Conclusie
1.Feiten
BIJLAGE 1blijkt dit.
Functies
Verweer werknemer
Verweer werknemer
causaal verband
3.Bespreking van het cassatiemiddel
allefeiten en omstandigheden die zich destijds voordeden, een rechtmatig besluit genomen
had kunnen worden, waarbij de gestelde schade zich ook had voorgedaan. Ik zal hierna eerst nader ingaan op de causaal verband toets met betrekking tot onrechtmatige besluiten.
zou zijngenomen en of de schade zich in dat geval ook had voorgedaan, wil men tot het oordeel komen dat causaal verband ontbreekt [9] .
Meerssen [10] en
Ameland I [11] een afwijkende toets in zwang geraakt, bekend als het leerstuk van de retrospectieve vergelijking met het hypothetisch rechtmatig besluit [12] . De bestuursrechter sluit bij de beoordeling of sprake is van causaal verband weliswaar aan bij het civiele schadevergoedingsrecht en de bewoordingen van art. 6:98 BW Pro, maar de toepassing wijkt af. [13] De Afdeling heeft in deze uitspraken overwogen dat geen sprake is van causaal verband, als:
had kunnen worden veroorzaaktdoor een rechtmatig besluit. [14] De reden om deze afwijkende maatstaf te hanteren heeft ermee te maken dat het veelal moeilijk zal zijn om achteraf te bepalen welk besluit daadwerkelijk door het bestuursorgaan
zou zijngenomen, met name als het bestuursorgaan beleidsvrijheid heeft [15] . Zie ik het goed [16] , dan is het verschil zo te typeren. In het civiele schadevergoedingsrecht wordt in beginsel causaal verband vereist tussen de normschending en de gestelde schade, in het besluitenaansprakelijkheidsrecht causaal verband tussen de normschending die grond voor vernietiging vormde en de gestelde schade.
[C]/Steenbergen [19] en
Amsterdam/[D] [20] . Men legt dat ook wel anders uit. Annotator Timmermans ziet in zijn verderop te bespreken noot onder
Hengelo/[E] [21] in
[C]/Steenbergenjuist een toepassing de bestuursrechtelijke leer van het hypothetisch rechtmatig besluit. Schlössels [22] vindt dat Uw Raad in
Amsterdam/[D](impliciet) een variant van deze Afdelingsmaatstaf heeft aanvaard. Ook Lubach en Sortelder opperen dat voorzichtig [23] . In die zaak speelde dat de gemeente een beslistermijn had overschreden. Uw Raad oordeelde dat het oordeel van het hof dat causaal verband bestond onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd was, omdat de gemeente de mogelijkheid had (maar niet had benut) om de beslistermijn te verlengen. De geleden schade zou ook zijn ontstaan indien de gemeente die mogelijkheid wel zou hebben benut, aldus deze uitspraak. Dat lijkt mij inderdaad bepaald trekken te hebben van de redeneertrant dat de gemeente (de feitelijke gang van zaken weggedacht) een rechtmatig besluit
had kunnen nemenmet gelijke gevolgen voor de gelaedeerde [24] . A-G Keus kwam tot eenzelfde analyse in 2.41 van zijn conclusie voor deze zaak, onder verwijzing naar
Meerssen.Kortmann [25] wijst erop dat Uw Raad in het arrest
Vouthe en Palthe/DNB en AFM [26] ook deze maatstaf van de Afdeling zou hebben toegepast. Mij lijkt dat niet zo zeker. Uw Raad nam juist tot uitgangspunt dat een (daadwerkelijke) latere gebeurtenis die dezelfde schade zou hebben veroorzaakt, niet afdoet aan de verplichting tot het vergoeden van schade. Dat kan evenwel anders zijn in gevallen waarbij sprake is van voortdurende schade en waarbij de latere gebeurtenis voor risico van de benadeelde komt. De s.t. zijdens het UWV noemt in 6 en 7 nog twee voorbeelden van lagere rechtspraak waarin de Afdelingsleer is toegepast [27] .
rechtmäβiges Alternativverhalten, dat daar niet is aanvaard. Hij schrijft onder meer:
konworden gekomen met dezelfde schade tot gevolg, zo is zijn gedachte. Ook Schlössels [30] , Tak [31] en Berkel-Kikkert & Broekhuizen [32] zijn kritisch.
