ECLI:NL:CRVB:2026:84

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
24/1109 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep van het Uwv tegen de startdatum van de uitlooptermijn van de Wet WIA en de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant. De rechtbank had geoordeeld dat de startdatum van de uitlooptermijn van 24 maanden, zoals bedoeld in artikel 60, derde lid, van de Wet WIA, verschoven moest worden naar 26 juni 2023. Het Uwv betoogde dat deze datum niet verschoven moest worden, omdat de nieuw geselecteerde functie binnen een eerder geselecteerde SBC-code viel en in het verlengde lag van een functie die eerder was aangezegd. Betrokkene, die in deze zaak als werknemer wordt aangeduid, stelde dat de functies niet gelijksoortig waren en daarom ten onrechte in dezelfde SBC-code waren ingedeeld. De Centrale Raad van Beroep volgde het standpunt van het Uwv en oordeelde dat het hoger beroep slaagde. Daarnaast was er een incidenteel hoger beroep van betrokkene, dat zich richtte tegen de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid. Betrokkene meende dat hij meer beperkingen had dan het Uwv had aangenomen. De Raad oordeelde echter dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid correct had vastgesteld. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, behalve de beslissingen over proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1109 WIA, 24/1787 WIA
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 9 april 2024, 23/595 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 21 januari 2026

SAMENVATTING

Het hoger beroep van het Uwv richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de startdatum van de uitlooptermijn van 24 maanden als bedoeld in artikel 60, derde lid, van de Wet WIA moet worden verschoven naar 26 juni 2023, zijnde de dag waarop met een gewijzigde beslissing op bezwaar een nieuwe functie is aangezegd. Het Uwv heeft aangevoerd dat de startdatum van de uitlooptermijn niet moet worden verschoven, omdat de nieuw geselecteerde functie valt binnen een eerder geselecteerde SBC-code en in het verlengde ligt van een functie die betrokkene eerder is aangezegd. Betrokkene heeft gesteld dat de betreffende functies niet gelijksoortig zijn en daarom ten onrechte in dezelfde SBCcode zijn ingedeeld. De Raad volgt het standpunt van het Uwv en komt tot het oordeel dat het hoger beroep van het Uwv slaagt.
Het incidenteel hoger beroep van betrokkene richt zich tegen het oordeel van de rechtbank over de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid. Betrokkene is van mening dat hij meer (medische) beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld. Het incidenteel hoger beroep slaagt dus niet.

PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. E. Weijer, advocaat, een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend naar aanleiding van het incidenteel hoger beroep en vragen van de Raad beantwoord.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 november 2025. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Weijer.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Betrokkene heeft voor het laatst gewerkt als senior employee operations voor gemiddeld 38,74 uur per week. Op 29 juni 2018 heeft hij zich ziekgemeld met psychische en lichamelijke klachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan betrokkene met ingang van 26 juni 2020 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 80 tot 100%.
1.2.
Bij besluit van 20 april 2022 heeft het Uwv betrokkene na afloop van de loongerelateerde periode met ingang van 26 juni 2022 (datum in geding) in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij betrokkene onverminderd volledig arbeidsongeschikt is geacht.
1.3.
De (ex-)werkgever van betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 april 2022 en aangevoerd dat aan dit besluit ten onrechte geen actueel medisch en arbeidskundig onderzoek ten grondslag ligt. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat betrokkene bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 23 augustus 2022. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat betrokkene niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor betrokkene functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 47,42%.
1.4.
Met een brief van 6 oktober 2022 heeft het Uwv aan betrokkene en zijn (ex)werkgever het voornemen bekend gemaakt om het besluit van 20 april 2022 te wijzigen en de mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen op 47,42%.
1.5.
Betrokkene heeft zijn bezwaren tegen het voorgenomen besluit naar voren gebracht. De (ex-)werkgever heeft zich met het voornemen kunnen verenigen.
1.6.
Bij besluit van 31 januari 2023 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van de (ex-)werkgever gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 47,42%. Het Uwv heeft daarbij bepaald dat de uitkering gedurende de eerste 24 kalendermaanden na de voorgenomen beslissing van 6 oktober 2022 niet wijzigt. Aan bestreden besluit 1 ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
1.7.
Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. In de beroepsprocedure heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 15 juni 2023 een gewijzigde FML opgesteld. In deze FML is bij beoordelingspunt 3.8.1 toegevoegd dat betrokkene hooikoorts heeft. Daarnaast is aan de FML toegevoegd dat betrokkene niet ‘s nachts kan werken. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat de functie medewerker bloemkwekerij, vallend in SBC-code 111010, niet langer passend is, omdat men in deze functie in aanraking komt met meeldraden. Daarvoor in de plaats heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep binnen dezelfde SBC-code de functie champignonplukker geselecteerd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw berekend. Met een gewijzigde beslissing op bezwaar van 26 juni 2023 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 48,55%.
Uitspraak van de rechtbank
2. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de rechtbank bestreden besluit 2 in haar beoordeling betrokken.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2 gegrond verklaard en de bestreden besluiten vernietigd voor zover daarbij is bepaald dat de uitlooptermijn van 24 maanden, waarin geen inkomenseis geldt, start op 6 oktober 2022. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien en bepaald dat de uitlooptermijn start op 26 juni 2023. Tot slot heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de proceskosten van betrokkene en bepaald dat het Uwv het griffierecht moet vergoeden.
2.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek zorgvuldig verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft kennis genomen van het dossier en het bezwaar van betrokkene. Zij heeft informatie opgevraagd bij de huisarts en deze informatie meegewogen in haar beoordeling. De rechtbank heeft geen reden gezien om aan te nemen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aspecten van de medische situatie van betrokkene heeft gemist. Evenmin heeft de rechtbank aanleiding gezien om te oordelen dat het Uwv de belastbaarheid van betrokkene onjuist heeft ingeschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 27 januari 2023 toegelicht dat de medische informatie die in bezwaar is ontvangen bevestigt wat de verzekeringsarts heeft overwogen en beoordeeld in het rapport van 23 augustus 2022 (behorend bij de voorgenomen beslissing van 6 oktober 2022). De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in beroep een beperking aan de FML toegevoegd voor werken in de nacht. Dit werd eerder wel benoemd in het rapport van de verzekeringsarts van 23 augustus 2022, maar niet in de FML verwerkt. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat uit de in beroep overgelegde medische informatie geen nieuwe medisch geobjectiveerde aandoeningen blijken en dat de bijwerkingen van de medicatie die betrokkene gebruikt niet tot aanvullende beperkingen leiden. De rechtbank heeft geen reden gezien om aan deze motiveringen te twijfelen. Uitgaande van de juistheid van de bij betrokkene vastgestelde medische beperkingen, heeft de rechtbank ook geen grond gezien voor het oordeel dat de geselecteerde functies niet geschikt voor hem zijn.
2.3.
Wat betreft de uitlooptermijn heeft de rechtbank overwogen dat uit de uitspraak van de Raad van 24 juli 2019 [1] blijkt dat de termijn van 24 kalendermaanden gaat lopen vanaf het moment dat de functies worden aangezegd. Aangezien met bestreden besluit 2 een nieuwe functie is aangezegd, waardoor de restverdiencapaciteit en de inkomenseis wijzigen, gaat de uitlooptermijn pas lopen vanaf 26 juni 2023. Dat het om functies gaat binnen dezelfde SBCcode is onvoldoende relevant.
Het standpunt van het Uwv
3. Het hoger beroep van het Uwv richt zich tegen het oordeel van de rechtbank over de uitlooptermijn. Het Uwv heeft aangevoerd dat vanaf de datum van bestreden besluit 2 geen nieuwe uitlooptermijn gaat lopen, omdat de vervangende functie in het verlengde ligt van de functie die oorspronkelijk was geselecteerd. In de uitspraak van de Raad van 15 april 2020 [2] ziet het Uwv een bevestiging van dit standpunt.
Het standpunt van betrokkene
4. Betrokkene is het eens met het oordeel van de rechtbank over de aanvang van de uitlooptermijn. Hij is van mening dat de functies medewerker bloemkwekerij en champignonplukker op essentiële punten dusdanig van elkaar verschillen dat het niet terecht is dat deze zijn ingedeeld in dezelfde SBC-code. Betrokkene heeft er in dit verband op gewezen dat het gaat om verschillende taken, dat het persoonlijk risico in de beide functies anders van aard is en dat ook de temperatuur waarin gewerkt moet worden verschilt. Bovendien is de functie medewerker bloemkwekerij een functie die met name staand wordt verricht, terwijl de functie champignonplukker ook zittend op een verrijdbaar zadelkrukje mag worden uitgevoerd.
4.1.
Betrokkene is het niet eens met de overwegingen van de rechtbank over de vaststelling van zijn mate van arbeidsongeschiktheid. Betrokkene heeft aangevoerd dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met de klachten die hij heeft aan zijn handen en polsen als gevolg van het Carpaal Tunnel Syndroom (CTS). Aan de rechterpols is hij geopereerd, maar deze operatie is mislukt en hij kampt nog steeds met krachtverlies waardoor hij problemen heeft met grijpen. Ook links heeft hij last van CTS. Betrokkene is van mening dat de verzekeringsarts ten onrechte alleen de beweeglijkheid van de polsen heeft onderzocht en niet heeft gekeken naar de grijpkracht. Verder heeft het Uwv volgens betrokkene de ernst van zijn psychische klachten onderschat. Er is ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat hij in de lente van 2022, dus kort voor de datum in geding, tweemaal een suïcidepoging heeft gedaan. Ook heeft betrokkene erop gewezen dat hij medicijnen gebruikt die de rijvaardigheid beïnvloeden, namelijk citalopram en temazepam. Onder andere uit de bijsluiters bij deze medicijnen blijkt dat het gebruik van een combinatie van medicijnen een sterkere invloed heeft op de rijvaardigheid dan het gebruik van slechts één medicijn. Tot slot heeft betrokkene aangevoerd dat onvoldoende is gemotiveerd dat de geselecteerde functies passen binnen de voor hem vastgestelde beperkingen.
4.2.
Het Uwv heeft met een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 oktober 2025 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 16 oktober 2025 gereageerd op wat betrokkene heeft aangevoerd.

