten een voorziening voor jeugdhulp voor de informele ondersteuning door de ouders voor totaal 40 uur per week toegekend in de vorm van een pgb. Dit heeft het college in stand gelaten.
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het met de bestreden besluiten niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellanten hebben aangevoerd, de beroepsgronden, of de bestreden besluiten in stand kunnen blijven. De Raad komt tot het oordeel dat de beroepen niet slagen. De wettelijke regels die voor de beoordeling van de beroepen belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Appellanten voeren aan dat het college de bestreden besluiten niet had mogen baseren op de Verordening 2025. Dit is in strijd met de rechtszekerheid.
4.1.1.
Met betrekking tot deze grond wordt als volgt overwogen. De Verordening 2025 is op 17 mei 2025 in werking getreden, onder gelijktijdige intrekking van de daarvóór geldende Verordening. In de Verordening 2025 is overgangsrecht opgenomen. In artikel 22, derde lid, van de Verordening 2025, is bepaald dat op bezwaarschriften die nog in behandeling zijn na inwerkingtreding van de nieuwe verordening, de nieuwe verordening van toepassing is. De Verordening 2025 heeft dus onmiddellijke werking. Appellanten stellen dat de toepassing van deze bepaling achterwege moet blijven omdat die toepassing leidt tot strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De Raad ziet in hetgeen is aangevoerd op dit punt en gezien de uitspraak van 6 maart 2025 geen aanknopingspunten om deze bepaling van – algemeen aanvaard – overgangsrecht buiten toepassing te laten. Met het bestreden besluit heeft het college toepassing gegeven aan artikel 22, derde lid. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst leidt. Daarbij weegt mee dat, zoals het college ook ter zitting heeft toegelicht, toepassing van de oude regelgeving voor appellanten niet gunstiger was.
4.2.
Appellanten voeren voorts aan dat de Verordening 2025 nog steeds niet voldoet aan de eisen die de Jw stelt. De bestreden besluiten ontberen dan ook wederom een deugdelijke wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 2.9 van de Jw en zijn in strijd met de wet.
4.2.1.
Daarover wordt als volgt overwogen. In artikel 6 van Pro de Verordening 2025 is opgenomen wat de criteria en afwegingsfactoren zijn bij het beoordelen of sprake is van gebruikelijke hulp en eigen mogelijkheden (eigen kracht). Jeugdigen of ouders komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. Hieronder wordt – voor zover relevant – in ieder geval verstaan gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders en bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan. In artikel 6, zesde en zevende lid, van de Verordening 2025 is dit nader uitgewerkt ten aanzien van onder meer – zoals hier van belang – de bovengebruikelijke hulp. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen bovengebruikelijke hulp in kortdurende en langdurige situaties. Voor een langdurige situatie, zoals hier aan de orde, worden weegfactoren genoemd en bestaat een restcategorie: overige individuele omstandigheden. Als die factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp verlenen. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp, aldus lid 7.
4.2.2.
Los van de vraag of de financiële situatie onderdeel is van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, is naar het oordeel van de Raad met artikel 6, zesde en zevende lid, van de Verordening 2025 voor het overige met betrekking tot de criteria die hier aan de orde zijn een voldoende uitwerking gegeven aan artikel 2.9 van de Jw, zoals nader is uitgelegd in de uitspraken van de Raad van 29 mei 2024. [2] De stelling van appellanten dat het Burgerlijk Wetboek (BW) nergens genoemd is, maakt dit niet anders. Uit de tekst van de Verordening 2025 blijkt dat rekening is gehouden met het bepaalde in het BW omtrent de plicht van ouders hun kinderen te verzorgen en op te voeden.
4.2.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat de ouders bovengebruikelijke hulp verlenen en ook de omvang van deze hulp is niet in geschil. Beide partijen sluiten hiervoor aan bij de in de adviezen van JPH Consult van 7 oktober 2022 opgenomen omvang van de bovengebruikelijke hulp van in totaal 56 uur en 5 minuten per week (17 uur en 45 minuten voor [naam kind A] , 19 uur en 15 minuten voor [naam kind B] en 19 uur en 5 minuten voor [naam kind C] ). Appellanten willen dat het college voor deze bovengebruikelijke hulp een voorziening voor jeugdhulp in de vorm van een pgb verstrekt.
4.2.4.
Anders dan appellanten stellen, zijn in de adviezen van JPH-Consult van 7 oktober 2022 de criteria van artikel 6, zesde en zevende lid, van de Verordening 2025, voorzover relevant in dit geschil, terug te vinden, met uitzondering van de financiële situatie. Dat dit niet steeds puntsgewijs aan de orde is gekomen, doet hier in dit geval niet aan af. Uit die adviezen blijkt niet van problemen bij het kunnen verlenen van de bovengebruikelijke hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van die hulp en bij de belasting van de ouders. Het betoog van appellanten dat de financiële situatie door JPHConsult niet is meegewogen, kan hen niet baten. Wat er ook zij van de vraag of dit element onderdeel is van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, niet is gebleken dat in de periode hier in geding de financiële situatie van de ouders van appellanten tot problemen heeft geleid. Dat betekent dan ook dat appellanten niet in aanmerking komen voor een voorziening voor jeugdhulp.

