Appellanten, kinderen met een autismespectrumstoornis, ontvingen jeugdhulpvoorzieningen via het college van burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân. Het college had de informele ondersteuning door de ouders verminderd of afgewezen, stellende dat appellanten voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen bezitten.
De rechtbank had deze besluiten in stand gelaten, maar appellanten gingen in hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de gemeentelijke Verordening Jeugdhulp 2018 niet voldoet aan de eisen van rechtszekerheid en voorspelbaarheid zoals vereist in artikel 2.9 van de Jeugdwet. De verordening bevat onvoldoende concrete criteria en afwegingsfactoren voor de toekenning van jeugdhulp, waardoor de besluiten geen deugdelijke wettelijke grondslag hebben.
De Raad vernietigt daarom de bestreden besluiten en de aangevallen uitspraken van de rechtbank. Het college wordt opgedragen nieuwe besluiten te nemen binnen een adequaat kader, waarbij rekening moet worden gehouden met de belangen van appellanten. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Deze uitspraak benadrukt het belang van heldere, concrete regels in gemeentelijke verordeningen voor rechtszekerheid en rechtsbescherming bij jeugdhulpverlening.