ECLI:NL:GHAMS:2006:AV2119
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- M.M.A. Gerritzen-Gunst
- S. Clement
- J.G. Gräler
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek tot gerechtelijke vaststelling vaderschap ondanks conflictenrechtelijke verwijzing naar Marokkaans recht
De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de afwijzing van haar verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man ten aanzien van hun kind. Volgens artikel 6 van Pro de Wet conflictenrecht afstamming (WCA) is het Marokkaanse recht van toepassing omdat zowel de moeder als de man de Marokkaanse nationaliteit hebben. Marokkaans recht kent echter geen mogelijkheid tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in deze situatie.
De moeder betoogde dat toepassing van artikel 6 WCA Pro in strijd is met artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), dat het recht op respect voor het privé- en gezinsleven beschermt. Het hof oordeelde dat het recht op gerechtelijke vaststelling van het vaderschap inderdaad binnen de reikwijdte van artikel 8 EVRM Pro valt en dat de verwijzingsregel van artikel 6 WCA Pro, die het verzoek op grond van Marokkaans recht afwijst, een ontoelaatbare inmenging vormt.
Daarom past het hof op grond van de openbare orde Nederlands recht toe en beoordeelt het verzoek aan de hand van artikel 1:207 BW Pro. Omdat de man niet is verschenen en het verzoek niet onrechtmatig of ongegrond is, wijst het hof het verzoek toe en stelt het het vaderschap vast. De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd voor zover deze het vaderschap niet heeft vastgesteld.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap toe en past Nederlands recht toe ondanks de conflictenrechtelijke verwijzing naar Marokkaans recht.