ECLI:NL:CRVB:2026:852

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
24/923 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 PWArt. 21 PWArt. 22 PWArt. 23 PWArt. 31 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling hoger beroep bijzondere bijstand voor kosten bewindvoering en rechtsbijstand

Appellant, die sinds 2021 onder bewind staat en een WAO-uitkering ontvangt, vroeg bijzondere bijstand aan voor kosten van bewindvoering, mentorschap en eigen bijdragen rechtsbijstand en griffierechten. Het college van Heerlen kende in 2022 bijzondere bijstand toe, maar weigerde deze vanaf 2023 vanwege draagkracht van appellant. Na bezwaar werd een gedeeltelijke toekenning gedaan voor de eigen bijdragen.

De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde. Hij betoogde dat het beleid van het college, waarbij 120% van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag als vrij te laten bedrag geldt, leidt tot een onevenredige situatie waarin hij onder het bestaansminimum komt. Tevens stelde hij dat het college in bezwaar zijn positie verslechterde, wat in strijd zou zijn met het verbod van reformatio in peius.

De Raad oordeelt dat het college terecht het besluit van 7 juni 2022 als een toekenning voor 2022 beschouwde en het besluit van 30 maart 2023 als een weigering voor 2023. Het college heeft binnen de beleidsruimte gehandeld door het onderscheid te maken op basis van de toepasselijke bijstandsnorm en het gangbare kostenpatroon, waarbij rekening is gehouden met het verblijf in een instelling. De Raad vindt geen bijzondere omstandigheden die afwijking van het beleid rechtvaardigen.

Ook is geen sprake van schending van het verbod van reformatio in peius, omdat appellant door het bezwaar financieel beter is komen te staan. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de bestreden besluiten blijven in stand. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering en gedeeltelijke afwijzing van bijzondere bijstand blijven in stand.

Uitspraak

24/923 PW, 24/924 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 8 maart 2024, 23/1766 en 23/3276 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)
Datum uitspraak: 16 juni 2026

