ECLI:NL:CRVB:2026:859

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
24/1752 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 Wet WIAArt. 16 DagloonbesluitArt. 8 WWArt. 6:19 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

WIA-dagloon correct vastgesteld ondanks zelfstandige inkomsten en beroep op evenredigheidsbeginsel

Appellant, een medisch specialist, ontving een WW-uitkering waarbij zijn inkomsten als zelfstandige in mindering werden gebracht, wat leidde tot een lager dagloon voor de WIA-uitkering. Hij stelde dat het WIA-dagloon op het maximumdagloon moest worden vastgesteld en dat het buiten beschouwing laten van zelfstandige inkomsten onevenredig was.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste bezwaar niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede bezwaar ongegrond, waarbij werd bevestigd dat zelfstandige inkomsten geen sv-loon zijn en dus niet meetellen voor het WIA-dagloon. Het Uwv verhoogde het dagloon later naar €131,77, wat appellant niet accepteerde.

De Raad oordeelde dat de referteperiode correct was vastgesteld en dat de WW-uitkeringen, inclusief de verlaging wegens zelfstandige werkzaamheden, bindend zijn. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde omdat het Dagloonbesluit een gebonden bevoegdheid betreft met een vooraf gemaakte belangenafweging. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een afwijking rechtvaardigden.

Het hoger beroep werd gegrond verklaard tegen het tweede besluit en dit vernietigd, maar het beroep tegen het derde besluit werd ongegrond verklaard. Het Uwv werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het WIA-dagloon is terecht vastgesteld op €131,77, waarbij zelfstandige inkomsten buiten beschouwing blijven en het beroep op het evenredigheidsbeginsel wordt verworpen.

