Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Het oordeel van de Raad
aan toekenning van een Wajonguitkering in de weg staat.
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg een Wajong-uitkering aan, maar het UWV weigerde deze omdat het arbeidsvermogen niet duurzaam zou ontbreken. De rechtbank bevestigde deze weigering, stellende dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij tien jaar onafgebroken geen arbeidsvermogen had. Appellant voerde aan dat hij sinds zijn achttiende jaar door psychische klachten geen arbeidsvermogen had.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank het standpunt van het UWV over de duurzaamheid terecht had onderschreven, maar dat de beoordeling van de 10-jaarsperiode anders moest plaatsvinden. De Raad stelde dat bij laattijdige aanvragen het risico van onduidelijkheid over de periode van tien jaar niet voor rekening van appellant behoort te komen.
De Raad concludeerde dat het UWV onvoldoende had onderbouwd dat appellant gedurende de 10-jaarsperiode arbeidsvermogen had, mede gelet op verklaringen over zijn functioneren als schoonmaker. Daarom werd appellant als jonggehandicapte aangemerkt en kreeg hij per datum aanvraag recht op een Wajong-uitkering.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. De uitspraak vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en het besluit van het UWV, en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Uitkomst: Appellant krijgt per 17 december 2019 recht op een Wajong-uitkering wegens onafgebroken ontbreken van arbeidsvermogen gedurende de 10-jaarsperiode.