SAMENVATTING

In deze uitspraak beoordeelt de Raad het hoger beroep van appellant tegen de weigering om bijzondere bijstand te verlenen voor de kosten van bewind en mentorschap en de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor de eigen bijdragen rechtsbijstand en griffierechten. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant volgens het beleid van de gemeente Heerlen draagkracht heeft en zelf in de kosten kan voorzien. Appellant is het daar niet mee eens. Volgens appellant is het beleid van het college in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank dat het beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat. Het bestreden besluit is in overeenstemming met het beleid en het college hoefde niet van het beleid af te wijken. De Raad volgt de rechtbank ook in haar oordeel dat appellant door het instellen van bezwaar niet in een slechtere positie is gekomen (geen reformatio in peius). Daarom slaagt het hoger beroep niet en houdt het bestreden besluit stand.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.J.J. Schins, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 mei 2026. Voor appellant is mr. Schins verschenen, via videobellen bijgestaan door [naam bewindvoerder] , bewindvoerder van appellant. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J.A. Bertholet.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
De goederen van appellant stonden sinds l6 december 2021 onder bewind bij [bedrijf] (bewindvoerder). Appellant ontvangt sinds 1 november 2004 een uitkering op grond van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Ten tijde in dit geding van belang verbleef appellant in een zorginstelling.
1.2.
Op een daartoe strekkende aanvraag heeft het college met een besluit van 7 juni 2022 aan appellant bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) toegekend voor de kosten van bewindvoering en mentorschap over het kalenderjaar 2022. Omdat appellant in dat jaar over enige draagkracht beschikte heeft het college over het jaar 2022 in totaal een bedrag van € 361,68 aan appellant toegekend. In het besluit van 7 juni 2022 heeft het college meegedeeld dat appellant de bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering en mentorschap niet elk jaar opnieuw hoeft aan te vragen en dat het college appellant begin 2023 om gegevens zal vragen om het recht op bijzondere bijstand voor deze kosten vanaf 1 januari 2023 vast te kunnen stellen.
1.3.
Met een e-mailbericht van 22 maart 2023 heeft de bewindvoerder op verzoek van het college gegevens over zijn financiële situatie ingediend.
1.4.
Met een besluit van 30 maart 2023 (besluit 1), na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 22 juni 2023 (bestreden besluit 1), heeft het college de periodieke bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering en mentorschap met ingang van 1 januari 2023 geweigerd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant voldoende draagkracht over 2023 heeft om deze kosten zelf te kunnen betalen.
1.5.
Namens appellant heeft de bewindvoerder op 29 augustus 2023 een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de PW voor de kosten van de eigen bijdragen van rechtsbijstand en griffierechten tot een bedrag van € 368,- ingediend.
1.6.
Met een besluit van 12 september 2023 (besluit 2) heeft het college deze aanvraag afgewezen omdat appellant over voldoende draagkracht beschikt om deze kosten uit zijn inkomen te voldoen.
1.7.
Met een besluit van 12 oktober 2023 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen besluit 2 gegrond verklaard, besluit 2 herroepen en beslist dat alsnog tot een bedrag van € 87,78 bijzondere bijstand aan appellant wordt toegekend. Aan dit besluit ligt een gewijzigde draagkrachtberekening ten grondslag omdat ten onrechte de kosten van bewindvoering en mentorschap niet op de draagkracht van appellant in mindering waren gebracht. Het totale netto inkomen van appellant, inclusief vakantietoeslag, bedraagt vanaf 1 januari 2023 € 1.259,45 per maand en per 1 juli 2023 € 1.291,33 per maand. Op deze bedragen dient de door appellant verschuldigde eigen bijdrage aan het Centraal Administratie Kantoor (CAK) ter hoogte van € 568,33 in mindering te worden gebracht. Daarmee komt het netto in aanmerking te nemen inkomen uit op € 691,12 respectievelijk € 723,- per