ECLI:NL:CRVB:2026:852
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoger beroep bijzondere bijstand voor kosten bewindvoering en rechtsbijstand
Appellant, die sinds 2021 onder bewind staat en een WAO-uitkering ontvangt, vroeg bijzondere bijstand aan voor kosten van bewindvoering, mentorschap en eigen bijdragen rechtsbijstand en griffierechten. Het college van Heerlen kende in 2022 bijzondere bijstand toe, maar weigerde deze vanaf 2023 vanwege draagkracht van appellant. Na bezwaar werd een gedeeltelijke toekenning gedaan voor de eigen bijdragen.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde. Hij betoogde dat het beleid van het college, waarbij 120% van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag als vrij te laten bedrag geldt, leidt tot een onevenredige situatie waarin hij onder het bestaansminimum komt. Tevens stelde hij dat het college in bezwaar zijn positie verslechterde, wat in strijd zou zijn met het verbod van reformatio in peius.
De Raad oordeelt dat het college terecht het besluit van 7 juni 2022 als een toekenning voor 2022 beschouwde en het besluit van 30 maart 2023 als een weigering voor 2023. Het college heeft binnen de beleidsruimte gehandeld door het onderscheid te maken op basis van de toepasselijke bijstandsnorm en het gangbare kostenpatroon, waarbij rekening is gehouden met het verblijf in een instelling. De Raad vindt geen bijzondere omstandigheden die afwijking van het beleid rechtvaardigen.
Ook is geen sprake van schending van het verbod van reformatio in peius, omdat appellant door het bezwaar financieel beter is komen te staan. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de bestreden besluiten blijven in stand. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering en gedeeltelijke afwijzing van bijzondere bijstand blijven in stand.