ECLI:NL:CRVB:2026:908

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
25/78 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 PWArt. 3.1 Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2019Art. 4:84 AwbArt. 120 Grondwet
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor vervoerskosten zonder terugwerkende kracht

Appellanten dienden op 7 maart 2024 een aanvraag in voor bijzondere bijstand voor vervoerskosten die zij in 2023 maakten voor bezoeken aan hun dochter in een instelling. Het college wees de aanvraag af omdat de betaalbewijzen ouder waren dan drie maanden bij indiening, waardoor geen recht op bijzondere bijstand bestond voor de periode van 1 september tot en met 3 december 2023.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het college het buitenwettelijk begunstigende beleid juist toepaste en dat appellanten onvoldoende aannemelijk maakten dat het besluit onevenredige gevolgen had. De Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat de door appellanten aangevoerde medische, persoonlijke en familiaire omstandigheden geen bijzondere omstandigheden vormen die terugwerkende kracht rechtvaardigen.

Verder oordeelt de Raad dat het beleid van het college, hoewel tegenwettelijk begunstigend, niet ter toetsing staat en dat het college het beleid correct heeft toegepast. Het evenredigheidsbeginsel leidt niet tot een andere uitkomst omdat artikel 44 van Pro de Participatiewet een dwingende termijnbepaling bevat die terugwerkende kracht uitsluit, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn.

De Raad verklaart het hoger beroep ongegrond, bevestigt de afwijzing van de aanvraag en wijst vergoeding van proceskosten af.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor vervoerskosten zonder terugwerkende kracht wordt bevestigd.

Uitspraak

25/78 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 december 2024, 24/5724 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant 1] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 30 juni 2026
Zitting heeft: A.M. Overbeeke
Griffier: L. van Beelen
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 juni 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M. el Idrissi, advocaat, en M. Ajouaou, tolk in de Tarifite taal. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Z. Abachi en mr. I. Plaisier.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Appellanten hebben op 7 maart 2024 een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor vervoerskosten die zij hebben gemaakt in 2023 in verband met bezoeken aan hun dochter die in een instelling in [plaats] verblijft.
2. Met een besluit van 18 maart 2024, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 27 mei 2024 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. De reden van de afwijzing van de kosten van 1 september 2023 tot en met 3 december 2023 is dat de betaalbewijzen op de datum van de aanvraag ouder zijn dan drie maanden. Appellanten hebben daarom geen recht op bijzondere bijstand voor vervoerskosten. Het college heeft hierbij toepassing gegeven aan artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder a, sub 1, van de Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2019 (Beleidsregels).
3. De rechtbank heeft met de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank mocht het college de aanvraag afwijzen op grond van het buitenwettelijk begunstigende beleid. Het college heeft geen aanleiding hoeven zien om met toepassing van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht af te wijken van dit beleid. Verder heeft de rechtbank overwogen dat appellanten niet hebben gemotiveerd waarom het bestreden besluit onevenredige gevolgen heeft voor hen.
4. Tussen partijen is niet in geschil dat de vervoerskosten zijn ontstaan vóór de datum waarop de aanvraag om bijzondere bijstand is ingediend. Tussen partijen is in geschil of voor de vervoerskosten van 1 september 2023 tot en met 3 december 2023 aanspraak bestaat op verlening van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht.
5. Voor kosten die zijn ontstaan vóór de datum waarop de aanvraag om bijzondere bijstand is ingediend wordt in beginsel geen bijzondere bijstand verleend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet (PW) en vaste rechtspraak. [1] Het is aan betrokkene om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere omstandigheden. [2]
6. Wat appellanten hebben aangevoerd levert geen bijzondere omstandigheden op die bijstandsverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen. De door appellanten genoemde medische, persoonlijke en familiaire omstandigheden zijn weliswaar moeilijk, maar niet is gebleken dat appellanten daardoor niet in staat waren tijdig een aanvraag om bijzondere bijstand te doen of daarvoor hulp van derden in te schakelen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat appellanten eerder een aanvraag om bijzondere bijstand hebben ingediend die was afgewezen, omdat die te laat was ingediend. Appellanten wisten dus van het belang van het tijdig indienen van een aanvraag.
7. Voor zover het college in de Beleidsregels heeft bepaald dat onder bepaalde voorwaarden kan worden afgeweken van het in artikel 44, eerste lid, van de PW opgenomen uitgangspunt, zonder dat sprake is van bijzondere omstandigheden, dient dit beleid te worden gekwalificeerd als tegenwettelijk beleid. Het beleid gaat immers in tegen de wettelijke bepaling, die terugwerkende kracht van een aanvraag om bijstand uitsluit. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 15 mei 2025 [3] heeft overwogen, wordt tegenwettelijk beleid als gegeven aanvaard en niet exceptief getoetst. Evenmin wordt getoetst of het bestuursorgaan ten gunste van de betrokkene moet afwijken van dit beleid. Wel moet worden beoordeeld of het college met het bestreden besluit het beleid juist heeft toegepast. Omdat de betaalbewijzen op het moment van de aanvraag ouder waren dan drie maanden, is dit het geval.
8. Anders dan appellanten hebben betoogd, noopt het evenredigheidsbeginsel evenmin tot verlening van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht. Artikel 44, eerste lid, van de PW schrijft als dwingend geformuleerde termijnbepaling voor dat, behoudens bijzondere omstandigheden, vóór de aanvraag ontstane kosten niet voor verlening van bijzondere bijstand in aanmerking komen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen [4] staat het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet aan toetsing van die bepaling aan het evenredigheidsbeginsel in de weg. Dit is alleen anders in het geval van bijzondere omstandigheden die de wetgever niet of niet ten volle in zijn afweging heeft verdisconteerd. [5] Van zo’n situatie is hier geen sprake. De essentie van artikel 44 van Pro de PW – degene die niet of niet-tijdig zijn aanvraag indient verspeelt zijn rechten – kan de wetgever niet zijn ontgaan, zodat moet worden aangenomen dat de wetgever deze gevolgen heeft bedoeld en voorzien. [6]
9. De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt met verbetering van gronden bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.
10. Dit betekent ook dat appellanten geen vergoeding voor proceskosten en griffierecht krijgen.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) L. van Beelen (getekend) A.M. Overbeeke

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT0209.
2.Zie uitspraak van 21 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2348.
4.Zie de uitspraak van 6 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1047.
5.Zie de uitspraak van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700.
6.Zie de uitspraak van 4 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1699.