Uitspraak

24/1752 WIA, 24/2371 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 16 juli 2024, 23/6232 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 1 juli 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv het dagloon voor de WIA-uitkering van appellant per 31 mei 2022 terecht heeft vastgesteld op € 131,77. Appellant stelt dat zijn dagloon moet worden vastgesteld op het maximumdagloon, zoals het Uwv heeft gedaan bij zijn WW- en ZW-uitkering die hij voorafgaand aan de WIA-uitkering heeft ontvangen. Verder stelt appellant dat sprake is van een onevenredige uitkomst, wat betreft het WIAdagloon, omdat zijn inkomsten als zelfstandige wel zijn gekort op de WW-uitkering, maar deze inkomsten niet zijn meegenomen in de berekening van het WIA-dagloon. De Raad volgt het standpunt van appellant niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht de hoogte van het WIA-dagloon heeft vastgesteld op € 131,77.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.E. Roberts-Hafkamp hoger beroep ingesteld.
Op 10 september 2024 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarbij het WIA-dagloon is vastgesteld op € 131,77.
Appellant is het niet eens met de gewijzigde beslissing.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraagstelling van de Raad beantwoord.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 februari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. D.E. de Hoop, opvolgend gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft gewerkt als medisch specialist. Op 23 februari 2019 heeft hij een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 26 februari 2019 heeft het Uwv appellant per 4 maart 2019 een WW-uitkering toegekend, waarbij het dagloon is vastgesteld op het maximumdagloon van € 214,28. Naast zijn WW-uitkering heeft appellant op waarneembasis werkzaamheden als zelfstandige verricht.
1.2.
Bij besluit van 17 juli 2019 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant verlaagd, omdat appellant inkomsten als zelfstandige heeft ontvangen. Daarbij is toegelicht dat het Uwv een fictief bedrag aan inkomsten berekent, dat van het maandloon wordt afgetrokken. Dit betekende dat zijn WW-uitkering omlaagging. In het besluit is aan appellant meegedeeld dat als hij in de toekomst minder uren gaat werken als zelfstandige, zijn WW-uitkering niet meer omhooggaat, omdat appellant voor de uren die hij als zelfstandige werkt niet verzekerd is voor de WW. Verder is meegedeeld dat als appellant meer uren gaat werken als zelfstandige, zijn WW-uitkering ook met deze extra uren wordt verlaagd. Vanaf december 2019 heeft appellant geen werkzaamheden verricht als zelfstandige naast zijn WW-uitkering. Vanaf deze maand zijn geen inkomsten als zelfstandige in mindering gebracht op de WW-uitkering.
1.3.
Appellant heeft zich met ingang van 2 juni 2020 ziekgemeld. Bij besluit van 14 juli 2020 heeft het Uwv appellant per 10 juli 2020 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Daarbij is het dagloon vastgesteld op het maximumdagloon van € 222,78.
1.4.
Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd heeft appellant een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 14 juni 2022 heeft het Uwv appellant per 31 mei 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. Daarbij is het dagloon – na indexering – vastgesteld op € 112,70. Het dagloon is berekend over een referteperiode van 1 juni 2019 tot en met 31 mei 2020. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 juni 2022, omdat hij vindt dat het WIA-dagloon hoger moet worden vastgesteld.
1.5.
Bij beslissing op bezwaar van 24 november 2023 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 juni 2022 gegrond verklaard, in die zin dat aan appellant per 31 mei 2022 een IVA-uitkering wordt toegekend. Het dagloon voor de WIA-uitkering is ongewijzigd € 112,70 gebleven.
1.6.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. Hangende het beroep heeft het Uwv op 25 maart 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen waarbij het dagloon is verhoogd naar € 130,35. Het Uwv heeft de WW-uitkering van appellant over de maand april 2020, die in mei 2020 betaald had moeten worden maar pas na afloop van de referteperiode is betaald, alsnog meegenomen bij de vaststelling van het WIA-dagloon.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant in beroep en het Uwv opgedragen het griffierecht van appellant te vergoeden. De rechtbank heeft vastgesteld dat de referteperiode van 1 juni 2019 tot en met 31 mei 2020 niet in geschil is. Gedurende de referteperiode heeft appellant een WW-uitkering ontvangen waarop zijn verdiensten als zelfstandige zijn gekort, waardoor zijn WIA-dagloon lager is. Appellant was als zelfstandige niet verzekerd voor arbeidsongeschiktheid. Om die reden kunnen de inkomsten als zelfstandige van appellant niet worden meegenomen bij de vaststelling van het WIA-dagloon. Ingevolge artikel 12 van Pro de Wet WIA, in samenhang met artikel 14 van Pro het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit), wordt onder loon in dit kader verstaan het loon in de zin van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen, oftewel sv-loon. Inkomsten als zelfstandige vallen hier niet onder.
