ECLI:NL:CRVB:2026:941

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
24/2729 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58 lid 1 ParticipatiewetArt. 58 lid 8 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet melden huur bankkluis

Appellante huurde vanaf 2 juni 2022 onafgebroken een bankkluis die op haar naam stond, waarvan zij de huur betaalde en waar zij als enige toegang toe had. Zij heeft echter nagelaten dit te melden aan het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage, waardoor het college het recht op bijstand niet kon vaststellen.

De Raad overwoog dat het bezit van een bankkluis een omstandigheid is die van invloed kan zijn op het recht op bijstand en dat appellante onverwijld mededeling had moeten doen. Haar stelling dat de kluis feitelijk voor haar dochter was en zij daarom geen melding hoefde te doen, werd verworpen wegens gebrek aan concrete en verifieerbare onderbouwing.

Daarnaast weigerde appellante het college toegang tot de kluis, waardoor het college niet kon vaststellen wat de inhoud was of van wie deze afkomstig was. Het college is verplicht de kosten van bijstand terug te vorderen indien de inlichtingenverplichting niet is nagekomen, tenzij dringende redenen tot afzien van terugvordering aanwezig zijn.

Appellante voerde aan dat het niet realistisch was dat de kluis een vermogen bevatte ter grootte van het terugvorderingsbedrag en dat zij bij invordering onder het bijstandsniveau zou moeten leven. De Raad oordeelde dat deze argumenten geen dringende redenen vormden om van terugvordering af te zien, mede omdat de inhoud van de kluis onbekend is en appellante bescherming geniet van de beslagvrije voet.

De Raad bevestigde daarom de intrekking van de bijstand over de periode van 2 juni 2022 tot en met 2 februari 2023 en de terugvordering van € 8.459,37.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand en terugvordering van € 8.459,37 worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting door het niet melden van de huur van een bankkluis.

Uitspraak

24/2729 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 november 2024, 23/8659 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te '[woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage (college)
Datum uitspraak: 14 juli 2026
Zitting heeft: P.W. van Straalen
Griffier: J. Bonnema
De zitting is gehouden op 14 juli 2026. Voor appellante is mr. A. Dogan, advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Buizert.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak over de intrekking van bijstand over de periode van 2 juni 2022 tot en met 2 februari 2023 en de terugvordering van kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 8.459,37. De reden hiervoor is dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij een kluis huurde. Als gevolg daarvan kan het college het recht op bijstand niet vaststellen.
Niet in geschil is dat appellante met ingang van 2 juni 2022 onafgebroken een kluis heeft gehuurd. De kluis stond op naam van appellante, zij betaalde de huurprijs en zij had als enige toegang tot de kluis. Ook niet in geschil is dat appellante aan het college geen mededeling heeft gedaan van het huren van de kluis of van de inhoud daarvan. De Raad heeft eerder overwogen dat het bezit van een bankkluis een omstandigheid is waarvan het de betrokkene redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kan zijn op het recht op bijstand. [1] Appellante had van het huren van de kluis dan ook onverwijld mededeling moeten doen aan het college. Nu appellante dit heeft nagelaten, heeft zij de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden.
Dit wordt niet anders omdat appellante stelt dat zij van de kluis geen mededeling hoefde te doen omdat zij de kluis voor haar dochter huurde en dat de dochter feitelijk degene was die de kluis huurde. Zij voert daartoe aan dat de kluis alleen op haar naam stond omdat haar dochter daar sieraden in wilde bewaren en niet wilde dat de ex-partner van de dochter daarvan zou weten. De huur kreeg zij contant van haar dochter terug. Deze grond slaagt al niet omdat appellante haar stelling niet heeft onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens. De Raad kent hierbij ook betekenis toe aan de omstandigheid dat het college appellante tijdens een gesprek op 2 februari 2023 heeft gevraagd om toegang tot de kluis, welke toegang appellante heeft geweigerd. Door de kluis niet te melden en vervolgens ook het college de toegang te weigeren, heeft appellante het college de mogelijkheid ontnomen om vast te stellen wat er in de kluis lag, of van wie de inhoud van de kluis afkomstig was.
Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet (PW). Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de PW.
Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 [2] tot uitdrukking heeft gebracht moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
Appellante stelt in dit verband dat het niet realistisch is dat in de kluis een vermogen zou hebben gelegen tot het terugvorderingsbedrag. Daarnaast voert zij aan dat zij bij invordering lange tijd onder bijstandsniveau zal moeten leven.
Het college heeft wat appellant in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd bij
afweging van de betrokken belangen niet als dringende redenen hoeven aan te merken om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet (deels) van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. Daarvoor is van belang dat niet duidelijk is wat de inhoud van de kluis was en appellant bij invordering de bescherming geniet van de beslagvrije voet. De invordering maakt als zodanig niet dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) J. Bonnema (getekend) P.W. van Straalen