Hilvarenbeek [35] en
Amstelveen [36] , waarin niet langer wordt gerept van de
zou hebben kunnen nementoets uit de
Ameland- en
Meerssen-uitspraken, maar van de te beantwoorden vraag of
een rechtmatig besluit kon worden genomen,dat naar aard en omvang eenzelfde schade tot gevolg zou hebben gehad” (cursivering A-G).
Hilvarenbeekopmerkelijk dat de Afdeling hier een andere formulering kiest in rov. 7.2 [37] en daarbij niet verwijst naar de
Ameland-uitspraak, maar naar een tot dan toe enige andere uitspraak (ABRvS 9 juli 2014 in zaak nr. 201308204/1/A2) waarin die formulering ook voorkomt. Kortmann is voorzichtig met het trekken van conclusies:
Hilvarenbeeken
Amstelveenin hun kroniek in NTB onder 2.1.2
nietals afwijkend van de
zou hebben kunnen nementoets (maar zonder aandacht te besteden aan de afwijkende bewoordingen van deze uitspraken ten opzichte van
Amelanden
Meerssen) [38] . Het is vooralsnog niet duidelijk of dit al dan niet een koerswijziging van de Afdeling markeert.
zou hebben genomenvariant (in plaats van
zou hebben kunnen nemen) in
Hengelo/Wefers, rov. 3.5.2 [39] . Daarin speelde overigens een
begunstigendbestuursbesluit in plaats van een
benadelendbestuursbesluit zoals in onze zaak, hetgeen deze formulering zou hebben kunnen inkleuren, om in jargon te blijven. JB-annotator Timmermans wijst daar op. Evenals Franssen en Van de Sande, die constateren in hun NTB kroniek over overheidsaansprakelijkheid [40] dat
Hengelo/[E]een belangrijk arrest is over de beoordeling van causaal verband tussen een onrechtmatig besluit en de daardoor geleden schade. Zij constateren dat Uw Raad een maatstaf voor beoordeling van causaal verband formuleert die afwijkt van het Afdelingscriterium sinds 2004 (
zou hebben genomenvan Uw Raad tegenover
zou hebben kunnen worden genomenvan de Afdeling). Zij schrijven in hun kroniek op dit punt vervolgens:
JB2016/129)). Temeer, omdat het opvallend is dat de Hoge Raad een afwijkende koers uitzet in deze tijden van congruentie van de civiel- en bestuursrechtelijke schadevergoedingsrechtspraak (waarover meer in paragraaf 2.1.2). Interessant is dan ook of de Afdeling in dit arrest aanleiding zal zien om haar rechtspraak bij te stellen.”
zou hebben kunnen worden genomentoets is aangewezen, laat staan dat dit als rechtens enig juiste toets moet worden gezien. De rechtsontwikkeling is nog bepaald niet uitgekristalliseerd, maar een zwenking naar een strengere causaliteitstoets zoals die van (voorheen?) de Afdeling (strenger in de zin dat minder snel causaal verband wordt aangenomen dan bij een “gewone” condition sine qua non toets) is niet bepaald waar de laatste ontwikkelingen op wijzen, zou ik menen.