2.1.
De rechtbank heeft in de omstandigheid dat het dagloon voor appellant hierdoor lager uitvalt dan zijn WW-dagloon geen aanleiding gezien om af te wijken van de geldende dagloonregelgeving. Het Dagloonbesluit biedt geen mogelijkheid in de vorm van een hardheidsclausule of een uitzonderingsbepaling om in het geval van een onevenredige uitwerking van de gestelde regels af te wijken. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de uitspraak van de Raad van 29 november 2023, waarnaar appellant heeft verwezen, [1] niet leidt tot een andere conclusie. Appellant behoort niet tot de specifieke doelgroep van deze uitspraak en bovendien is, anders dan in de uitspraak van de Raad, in het geval van appellant geen sprake van een loonloze periode.
Gewijzigde beslissing op bezwaar van 10 september 2024 (bestreden besluit 3)
2.2.
Het Uwv heeft op 10 september 2024 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 3) waarbij het dagloon is verhoogd naar € 131,77. Het Uwv heeft het uitbetaalde en gereserveerde vakantiegeld over de maand april 2020, dat ten onrechte niet bij de vaststelling van het WIA-dagloon was betrokken, alsnog hierin meegenomen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het niet eens met bestreden besluit 3. Appellant handhaaft zijn standpunt dat het WIA-dagloon moet worden vastgesteld op het maximumdagloon, net zoals het WW-dagloon. Appellant heeft in de periode van juni 2019 tot en met november 2019 gewerkt als zelfstandig medisch specialist op waarneembasis, in de hoop dat dit zou leiden tot een vast dienstverband. Op basis van het door appellant aan het Uwv doorgegeven aantal gewerkte uren als zelfstandige, heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant blijvend verlaagd. Appellant heeft van het Uwv geen besluiten of informatie ontvangen over de gevolgen van de werkzaamheden op waarneembasis voor zijn WW-uitkering. Appellant vraagt zich af of het Uwv wel terecht artikel 8, tweede lid, van de WW heeft toegepast, en niet artikel 8, vijfde lid, van de WW had moeten toepassen. Appellant is na augustus 2019 minder gaan werken. Het Uwv had dit volgens appellant per maand moeten zien als een gedeeltelijke beëindiging van de werkzaamheden. Als het Uwv artikel 8, vijfde lid, van de WW had toegepast, dan was de WW-uitkering van appellant hoger geweest. Appellant stelt zich op het standpunt dat het Uwv bij de berekening van het WIA-dagloon alsnog artikel 8, vijfde lid, van de WW moet toepassen voor de vaststelling van de hoogte van de WW-uitkering over de maanden oktober 2019 tot en met december 2019.
3.1.
Appellant heeft verder aangevoerd dat het voor hem erg onevenredig uitpakt dat voor de vaststelling van het WIA-dagloon geen rekening wordt gehouden met de inkomsten uit de werkzaamheden als zelfstandige, terwijl de WW-uitkering wel op basis van het aantal als zelfstandige gewerkte uren blijvend is verlaagd. Appellant vindt daarom dat voor de vaststelling van het WIA-dagloon ervan uit wordt gegaan dat hij in de periode van 1 juli 2019 tot en met 31 december 2019 een WW-uitkering heeft genoten alsof er geen inkomsten zijn geweest, dan wel dat zijn inkomsten als zelfstandige worden aangemerkt als sv-loon.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. De hoogte van de WW-uitkering over de periode van 1 juli 2019 tot en met 31 december 2019, kan volgens het Uwv in deze procedure niet meer ter discussie worden gesteld. Bij besluit van 17 juli 2019 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant verlaagd wegens zijn inkomsten als zelfstandige. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden omdat appellant hiertegen geen bezwaar heeft gemaakt. Appellant heeft ook geen bezwaar gemaakt tegen de daaropvolgende betaalspecificaties van de WW-uitkering over de periode van 1 juli 2019 tot en met 31 december 2019. Ook deze besluiten zijn daarom in rechte onaantastbaar geworden.

