ECLI:NL:GHAMS:2010:BN2244
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- J.C. Toorman
- G.J. Visser
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding bestuurders na onrechtmatige aanwijzingen DNB en AFM
De zaak betreft een hoger beroep van bestuurders [A] en [B] tegen de Nederlandse Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM) wegens onrechtmatige aanwijzingen die hebben geleid tot hun ontslag. De aanwijzingen waren gebaseerd op vermoedens van handelen met voorwetenschap, die later door het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) zijn herroepen wegens onvoldoende motivering.
Het hof bevestigt dat de uitspraken van het CBb in beginsel bindende kracht hebben voor de burgerlijke rechter, ook als de strafrechter tot een andere beoordeling komt. Hierdoor oordeelt het hof dat de aanwijzingen onrechtmatig waren en dat DNB en AFM hiervoor aansprakelijk zijn. Tegelijkertijd erkent het hof dat [A] en [B] zelf hebben gehandeld met voorwetenschap, wat aanleiding gaf tot strafrechtelijke vervolging en bestuurlijke maatregelen.
Het hof stelt vast dat het causaal verband tussen de onrechtmatige aanwijzingen en het ontslag aanwezig is, maar dat latere veroordelingen van de bestuurders tot ontslag zouden hebben geleid, waardoor DNB en AFM niet aansprakelijk zijn voor schade geleden na die veroordelingen. Bovendien wijst het hof op de eigen schuld van 60% van [A] en [B] vanwege hun handelen in strijd met artikel 46 Wte Pro 1995, waardoor hun schade slechts voor 40% vergoedbaar is.
Het hof verwijst de zaak voor nadere schadevaststelling en stelt dat tegen dit tussenarrest cassatie openstaat. Verdere beslissingen worden aangehouden.
Uitkomst: De aanwijzingen van DNB en AFM waren onrechtmatig, maar eigen schuld van 60% beperkt de schadevergoeding voor bestuurders tot 40%.