ECLI:NL:CRVB:2026:820
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging eerste ziektedag en dagloon Ziektewet na afwijzing medische afzakker
Appellant, die sinds 2005 werkzaam was bij verschillende werkgevers, meldde zich in 2013 ziek vanwege colitis ulcerosa en hervatte het werk in 2014. Na diverse dienstverbanden meldde hij zich opnieuw ziek op 28 februari 2022 en kreeg een Ziektewetuitkering toegekend met een dagloon van €104,91. Appellant stelde dat hij als medische afzakker moest worden beschouwd en dat de eerste ziektedag moest worden verlegd naar 28 maart 2013, wat zou leiden tot een hoger dagloon.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek tot verlegging van de eerste ziektedag buiten de omvang van het geding viel en dat appellant niet als medische afzakker kon worden aangemerkt. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat appellant dit verzoek wel degelijk in bezwaar had gedaan en ging inhoudelijk op het verzoek in.
De Raad volgde het standpunt van het Uwv dat de maatstaf voor het dagloon de laatst verrichte arbeid is, namelijk het werk bij de laatste werkgever. Er was geen grond om de eerste ziektedag te verleggen naar 2013, mede omdat appellant zich na zijn werkhervatting in 2014 niet opnieuw ziek had gemeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het dagloon gehandhaafd.
Daarnaast werd het Uwv veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerste ziektedag van 28 februari 2022 en het dagloon van €104,91 voor de Ziektewetuitkering, en wijst het hoger beroep af.