ECLI:NL:CRVB:2026:908
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor vervoerskosten zonder terugwerkende kracht
Appellanten dienden op 7 maart 2024 een aanvraag in voor bijzondere bijstand voor vervoerskosten die zij in 2023 maakten voor bezoeken aan hun dochter in een instelling. Het college wees de aanvraag af omdat de betaalbewijzen ouder waren dan drie maanden bij indiening, waardoor geen recht op bijzondere bijstand bestond voor de periode van 1 september tot en met 3 december 2023.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het college het buitenwettelijk begunstigende beleid juist toepaste en dat appellanten onvoldoende aannemelijk maakten dat het besluit onevenredige gevolgen had. De Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat de door appellanten aangevoerde medische, persoonlijke en familiaire omstandigheden geen bijzondere omstandigheden vormen die terugwerkende kracht rechtvaardigen.
Verder oordeelt de Raad dat het beleid van het college, hoewel tegenwettelijk begunstigend, niet ter toetsing staat en dat het college het beleid correct heeft toegepast. Het evenredigheidsbeginsel leidt niet tot een andere uitkomst omdat artikel 44 van Pro de Participatiewet een dwingende termijnbepaling bevat die terugwerkende kracht uitsluit, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn.
De Raad verklaart het hoger beroep ongegrond, bevestigt de afwijzing van de aanvraag en wijst vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor vervoerskosten zonder terugwerkende kracht wordt bevestigd.