Het oordeel van de Raad

Het hoger beroep van het Uwv
5. In artikel 60, derde lid, van de Wet WIA is bepaald – kortgezegd – dat in de situatie waarin de mate van arbeidsongeschiktheid is afgenomen van 80 tot 100% naar 35 tot 80% gedurende 24 kalendermaanden geen inkomenseis geldt.
5.1.
Het is vaste rechtspraak van de Raad dat de in artikel 60, derde lid, van de Wet WIA genoemde uitlooptermijn van 24 kalendermaanden gaat lopen vanaf de datum waarop de functies aan de betrokkene zijn aangezegd. Uit de door het Uwv genoemde uitspraak van de Raad van 15 april 2020 [3] volgt dat als gedurende de procedure een functie komt te vervallen en daarvoor in de plaats een vervangende functie wordt geselecteerd binnen dezelfde SBCcode, dit geen gevolgen heeft voor (de startdatum van) de uitlooptermijn. Betrokkene heeft dit niet betwist, maar voert aan dat de functies medewerker bloemkwekerij en champignonplukker ten onrechte zijn ingedeeld in dezelfde SBC-code, omdat de functies onvoldoende gelijksoortig zijn. De Raad volgt betrokkene daarin niet.
5.2.
In een SBC-code zijn gelijksoortige functies samengevoegd. Gelijksoortige functies zijn functies die voor tenminste 65% met elkaar overeenstemmen. Uit eerdere uitspraken van de Raad blijkt dat voor de vraag of functies zozeer van elkaar verschillen dat zij in verschillende SBC-codes kunnen worden ondergebracht, niet de doelstelling van de werkzaamheden doorslaggevend is, maar de in het kader van die functies te verrichten taken in combinatie met het niveau waarop die taken moeten worden verricht. [4]
5.3.
In reactie op het standpunt van betrokkene dat de functies medewerker bloemkwekerij en champignonplukker niet gelijksoortig zijn, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 16 oktober 2025 toegelicht dat beide functies in essentie oogstwerkzaamheden betreffen en voor tenminste 65% uit hetzelfde soort werk bestaan. In de functie champignonplukker is een medewerker 95% van de tijd bezig met het plukken van champignons op een bepaalde grootte, het afsnijden van de voetjes en het gesorteerd op kwaliteit inpakken/inleggen van de champignons in een bakje. In de functie medewerker bloemkwekerij is een medewerker 75% van de tijd bezig met het afsnijden van bloemen, geselecteerd/gesorteerd op grootte en kwaliteit en het inpakken van bloemen. Zorgvuldigheidshalve heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep daarover nog navraag gedaan bij de arbeidskundig analist, die heeft bevestigd dat de functies voor tenminste 65% uit hetzelfde soort werk bestaan. Verder heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep nog van belang geacht dat de functies geen wezenlijk andere bekwaamheden vereisen en dat het verschil in loonwaarde klein is. De Raad kan deze toelichting geheel volgen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft terecht geconcludeerd dat de door betrokkene genoemde verschillen in de belasting in de beide functies geen aanleiding geven om te concluderen dat de functies niet gelijksoortig zijn, omdat die verschillen zien op de werkomstandigheden en niet op het soort werk en de taken die moeten worden verricht.
5.4.
Uit het voorgaande volgt dat de vervanging van de functie medewerker bloemkwekerij door de functie champignonplukker geen gevolgen heeft voor (de startdatum van) de uitlooptermijn. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat dit wel het geval is. Het hoger beroep van het Uwv slaagt dus en de aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.
Het incidenteel hoger beroep van betrokkene
6. Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
6.1.1.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de verzekeringsartsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Wat betrokkene hierover in het incidenteel hoger beroepschrift heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
6.1.2.
Uit het dossier komt naar voren dat betrokkene in 2011 is geopereerd vanwege CTS rechts. Dat, zoals betrokkene stelt, deze operatie is mislukt en inmiddels ook links sprake is van CTS, is niet terug te vinden in de in het dossier aanwezig medische informatie van onder andere de huisarts. Betrokkene heeft zelf ook geen stukken ingediend waaruit dit blijkt. De verzekeringsarts heeft tijdens het lichamelijk onderzoek niet alleen de beweeglijkheid maar ook de kracht, reflexen en het gevoel in de armen onderzocht. In het rapport van 23 augustus 2022 heeft de verzekeringsarts onder andere geschreven: “kracht armen aanwezig, maar wat matig aanspannen bij vuist maken”. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 2 oktober 2025 toegelicht dat geen sprake is van een groot verlies aan knijpkracht maar van angst om kracht te zetten en dat daarvoor geen beperkingen aangenomen hoeven te worden. Hij heeft er daarbij ook op gewezen dat betrokkene niet voor de klachten onder behandeling is, wat wel zou zijn te verwachten als de klachten zo erg zijn als hij stelt. De Raad kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierin volgen.
6.1.3.