maand. Op kalenderjaarbasis bedraagt het netto in aanmerking te nemen inkomen € 8.484,72 (6 x € 691,12 en 6 x € 723,-). De toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag bedraagt per 1 januari 2023 € 381,62 per maand en per 1 juli 2023 € 388,24 per maand. Alleen het inkomen voor zover dat meer bedraagt dan 120% van de toepasselijke norm wordt als draagkracht in aanmerking genomen. Dit betekent dat de inkomensgrens per 1 januari 2023 € 457,94 (120% x € 381,62) en per 1 juli 2023 € 465,89 (120% x € 388,24) bedraagt. Op kalenderjaarbasis bedraagt de inkomensgrens aldus € 5.542,98 (6 x € 457,94 en 6 x € 465,89). Hieruit volgt dat het inkomen van appellant de inkomensgrens overschrijdt met € 2.941,74 (€ 8.484,72 - € 5.542,98). De draagkracht is dan € 2.941,74. Hierop dient de reeds in 2023 aangewende draagkracht voor de kosten van bewind/mentorschap ten bedrage van € 2.711,52 (12 x € 225,96) in mindering te worden gebracht. Daarmee resteert een draagkracht van € 230,22 (€ 2.941,74 - € 2.711,52). Van de kosten van € 368,- kan een bedrag van € 230,22 uit de resterende draagkracht worden voldaan. Daarmee komt een bedrag van € 137,78 in aanmerking voor bijzondere bijstandsverlening. Na vermindering met het toepasselijke drempelbedrag van € 50,- resteert een betaling van € 87,78.
1.8.
Appellant heeft tegen de bestreden besluiten 1 en 2 beroepen ingesteld bij de rechtbank.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard en daarmee deze besluiten in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten, over de weigering van de bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering en mentorschap en de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor de eigen bijdragen rechtsbijstand en griffierechten, in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Allereerst is van belang te bepalen welke bevoegdheid het college heeft uitgeoefend. De Raad heeft partijen hierover vragen gesteld. Appellant stelt zich op het standpunt dat besluit 1 een belastend besluit is waarmee het college de periodiek toegekende bijzondere bijstand met terugwerkende kracht heeft ingetrokken. Het college stelt zich op het standpunt dat besluit 1 moet worden aangemerkt als een weigering om toekenning van bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering en mentorschap over het jaar 2023. De Raad volgt het college in zijn standpunt om de volgende redenen.
4.1.1.
Het college heeft met het in 1.2 genoemde besluit van 7 juni 2022 bijzondere bijstand toegekend voor een afgebakende periode, namelijk het (kalender)jaar 2022. In dat besluit staat dat het college begin 2023 gegevens nodig heeft om het recht op bijzondere bijstand vanaf 1 januari 2023 vast te stellen. Ter zitting heeft het college toegelicht dat de bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering en mentorschap steeds per kalenderjaar wordt toegekend. Bij iedere nieuwe toekenning voor een volgend kalenderjaar moet aan de hand van door appellant te verstrekken geactualiseerde gegevens worden beoordeeld of appellant aan de voorwaarden voor toekenning voldoet. De mededeling in het besluit van 7 juni 2022, dat appellant de bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering en mentorschap niet elk jaar opnieuw hoeft aan te vragen, ziet uitsluitend op het indienen van een aanvraag en is slechts bedoeld om de administratieve lasten voor appellant te beperken.
4.1.2.
Besluit 1 wordt dus aangemerkt als een weigering om toekenning van bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering en mentorschap over het jaar 2023. Dit betekent dat appellant aannemelijk moet maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van de bijzondere bijstand. Dit is vaste rechtspraak. [1]
Beroep op het evenredigheidsbeginsel
4.2.
Niet in geschil is dat de kosten van bewindvoering en mentorschap en ook de kosten van de eigen bijdragen van rechtsbijstand en griffierechten, waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd zich voordoen, noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Uitsluitend is in geschil of appellant voldoende draagkracht heeft om de kosten van bewindvoering en mentorschap geheel, en om de kosten van bijdragen van rechtsbijstand en griffierechten gedeeltelijk, uit het eigen inkomen te kunnen voldoen. Volgens appellant is dat niet het geval. Hij voert aan dat het beleid van het college om voor de beoordeling van de draagkracht een bedrag ter hoogte van 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief 8% aan vakantietoeslag vrij te laten, in zijn geval tot een onevenredige uitkomst leidt.
