ECLI:NL:GHAMS:2005:AT8223
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag loonbelasting wegens onjuist opgegeven aandelenopties
Belanghebbende, een besloten vennootschap, kreeg een naheffingsaanslag loonbelasting opgelegd wegens onjuiste aangifte van voordelen uit aandelenopties toegekend aan werknemer F. De opties waren voorwaardelijk toegekend en werden onvoorwaardelijk op specifieke data. F had in zijn aangiften inkomstenbelasting onjuiste of onvolledige informatie verstrekt over de belastingheffing van deze opties.
Het geschil betrof onder meer de waardering van de resterende looptijd van de opties bij het genietingstijdstip, de vraag of sprake was van een nieuw feit voor navordering door de inspecteur inkomstenbelasting, en de toepassing van het vertrouwensbeginsel. Het hof oordeelde dat de resterende looptijd objectief moest worden bepaald en dat de overeengekomen beëindiging van de arbeidsovereenkomst meegewogen moest worden, wat leidde tot een vermindering van de naheffingsaanslag.
Verder stelde het hof vast dat de inspecteur inkomstenbelasting niet verplicht was een onderzoek in te stellen naar de belastbaarheid van de optievoordelen, en dat het vertrouwensbeginsel niet in de weg stond aan navordering. De naheffingsaanslag loonbelasting kon niet worden verminderd met reeds geheven inkomstenbelasting. De opgelegde boete werd ambtshalve vernietigd vanwege rechtverwerking. Het hof verklaarde het beroep gegrond, verminderde de aanslag en boete, en veroordeelde de inspecteur in proceskosten.
Uitkomst: De naheffingsaanslag loonbelasting wordt deels verminderd en de boete vernietigd.