ECLI:NL:GHAMS:2009:BL6152
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrek rente rekening-courantschuld en beroep op vertrouwensbeginsel en foutenleer
Belanghebbende, een bouw- en ontwikkelingsmaatschappij, voerde in hoger beroep aan dat zij de rente van € 290.000, betaald in 2002 maar betrekking hebbend op de jaren 1989 tot en met 2001, in dat jaar ten laste van haar winst mocht brengen. Zij baseerde dit op een vermeende afspraak met de inspecteur in 1996 en het vertrouwensbeginsel.
Het hof stelde vast dat de inspecteur geen in rechte te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat het kasstelsel toegepast mocht worden op deze rente. De mondelinge afspraken tussen belanghebbende en [A BV] waren onvoldoende concreet en niet juridisch afdwingbaar. De inspecteur had het bezwaar van [A BV] tegen de aanslag 1991 gehonoreerd, maar dit betrof niet de fiscale behandeling van rente bij belanghebbende.
Ook de toepassing van de foutenleer werd verworpen. Belanghebbende kon niet aannemelijk maken dat er een voldoende bepaalbare en afdwingbare verplichting tot rentebetaling bestond over de jaren 1989-2001. De renteverplichting was te onbepaald en de berekeningen boden geen bewijs van een bestaande schuld. De rechtbankuitspraken werden bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag vennootschapsbelasting 2002 wordt gehandhaafd.