Toetsingskader
4.3.
De bijstandverlenende instantie heeft bij de vaststelling van de draagkracht in het kader van artikel 35, eerste lid, van de PW beoordelingsruimte. Bij de beoordeling van de draagkracht vindt geen belangenafweging plaats, maar gaat het uitsluitend om de beantwoording van de vraag of de aanvrager om bijzondere bijstand de kosten zelf kan dragen. Indien de aanvrager zich erop beroept dat het beleid en/of het besluit over die draagkracht in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, dient de bestuursrechter te beoordelen of de bijstandverlenende instantie met dit beleid binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven. Indien wordt geoordeeld dat dit beleid de grenzen van de redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat, moet vervolgens worden beoordeeld of het college met (analoge) toepassing van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wegens bijzondere omstandigheden had moeten afwijken van dat beleid. Dit is vaste rechtspraak. [2]
Het college is binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling gebleven
4.4.
Het college heeft voor de toepassing van de beoordelingsruimte de Beleidsregel bijzondere bijstand gemeente Heerlen (beleidsregel) vastgesteld. In artikel 3, tweede lid, van de beleidsregel is bepaald dat indien het inkomen gelijk is of lager ligt dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, zoals bedoeld in de artikelen 20, 21, 22 en 23 van de PW, er geen draagkracht uit inkomen aanwezig wordt geacht. Het inkomen, voor zover dat meer bedraagt dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, wordt volledig als draagkracht uit inkomen in aanmerking genomen. Het college is voor de vaststelling van de draagkracht van appellant uitgegaan van 120% van de instellingsnorm zoals bepaald in artikel 23 van Pro de PW, de eigen bijdrage CAK en 8% aan vakantietoeslag.
4.4.1.
Appellant voert aan dat zijn feitelijke situatie in 2023 ten opzichte van het jaar 2022 niet is gewijzigd. Appellant verbleef ook in 2023 in een instelling en hij ontving in 2023 ongewijzigd uitsluitend inkomen uit een WAO-uitkering. Enkel de verhoging van de WAOuitkering met ingang van 2023 met 10,15% leidt ertoe dat appellant wordt geacht voldoende draagkracht te hebben om de kosten (gedeeltelijk) uit het eigen inkomen te kunnen voldoen. De van toepassing zijnde instellingsnorm is echter niet evenredig meegestegen. Het gevolg is dat appellant de verhoging van de WAO-uitkering moet aanwenden voor de kosten waarvoor appellant in 2022 bijzondere bijstand ontving, in plaats van aan de primaire kosten van bestaan waarvoor deze verhoging bedoeld was. Appellant komt daardoor onder het bestaansminimum. Dit is een onevenredig gevolg van de toepassing van het beleid. Het college had hiervan moeten afwijken, bijvoorbeeld door uit te gaan van de alleenstaandennorm en niet van de instellingsnorm. Appellant verwijst naar de uitspraak van de Raad van 11 april 2023. [3]
4.4.2.
De Raad is van oordeel dat het college met de in geding zijnde beleidsregel binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven. Daarvoor is het volgende van belang. Het door het college gemaakte onderscheid naar toepasselijke bijstandsnorm (bijvoorbeeld voor gehuwden, alleenstaanden, mensen die in een inrichting verblijven en kostendelers) is gebaseerd op de artikelen 20, 21, 22 en 23 van de PW en het daarbij behorende gangbare kostenpatroon van de betrokkene. In zoverre is uitsluitend in ogenschouw genomen wat betrokkene gelet op zijn leefsituatie en kostenpatroon van de noodzakelijke kosten zelf kan dragen. Een alleenstaande die niet in een instelling verblijft heeft veel kosten waarin hij zelf moet voorzien, terwijl iemand die in een instelling verblijft die kosten niet zelf hoeft te betalen, omdat de instelling daarin voorziet. Daarom wordt voor een alleenstaande ten opzichte van iemand die in een instelling verblijft een groter bedrag van zijn inkomen buiten beschouwing gelaten bij de vaststelling van de draagkracht. Verder wordt in aanmerking genomen dat appellant op grond van het beleid, naast de resterende draagkracht, ook het vrijgehouden inkomen van 120% van de toepasselijke inrichtingsnorm tot zijn beschikking heeft.