Dat betrokkene psychische klachten heeft, was bekend bij de verzekeringsartsen van het Uwv. Uit het rapport van de verzekeringsarts van 23 augustus 2022 blijkt dat zij betrokkene tijdens het spreekuur op 18 juli 2022 naar deze klachten heeft gevraagd. Betrokkene heeft daarop geantwoord dat hij citalopram als onderhoudsdosering gebruikt maar verder niet meer in behandeling is, hij heeft geen specifieke belemmeringen op dit vlak geclaimd en gezegd dat er wat betreft de psychische problematiek geen ontwikkelingen waren. De verzekeringsarts heeft in het contact met betrokkene ook geen uitingen gezien van ernstig psychisch lijden. Gezien de eerder aanwezige ernstige depressie en medicamenteuze onderhoudsbehandeling was enige (stress)gevoeligheid volgens de verzekeringsarts aannemelijk. Daarom heeft zij de beperking die bij de eerdere WIAbeoordeling waren aangenomen in het persoonlijk en sociaal functioneren overgenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanvullende informatie opgevraagd bij de huisarts en daarbij onder andere gevraagd naar de psychische klachten. In een brief van 13 december 2022 heeft de huisarts geschreven dat betrokkene voor deze klachten onder behandeling is geweest bij de POH-GGZ en medicatie kreeg voorgeschreven. Hiervan verbeterden de klachten wel wat, maar hij stopte ook wel eens met de medicatie en dan ging het slechter. In september 2020 was de bedoeling dat betrokkene zou worden verwezen naar Pro Persona, maar hij was niet bereikbaar en reageerde niet op de vraag om contact op te nemen met de praktijk. In december 2022 heeft hij weer een consult gehad. Toen is de medicatie verhoogd en is hij verwezen naar een psycholoog. Uit de in het dossier aanwezige huisartsenjournaals blijkt dat betrokkene rond de datum in geding regelmatig de huisarts heeft bezocht voor andere klachten maar geen melding heeft gemaakt van (een toename van) psychische klachten. Gelet op het voorgaande ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten om te veronderstellen dat de verzekeringsartsen de ernst van de psychische klachten hebben onderschat.
6.1.4.
Wat betreft het medicatiegebruik heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 14 juni 2023 toegelicht dat bij het gebruik van citalopram geadviseerd wordt om de eerste week na het starten van de medicatie rekening te houden met mogelijke bijwerkingen. Betrokkene krijgt dit middel al geruime tijd voorgeschreven en de effecten op de alertheid zijn gering. Bij het gebruik van temazepam in de voor betrokkene voorgeschreven dosis geldt dat alleen in de eerste acht uur na inname wordt verwacht dat sufheid optreedt. Omdat dit middel wordt voorgeschreven ter ondersteuning van het inslapen zal betrokkene het voor de nacht innemen en zal overdag geen sprake zijn van verminderde alertheid. In aanvulling daarop heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep er in het rapport van 2 oktober 2025 nog op gewezen dat het psychisch toestandsbeeld van betrokkene niet de indruk wekt dat het nadelig wordt beïnvloed door het medicatiegebruik en dat dit ook niet blijkt uit de informatie van de behandelend sector. De Raad kan deze toelichting volgen. Overigens is het middel temazepam niet opgenomen in de opsomming van gebruikte medicatie in het rapport van de verzekeringsarts van 23 augustus 2022. Uit de in het dossier aanwezige medische informatie blijkt dat betrokkene dit middel in 2018 heeft gebruikt en dat het in december 2022 opnieuw is voorgeschreven, maar niet dat hij dit op de datum in geding gebruikte.
6.2.
Uitgaande van de juistheid van de FML, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om te oordelen dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn voor betrokkene.
6.3.
Uit het voorgaande volgt dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene terecht heeft berekend op 48,55%. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6.4.
Het hoger beroep van het Uwv slaagt dus. Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte de bestreden besluiten heeft vernietigd voor zover daarbij is bepaald dat de uitlooptermijn start op 6 oktober 2022 en ten onrechte heeft bepaald dat de uitlooptermijn start op 26 juni 2023. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene slaagt niet. Omdat het Uwv in beroep bestreden besluit 1 niet langer heeft gehandhaafd, heeft de rechtbank terecht het beroep tegen dit besluit gegrond verklaard, het Uwv veroordeeld in de proceskosten van betrokkene en bepaald dat het Uwv het griffierecht moet vergoeden. Het beroep tegen bestreden besluit 2 had ongegrond moeten worden verklaard. Omwille van de duidelijkheid zal de Raad de aangevallen uitspraak in zijn geheel vernietigen, behalve de beslissingen over proceskosten en griffierecht.
7. Voor vergoeding van de in hoger beroep gemaakte proceskosten en het betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak, behalve de beslissingen over proceskosten en griffierecht;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 31 januari 2023 gegrond en vernietigt dit besluit voor zover daarin de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 47,42%;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 26 juni 2023 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter en D.S. de Vries en M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026.
(getekend) E. Dijt
(getekend) C.M. Snellenberg