Het oordeel van de Raad

5. Met bestreden besluit 3 heeft het Uwv bestreden besluit 2 niet langer gehandhaafd. Nu bestreden besluit 2 bij de aangevallen uitspraak in stand is gelaten, komt die uitspraak voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaren en bestreden besluit 2 vernietigen. Omdat bestreden besluit 3 niet volledig tegemoetkomt aan de bezwaren van appellant, wordt dit besluit met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, in de procedure betrokken en wordt het hoger beroep geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 3.
5.1.
In geschil is of het Uwv terecht het WIA-dagloon heeft vastgesteld op € 131,77. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.2.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.3.
Niet in geschil is dat de referteperiode loopt van 1 juni 2019 tot en met 31 mei 2020. Gedurende deze gehele periode heeft appellant een WW-uitkering ontvangen. In de periode van 1 juli 2019 tot en met 31 december 2019 was de WW-uitkering aanzienlijk lager, omdat hierop de inkomsten als zelfstandige van appellant in mindering zijn gebracht. Appellant heeft hierover een besluit van 17 juli 2019 ontvangen van het Uwv, waarin is vermeld dat de inkomsten als zelfstandige definitief in mindering worden gebracht op de WW-uitkering. Appellant wordt daarom niet gevolgd in zijn standpunt dat hij van het Uwv geen besluit heeft ontvangen over de gevolgen van het werken als zelfstandige voor de WW-uitkering. Daarbij heeft het Uwv nog opgemerkt dat een medewerker van het Uwv appellant op 16 juli 2019 telefonisch heeft toegelicht hoe de inkomsten uit de werkzaamheden als zelfstandige in mindering zullen worden gebracht op de WW-uitkering.
5.4.
Vastgesteld wordt dat de besluiten over de hoogte van de WW-uitkering van appellant in rechte onaantastbaar zijn geworden, omdat appellant hiertegen geen bezwaar heeft gemaakt. De hoogte van de WW-uitkering, die appellant heeft ontvangen tijdens de referteperiode, kan daarom niet meer aan de orde worden gesteld in deze hoger beroepsprocedure over het dagloon van de WIA-uitkering. De gronden van appellant over de al dan niet juiste toepassing van artikel 8, tweede lid, van de WW zullen daarom niet worden betrokken in de beoordeling van het hoger beroep. Bij de vaststelling van het WIAdagloon moet worden uitgegaan van de bedragen aan WW-uitkering die appellant heeft ontvangen in de referteperiode.
5.5.
Het Uwv heeft terecht de inkomsten van appellant uit de werkzaamheden als zelfstandige buiten beschouwing gelaten bij de vaststelling van het WIA-dagloon. Bij de werkzaamheden als zelfstandige gaat het om niet verzekeringsplichtige arbeid en de inkomsten hieruit zijn daarom geen sv-loon.
5.6.
Appellant heeft aangevoerd dat het voor hem erg onevenredig uitpakt dat voor de vaststelling van het WIA-dagloon geen rekening wordt gehouden met de inkomsten uit de werkzaamheden als zelfstandige, terwijl de WW-uitkering wel op basis van het aantal als zelfstandige gewerkte uren blijvend is verlaagd. De Raad vat dit op als een beroep op het evenredigheidsbeginsel, in die zin dat appellant van mening is dat de strikte toepassing van de dagloonregels in zijn geval leidt tot een onevenredige uitkomst. Hierover wordt als volgt overwogen.
5.6.1.
Met bestreden besluit 3 heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 13, eerste lid, en artikel 16, eerste en derde lid, van het Dagloonbesluit. Dit betekent dat dat besluit berust op een gebonden bevoegdheid die is neergelegd in een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin. Bij een gebonden bevoegdheid heeft op het niveau van het algemeen verbindend voorschrift al een belangenafweging in algemene zin plaatsgevonden. De uitkomst daarvan is neergelegd in de voorwaarden voor de uitoefening van die bevoegdheid. Daarmee is in beginsel ook de evenredigheid van het besluit gegeven. Het te nemen besluit volgt namelijk uit het wel of niet vervuld zijn van de toepassingsvoorwaarden en het bestuursorgaan hoeft daarbij geen belangenafweging te maken. Toch kunnen er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat in een voorliggend geval toepassing van het algemeen verbindend voorschrift voor één of meer belanghebbenden zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit is het geval als er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredig nadelige uitkomst leidt, dat wil zeggen: als het besluit in de gegeven omstandigheden voor betrokkene onredelijk bezwarend is. [2] De door appellant gestelde omstandigheden leiden niet tot de conclusie dat het bestreden besluit voor hem onredelijk bezwarend is. Daarvoor is het volgende van belang.
5.6.2.
Uit artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit volgt dat het loon dat is genoten tijdens de referteperiode bepalend is voor de vaststelling van het dagloon. Uit deze regeling van de referteperiode volgt dat voor de vaststelling van het welvaartsniveau niet bepalend is het loon dat werd genoten op het moment van intreden van het verzekerde risico, maar het loon dat daadwerkelijk is genoten tijdens de gehele referteperiode, het zogenoemde historisch dagloon. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, is hieraan inherent dat periodes waarin minder loon is ontvangen tijdens de referteperiode, een negatieve invloed hebben op de hoogte van het dagloon. De besluitgever heeft hiermee rekening gehouden en heeft daarbij geen onderscheid gemaakt naar de reden waarom in een periode minder loon is ontvangen. [3] De wijze waarop het dagloon wordt berekend, staat los van het arbeidsverleden en het daarin verdiende inkomen; het gaat erom wat in de referteperiode is genoten. In het geval van appellant wordt het lagere WIA-dagloon veroorzaakt door de omstandigheid dat hij tijdens de WW-uitkering als zelfstandige heeft gewerkt waardoor zijn WW-uitkering tijdens de referteperiode is verlaagd. Het besluit is in de gegeven omstandigheden voor appellant niet onredelijk bezwarend. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat toepassing van het Dagloonbesluit leiden tot een onevenredige uitkomst.