4.4.3.
De bestreden besluiten 1 en 2 zijn overeenkomstig de beleidsregel genomen. Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat het college bij de berekening van de draagkracht in beide zaken ten onrechte is uitgegaan van 8% aan vakantietoeslag. In artikel 3, vierde lid, van de beleidsregel staat dat het percentage van 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, genoemd in het tweede lid, inclusief vakantietoeslag is. In artikel 3, zesde lid, van de beleidsregel staat dat het inkomen in aanmerking wordt genomen volgens de bepalingen in de PW. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen volgt de rekenfactor voor de vakantietoeslag van 8% uit artikel 12 van Pro de Regeling PW, IOAW en IOAZ. In dat artikel is de aanspraak op vakantietoeslag geregeld voor personen jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd met inkomen uit vroegere arbeid. Appellant betwist op zichzelf niet dat dit artikel van toepassing is. De berekening is in overeenstemming met dit artikel.
4.4.4.
In wat appellant heeft aangevoerd zijn geen bijzondere omstandigheden gelegen op grond waarvan het college met (analoge) toepassing van artikel 4:84 van Pro de Awb van de beleidsregel had moeten afwijken. Dat de instellingsnorm niet evenredig is meegestegen met de verhoging van de WAO-uitkering met 10,15% is geen bijzondere omstandigheid. Het betreft namelijk een algemene omstandigheid waardoor eenieder bij wie het inkomen als gevolg van indexering wordt verhoogd in meerdere of mindere mate kan worden getroffen. Appellant heeft zijn stelling dat hij met zijn inkomen onder het bestaansminimum komt niet onderbouwd. Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat de door appellant genoemde uitspraak van 11 april 2023 niet van toepassing is. In die zaak was aan de orde dat een deel van de beslagvrije voet moest worden aangewend voor de betaling van de kosten van bewind. Niet gesteld is dat daarvan in het geval van appellant ook sprake is.
Geen schending verbod van reformatio in peius (bestreden besluit 2)
4.5.1.
Appellant voert ten slotte nog aan dat het college in bestreden besluit 2 van de in besluit 1 vastgestelde resterende draagkracht van € 86,64 uit had moeten gaan. Door in bestreden besluit 2 van een draagkracht van € 230,22 uit te gaan is sprake van tegenstrijdige besluitvorming, dan wel wijzigt het college de rechtspositie van appellant met terugwerkende kracht. Appellant wordt hiermee in een nadeliger positie geplaatst na het maken van bezwaar tegen besluit 2, wat in strijd is met het verbod van reformatio in peius.
4.5.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Vaststaat dat het college bij de berekening van de draagkracht in besluit 1 de bedragen vanaf 1 januari 2023 als uitgangspunt heeft genomen. Ter zitting heeft het college toegelicht dat ten tijde van besluit 1 de bedragen zoals die per 1 juli 2023 zouden gaan gelden nog niet bekend waren. Die bedragen waren ten tijde van het nemen van bestreden besluit 2 inmiddels wel bekend. In bestreden besluit 2 heeft het college een berekening gemaakt, zoals onder 1.7 weergegeven, waarbij ook rekening is gehouden met de gewijzigde bedragen zoals die vanaf 1 juli 2023 golden. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat ten aanzien van de aanvraag om bijzondere bijstand voor de eigen bijdragen rechtsbijstand en griffierechten geen sprake is van een handelen in strijd met het verbod van reformatio in peius. Dit verbod houdt in dat de integrale heroverweging in bezwaar niet mag leiden tot een verslechtering van de rechtspositie van de bezwaarmaker. Dat het college in bezwaar een element van de besluitvorming in voor appellant negatieve zin heeft bijgesteld (in dit geval de resterende draagkracht), leidt op zichzelf nog niet tot een verboden benadeling. Het gaat erom of het resultaat van die besluitvorming ook nadelig voor appellant is, wat in dit geval niet zo is. Appellant is zelfs in een gunstigere (financiële) positie gekomen door het maken van bezwaar, omdat het college alsnog tot een bedrag van € 87,78 bijzondere bijstand aan appellant heeft toegekend. [4]