zou hebben kunnen worden genomennaar
zou hebben genomen(al is dat als gezegd helemaal niet zeker);
Hengelo/[E], zo die zou mogen worden doorgetrokken naar niet-begunstigende besluiten (zeker als deze lijn zou moeten worden begrepen als een afwijking van de (impliciete) navolging door Uw Raad van de striktere causaliteitsleer van de Afdeling in
Amsterdam/[D]en
Vouthe en Palthe/DNB en AFM, voor zover al van een dergelijke navolging sprake was, die, zoals hebben we gezien, door sommige gezaghebbende bestuursrechtelijke auteurs zo wordt begrepen);
Hengelo/[E]) lijkt toegesneden op het typisch bestuursrechtelijke fenomeen van (schadevergoeding bij) zogenoemde “verlengde besluitvorming” [42] , wanneer na herroeping van het primaire besluit en/of vernietiging van de beslissing op bezwaar binnen korte tijd een tweede besluit wordt of kon worden genomen, dat wel rechtmatig is, terwijl het dezelfde inhoud (althans hetzelfde dictum) heeft als het oorspronkelijke besluit. De Afdeling kenschetste dat als “legalisering binnen afzienbare tijd” [43] die in de weg kan staan aan causaal verband. Zo’n situatie doet zich in het geval van een ontslagvergunning van het UWV onder het tot 1 juli 2015 geldende recht niet voor en dat lijkt mij (met [verweerder] ) een belangrijk gezichtspunt. Tegen een ontslagvergunning onder dat recht stond geen bezwaar en beroep open. Bovendien had een dergelijke beslissing onder art. 6 BBA Pro niet het normaal-typische karakter van een bestuursrechtelijk besluit in een geding tussen overheid en burger. Het betreft juist een a-typisch geval van een (niet voor bezwaar of beroep vatbaar) besluit van een bestuursorgaan dat in wezen in een contentieus arbeidsgeschil tussen private partijen een toetsingsrol heeft of er wel of niet een redelijke grond voor ontslag is [44] . Dat kleurt naar mijn mening deze zaak behoorlijk en maakt – zeker gelet op de vorige drie contra-indicaties – te meer dat niet voor de hand ligt de Afdelingsleer door te trekken naar een geval als het onze.
hebbenaangevoerd; voor wat betreft [A] is dat hetgeen zij daadwerkelijk heeft aangevoerd toen het UWV (in de aanloop naar de onderhavige procedure) haar daarom vroeg om nog eens aan te geven waarin de non-uitwisselbaarheid van functies nou precies zit. Dat geeft, wat betreft feitelijke grondslag, meer houvast en dus meer rechtszekerheid, terwijl de Afdelingsmaatstaf rechtsonzekerheid als gevolg van beleidsvrijheid van het bestuursorgaan kan meebrengen. Het argument van Di Bella, waarom de nadelen op de koop toegenomen zouden moeten worden, valt zo bezien (in deze situatie) weg. Berkel-Kikkert en Broekhuizen menen [46] dat aannemelijk gemaakt zou moeten worden dat het rechtmatige besluit (waarbij de gestelde schade ook zou zijn opgetreden) daadwerkelijk zou zijn genomen, omdat het conditio sine qua non verband een feitelijk verband is.
primaire klacht van onderdeel 1verwoord in 15 t/m 18 van de cassatiedagvaarding. De rechtsklacht is naar de kern dat het hof ten onrechte niet de Afdelingsmaatstaf heeft gehanteerd, maar (in lijn met het civiele conditio sine qua non verband leerstuk) heeft onderzocht wat het besluit van het UWV zou zijn geweest. Uit het voorgaande volgt dat ik niet onderschrijf dat deze hofbenadering onjuist is, zodat deze klacht volgens mij niet opgaat.
Het ligt op de weg van partijen om hun standpunt aannemelijk te maken.” (cursivering A-G)
had kunnenbesluiten wordt daarmee feitelijk begrensd door wat door partijen
zou zijnaangedragen, ook als wel de Afdelingsmaatstaf zou moeten worden gehanteerd [48] . Het hof heeft er voor gekozen om voor deze begrenzing als maatgevend te beschouwen hetgeen in de brief van [A] van 2 maart 2011 was opgenomen. Hoewel men zou kunnen tegenwerpen dat die brief in een andere situatie is opgesteld, waarbij [A] niet zelf als partij verweer voerde, meen ik dat dit oordeel van het hof feitelijk en niet onbegrijpelijk is. Ook hier kleurt het karakter van de art. 6 BBA Pro-procedure de te hanteren norm in. Het gaat te ver om dit zo te denatureren door in een dergelijk geschil tussen werkgever en werknemer te moeten aanvaarden dat het aan het UWV zou zijn om argumenten aan zijn (fictieve) besluit ten grondslag te kunnen leggen, die door de werkgever niet (zouden) zijn aangevoerd. Je kan het ook zo zien dat het hof met dit voor ogen in rov. 2.6 kennelijk, feitelijk en begrijpelijk te grote speculatie heeft willen keren. Dan valt daarin niet te lezen wat de klacht wil, namelijk dat het hof heeft gemeend dat er helemaal niet aangevuld zou mogen worden, maar dat het een discours over wat er louter in theorie nog allemaal door [A] zou kunnen zijn aangevoerd over de functie-uitwisselbaarheid als te speculatief heeft willen vermijden. [49] Dat is ook een feitelijke en niet onbegrijpelijke positie en ook dan zou de primaire klacht van onderdeel 1 van de cassatiedagvaarding niet opgaan.