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 60 van de Wet WIA:
1. Indien de duur van de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering is verstreken of als gevolg van artikel 54, vierde lid, geen aanspraak heeft bestaan op deze uitkering, bestaat de WGA-uitkering uit:
a. een loonaanvullingsuitkering voor de verzekerde die per kalendermaand een inkomen verdient dat ten minste gelijk is aan de inkomenseis, bedoeld in het tweede lid of voor wie op grond van het derde lid geen inkomenseis geldt; of
b. een vervolguitkering.
2. De inkomenseis wordt vastgesteld op de dag dat recht ontstaat op een WGA-uitkering en is voor de verzekerde die in staat is met arbeid meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, gelijk aan 50% van de resterende verdiencapaciteit. De inkomenseis wordt herzien nadat een wijziging in de resterende verdiencapaciteit twee kalendermaanden heeft voortgeduurd. De inkomenseis geldt niet meer nadat de verzekerde ten minste twee kalendermaanden slechts in staat is geweest om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
3. Voor de verzekerde, die op de dag dat recht ontstaat op een WGA-uitkering, of die gedurende ten minste twee kalendermaanden slechts in staat is geweest om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, als bedoeld in het tweede lid, geldt geen inkomenseis tot de dag dat zijn resterende verdiencapaciteit hoger dan 20% van zijn maatmaninkomen per uur is geweest gedurende een periode van 24 kalendermaanden. Deze periode eindigt op het moment dat de verzekerde gedurende ten minste twee kalendermaanden slechts in staat was met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
[…]

Voetnoten

1.CRvB 24 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2468.
2.CRvB 15 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:948.
3.CRvB 15 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:948 en zie ook de uitspraak van de Raad van 27 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7137.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 7 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:688, en van 7 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM5771.