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om toekenning van bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering en mentorschap over het jaar 2023 en de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor de eigen bijdragen rechtsbijstand en griffierechten in stand blijven.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. Wolfrat en C. Karman als leden, in tegenwoordigheid van R.R. Olde Engberink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) R.R. Olde Engberink

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4, tweede lid
De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Participatiewet
Artikel 1, aanhef en onder f
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…)
f. inrichting:
1°.een instelling die zich blijkens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden richt op het bieden van verpleging of verzorging aan aldaar verblijvende hulpbehoevenden;
2°.een instelling die zich blijkens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden richt op het bieden van slaapgelegenheid, waarbij de mogelijkheid van hulpverlening of begeleiding gedurende meer dan de helft van ieder etmaal aanwezig is;
Artikel 23, zoals dat luidde op 1 januari 2023
1. Bij een verblijf in een inrichting is de norm per kalendermaand, indien het betreft:
a. een alleenstaande of een alleenstaande ouder: € 378,62;
(…)
2. Het bedrag van de norm, bedoeld in het eerste lid, wordt verhoogd met:
a. voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder € 3,00;
(…).
Artikel 23, zoals dat luidde op 1 juli 2023
1. Bij een verblijf in een inrichting is de norm per kalendermaand, indien het betreft:
a. een alleenstaande of een alleenstaande ouder: € 385,24;
(…)
2. Het bedrag van de norm, bedoeld in het eerste lid, wordt verhoogd met:
a. voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder € 3,00;
(…).
Artikel 31, vierde lid
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het in aanmerking nemen van de aanspraak op vakantietoeslag over een inkomen.
Artikel 35, eerste lid
Onverminderd paragraaf 2.2. heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar hel oordeel van hel college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, bedoeld in artikel 36, de studietoeslag, bedoeld in artikel 36b, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ
Artikel 12, zoals dat luidde op 1 januari 2023
Indien de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet nog niet heeft bereikt, het in aanmerking te nemen inkomen loon uit vroegere arbeid betreft en voor de inhouding van loonheffing rekening is gehouden met de algemene heffingskorting wordt de aanspraak op vakantietoeslag vastgesteld aan de hand van de navolgende tabel, waarbij onder ‘ink’ het inkomen wordt verstaan.
Indien de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet nog niet heeft bereikt, het in aanmerking te nemen inkomen loon uit vroegere arbeid betreft en voor de inhouding van loonheffing rekening is gehouden met de algemene heffingskorting wordt de aanspraak op vakantietoeslag vastgesteld aan de hand van de navolgende tabel, waarbij onder ‘ink’ het inkomen wordt verstaan.
bij een netto inkomen per maand
bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag
gelijk aan of meer dan
en minder dan
0,00
641,51
8,00%
x ink
641,51
692,80
5,05%
x ink
692,80
1358,64
8,00%
x ink
– € 20,47
1358,64
1446,86
7,23%
x ink
– € 18,49
1446,86
8,00%
x ink
– € 29,67
Beleidsregel bijzondere bijstand gemeente Heerlen
Artikel 3
1. De draagkrachtperiode is gelijk aan het kalenderjaar waarin de kosten opkomen.
2. Indien het inkomen gelijk is of lager ligt dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, zoals bedoeld in de artikelen 20, 21, 22 en 23 van de PW. wordt geen draagkracht uit inkomen aanwezig geacht. Het inkomen, voor zover dat meer bedraagt dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, wordt volledig als draagkracht uit inkomen in aanmerking genomen.
3a. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid bedraagt de inkomensgrens voor de kosten van schuldenbewind per 1 januari 2021 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Het inkomen voor zover dat meer bedraagt dan 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, wordt volledig als draagkracht in aanmerking genomen.
3b. Als er op 31 december 2020 reeds bijzondere bijstand voor uitsluitend schuldenbewind werd ontvangen, dan gaat de verlaging van de inkomensgrens als genoemd onder a in per 1 april 2021.
4. Het percentage genoemd in het tweede lid van dit artikel is inclusief vakantietoeslag.
5. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid wordt bij de volgende kostensoorten een inkomensgrens van 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm gehanteerd en wordt al het meerdere als draagkracht in aanmerking genomen:
• Aanvullende bijzondere bijstand voor jongeren onder 21 jaar
• Bijzondere bijstand inrichtingsnorm voor jongeren onder 21 jaar
• Woonkostentoeslag
• Doorbetaling vaste lasten bij verblijf in een inrichting
• Overbruggingsuitkering
6. Het inkomen en vermogen wordt in aanmerking genomen volgens de bepalingen in de PW.
7. De verlaging van de inkomensgrens naar 100% als bedoeld in het derde lid van dit artikel wordt alleen toegepast wanneer géén wettelijk (WNSP) of minnelijk (MSNP) schuldhulpverleningstraject of een saneringskrediet bestaat.
8. Bij incidentele bijzondere bijstand wordt de volledige draagkracht in één keer verrekend met het recht op bijzondere bijstand.
9. Bij periodieke bijzondere bijstand wordt de draagkracht maandelijks verrekend met het recht op bijzondere bijstand.
10. De draagkracht kan gedurende de draagkrachtperiode wijzigen bij een verandering in de financiële situatie van een belanghebbende. Hierbij wordt de draagkracht opnieuw vastgesteld per de datum dat de financiële situatie is gewijzigd.
Artikel 4 Drempelbedrag Pro
1. Het drempelbedrag bedraagt € 50,00 per kalenderjaar.
2. Als in een draagkrachtjaar de drempel al door een andere gemeente in mindering is gebracht wordt geen drempel meer toegepast.
3. De drempel geldt niet voor:
a. Bijzondere bijstand voor jongeren < 21 jaar ex artikel 12 Participatiewet Pro;
b. Bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening;
c. Bijzondere bijstand die wegens het geheel of gedeeltelijk ontbreken van de aflossingscapaciteit “om niet” wordt verstrekt;
d. Woonkostentoeslag.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3059.
2.Zie de uitspraken van 11 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1704 en ECLI:NL:CRVB:2025:1705.
4.Zie de uitspraken van 7 december 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB9695; en 6 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1668, onder 5.3. Vergelijk ook de uitspraak van 30 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1686, onder 4.1.