passeren van het bewijsaanbod uit onderdeel 1(19-20) behelst dat het hof ten onrechte het bewijsaanbod van het UWV in MvG, nrs 35-36 heeft gepasseerd, uitgaande van de in onderdeel bepleite maatstaf. Het subonderdeel omvat twee klachten: Indien het hof het door het UWV bij MvG onder 35 en 36 gedane bewijsaanbod heeft gepasseerd, omdat het de bedoelde rechtsregels heeft miskend, heeft het hof ook in dat opzicht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting (19); indien het hof op andere gronden het bewijsaanbod (impliciet) heeft verworpen, dan is dat oordeel zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk (20).
nietonderling uitwisselbaar zijn” en als ik het goed zie, behelst dat niet een aanbod om nader te bewijzen wat [A] zou hebben aangevoerd en dat dàt het oordeel zou rechtvaardigen dat de functies niet uitwisselbaar zijn. Ik geef toe dat dat een kwestie van waardering is, maar zo begrepen kon het hof dit passeren.
in fine.
subsidiaire klacht van onderdeel 1(21-22) komt op het volgende neer. Indien niet zou moeten worden uitgegaan van de Afdelingsmaatstaf, dan had het hof moeten beoordelen of, het onrechtmatig handelen weggedacht, een wel rechtmatig besluit
zou zijn genomendat naar aard en omvang eenzelfde schade tot gevolg zou hebben gehad. Dat moet worden beoordeeld op basis van de feiten en omstandigheden zoals die zich ten tijde van de oorspronkelijke besluitvormingsprocedure voordeden en waarvan mag worden aangenomen dat zij destijds
zouden zijn aangevoerd, indien de procedure wel zorgvuldig zou zijn verlopen. Het hof heeft zich in rov. 2.6 echter ten onrechte beperkt tot hetgeen destijds daadwerkelijk is gesteld, aldus de klacht, door te beslissen dat de door het UWV bij MvG gestelde feiten en omstandigheden met betrekking tot de onderlinge uitwisselbaarheid van de functies buiten beschouwing zouden worden gelaten, voor zover die meer omvatten dan hetgeen in de brief van [A] van 2 maart 2011 staat.
isgesteld. Het hof heeft kennelijk en volgens mij niet onbegrijpelijk gemeend dat voor de bepaling (zo men wil: inschatting) van de feiten en omstandigheden die [A]
zou hebbenaangevoerd bij een correcte behandeling, moest worden gekeken naar hetgeen deze in haar brief van 2 maart 2011 heeft opgenomen. Dat is niet onbegrijpelijk, mede nu [A] die brief in een later stadium op verzoek van het UWV heeft opgesteld. De brief dateert weliswaar van voor de inleidende dagvaarding, maar van na de procedure bij de Ombudsman en de brief van [verweerder] van 13 september 2010, waarin hij het UWV aansprakelijk stelt. Het hof heeft kennelijk gemeend dat die brief van [A] leidend is voor de beantwoording van de vraag wat deze
zou hebben aangevoerdbij een correcte behandeling. Dat kon het hof zo doen in mijn optiek.
bewijsaanbodklacht in subsidiaire sleutelvan onderdeel 1 (23 en 24) klaagt over het passeren van het voornoemde bewijsaanbod uit de MvG, nrs. 35-36, maar dan in het licht van de in subsidiaire sleutel tot uitgangspunt genomen (gewone conditio sine qua non) maatstaf. Voor zover het hof het bewijsaanbod (dat de functies niet onderling uitwisselbaar zijn) niet terzake dienend heeft geacht, omdat alleen rekening mag worden gehouden met feiten en omstandigheden die
zijngesteld, getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, aldus het onderdeel. Die klacht is om dezelfde reden als hiervoor aangegeven gebaseerd op een onjuiste lezing van het arrest. De klacht in 24, dat het oordeel anders onvoldoende gemotiveerd is, gaat volgens mij om vergelijkbare redenen niet op als de tweede bewijsaanbodklacht in primaire sleutel voorgesteld.