Conclusie en gevolgen

5.7.
Aangezien het Uwv in hoger beroep met bestreden besluit 3 het WIA-dagloon heeft verhoogd, slaagt het hoger beroep. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd, met uitzondering van het oordeel over bestreden besluit 1 en de beslissingen over de proceskosten en het griffierecht. Het beroep tegen bestreden besluit 2 zal gegrond worden verklaard en bestreden besluit 2 zal worden vernietigd. Het beroep tegen bestreden besluit 3 slaagt niet en zal ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat het Uwv het WIAdagloon terecht heeft vastgesteld op € 131,77.
6. Omdat het Uwv in hoger beroep een gewijzigde beslissing op bezwaar heeft genomen, is er aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. De proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 0,5 punt voor de reactie op bestreden besluit 3 en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,-) voor verleende rechtsbijstand.
6.1.
Ook moet het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak, met uitzondering van het oordeel over het besluit van 24 november 2023 en de beslissingen over de proceskosten en het griffierecht;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 25 maart 2024 gegrond en vernietigt dit besluit;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 10 september 2024 ongegrond;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.335,-;
  • bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin als voorzitter en A.I. van der Kris en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.

(getekend) M.E. Fortuin

(getekend) G.T. Hunsel

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 13 van Pro de Wet WIA:

1. Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
[…]
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld.
[…]

Artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit:

Onder referteperiode wordt in dit hoofdstuk de periode verstaan van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, of die eindigt, in geval de arbeidsongeschiktheid is ingetreden in gelijktijdige dienstbetrekkingen, op de laatste dag van het aangiftetijdvak dat het eerst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid is geëindigd.
Dagloonbesluit

Artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit:

Het dagloon van uitkeringen op grond van de Wet WIA en de WAO is de uitkomst van de volgende berekening:
(A – B + C) / D
waarbij:
A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers;
B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die in de referteperiode als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die in die periode als loon zijn uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag;
C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag dan wel ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag; en
D staat voor 261.

Artikel 16, derde lid, van het Dagloonbesluit

Indien het loon in de referteperiode geheel of gedeeltelijk heeft bestaan uit een uitkering wordt voor de toepassing van het eerste lid het bedrag van de uitkering gesteld op de uitkomst van de volgende berekening:
((100 × E) / F)
waarbij:
E staat voor de uitkering; en
F staat voor:
a. 70, dan wel
b. indien het uitkeringspercentage op grond van de ZW, de WAO, hoofdstuk 6 van de Wet WIA of van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wazo hoger is dan 70, het uitkeringspercentage waarnaar de uitkering is berekend; of
c. 100, indien artikel 53 of Pro 63 van de Wet WIA van toepassing is, dan wel
d. indien de teller van de factor, bedoeld in artikel 53 of Pro 63 van de Wet WIA lager is, de waarde van die teller.

Voetnoten

1.CRvB 29 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2202.
2.Zie de uitspraak van het CBb van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190, r.o. 8.2.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 17 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2458, van 16 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:602 en van 23 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1581.