ECLI:NL:GHAMS:2010:BO5013
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Erfgenaam gebonden aan huurovereenkomst ondanks ongunstige voorwaarden en geen onvoorziene omstandigheden
In deze zaak stond centraal of de erfgenaam van een verhuurder gebonden bleef aan een huurovereenkomst die door de overleden verhuurder met de huurster was gesloten, ondanks dat de voorwaarden voor de erfgenaam ongunstig waren. De huurovereenkomst was aangegaan voor onbepaalde tijd met een lage huurprijs en bevatte een kettingbeding dat ook de rechtsopvolgers aan de overeenkomst bond.
De erfgenaam vorderde ontbinding van de huurovereenkomst of verhoging van de huurprijs, stellende dat de exploitatie van de woning verliesgevend was en dat de omstandigheden na het overlijden van de verhuurder wezenlijk waren veranderd. De huurster beriep zich op de letterlijke tekst van de overeenkomst en het kettingbeding.
Het hof oordeelde dat de oorspronkelijke verhuurder de overeenkomst weloverwogen was aangegaan en dat hij bewust had voorzien dat de huurster de woning mogelijk zou overleven. Er waren geen onvoorziene omstandigheden in de zin van artikel 6:258 BW Pro die wijziging of ontbinding rechtvaardigden. Het beroep op het EVRM werd verworpen omdat de Nederlandse wetgeving voldoende rechtsbescherming bood.
De vordering van de erfgenaam werd afgewezen en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. De erfgenaam werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen van de erfgenaam af, die gebonden blijft aan de huurovereenkomst.