Conclusie en gevolgen

4.3.
De beroepen slagen dus niet. Dit betekent dat de besluiten van 13 juni 2025 in stand blijven.
5. Omdat de beroepen niet slagen krijgen appellanten geen vergoeding voor hun proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en B. Serno en C.W.C.A. Bruggeman als leden, in tegenwoordigheid van H. de Brabander als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026.

(getekend) E.E.V. Lenos

de griffier is verhinderd te ondertekenen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Jeugdwet
Artikel 2.3. eerste lid
1. Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:
a. gezond en veilig op te groeien;
b. te groeien naar zelfstandigheid, en
c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.
Artikel 2.9
De gemeenteraad stelt bij verordening en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet in ieder geval regels:
a. over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;
b. over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen;
c. de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 wordt vastgesteld, en
d. voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.
Verordening Jeugdhulp van de gemeente Súdwest-Fryslân 2025
Artikel 6
1. Jeugdigen of ouders komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan:
• gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders;
• bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan;
• de ondersteuning vanuit het sociale netwerk;
• het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten.
2. Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van 1 van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont
3. Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren:
a. de leeftijd van de jeugdige;
b. de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft;
c. de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige;
d. de mate van planbaarheid van de hulp;
e. de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige.
4. Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.
5. Gaat het om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het college beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat weergegeven. Het college maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties:
- kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar.
- langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar.
Het college verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.
6. Bij de beoordeling in langdurige situaties houdt het college rekening met de volgende factoren:
a. de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige;
b. de mate van planbaarheid van de hulp;
c. het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders;
d. de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige;
e. vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond);
f. of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden;
g. welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen;
h. het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen;
i. de woonsituatie;
j. de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet);
k. is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of zijn ouders te ondersteunen;
l. overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders worden ingebracht.
7. Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp verlenen. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp.
8. Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende:
a. er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige;
b. als de overbelasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen;
c. bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen;
d. als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht;
e. het verlenen van hulp aan de jeugdige gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten;
f. een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen.
9. Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp.
10. Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed.
Artikel 22
1. De Verordening Jeugdhulp gemeente Súdwest-Fryslân 2024 wordt ingetrokken zodra de Verordening Jeugdhulp gemeente Súdwest-Fryslân 2025 in werking treedt.
2. Een jeugdige en/of ouder(s) houdt het recht op een verstrekte voorziening, inclusief het daarbij verstrekte persoonsgebonden budget, ook na inwerkingtreding van de nieuwe verordening, tot de einddatum van de beschikking of tot het college op basis van een gewijzigde ondersteuningsbehoefte een nieuw besluit heeft genomen.
3. Op aanvragen, bezwaarschriften en (hoger) beroepsschriften die nog in behandeling zijn na inwerkingtreding van de nieuwe verordening wordt besloten met toepassing van deze nieuwe verordening.